2025 De westelijke Balkan
2025 De westelijke Balkan
Noord-Kroatië
0. Rijeka
1. Lopar
2. Povljana
3. Bibinje
4. Brodarica
Zuid-Kroatië (incl. Bosnië)
5. Potirna
6. Orebić
7. Metković
8. Dubrovnik (rustdag)
Montenegro
9. Stoliv
10. Virpazar
11. Shkodër
Noord-Albanië (incl. Kosovo)
12. Koman
13. Dakovica
14. Kukës
15. Debar
Zuid-Albanië (incl. Noord-Macedonië)
16. Ljubaništa
17. Helmës
18. Petran
19. Gjirokastër
20. Agios Ioannis (Corfu)
Zondag 18 mei: Rijeka - Lopar (51 km)
Is het normaal dat je als 67-jarige nog fietstochten maakt van ver boven de duizend kilometer? En dan ook nog eens op campings overnacht en regelmatig je eigen potje kookt? Met een fietsdoos en een plunjezak meld ik me even na vijf uur ’s ochtends bij de balie voor afwijkende bagage op Eindhoven Airport. Bij het inchecken vraagt de baliemedewerker of ik ook nog normale bagage bij me heb. Een begrijpelijke vraag, maar voor mij is dit vrij normaal. Zolang het kan, blijf ik dit dan ook volhouden, al sluit ik niet uit dat op een gegeven moment de kampeerspullen thuisblijven.
Het grootste deel van de vliegreis kijk ik uit op een egaal wolkendek. Door de zon lijkt het net een sneeuwlandschap. Ik verbeeld me dat er overal afdrukken van vogelpoten in de sneeuw staan, alsof daar zojuist iets eetbaars te vinden was waar de vogels als kippen op af zijn gekomen. Soms zijn er lange donkere lijnen zichtbaar. Het zijn schaduwen van strepen die andere vliegtuigen hebben getrokken. Daar waar twee van die lijnen elkaar snijden tekent zich een enorm kruis af in de sneeuw. Een teken van boven?
Het vliegveld van Rijeka is klein en overzichtelijk. En het personeel is vriendelijk en behulpzaam. Zo wordt de fietsdoos door een bagagemedewerker voor mij naar een plek gesleept waar ik mijn fiets rustig in elkaar kan zetten. En een uur later wordt de lege fietsdoos door een baliemedewerker voor mij afgevoerd, nadat ze eerst heeft gevraagd wanneer ik die weer kom ophalen. Ik zeg haar dat ik hier niet meer terugkom en dat ze de doos aan een andere belangstellende mag geven.
Het vliegveld van Rijeka ligt op Krk, een eiland vlak voor de kust. Van het vliegveld naar de veerhaven, waar ik vanavond de veerboot naar Rab zal pakken, is het hooguit dertig kilometer. Om te voorkomen dat ik daar een halve dag moet zitten wachten, maak ik een omweg via Krk-stad. Door het vele groen op het eiland blijft het uitzicht op de omgeving beperkt. Wanneer de vegetatie even wijkt, ontvouwen zich prachtige vergezichten over de Adriatische Zee, met op de achtergrond de bergen op het Kroatische vasteland. Daarboven hangen dreigende luchten, maar gelukkig houd ik het droog. Ook Krk-stad is de moeite waard, al moet ik er tweemaal dezelfde steile heuvel voor over. Met uitzicht op het onstuimige water, opgezweept door een stevige zuidwestenwind, geniet ik op een terras van een heerlijke salade.
Toch nog ruim drie uur te vroeg kom ik aan bij de veerhaven. Gelukkig is ook daar een terras. Ik kom de tijd door met de ontknoping van de eredivisie (PSV wordt verrassend toch nog kampioen) en de gravelrit in de Giro d’Italia (Wout van Aert wint eindelijk weer eens, iedereen gunt het hem na al zijn blessureleed). Om het te vieren bestel ik een halve liter bier.
Met een laagstaande zon is de boottocht naar Rab fantastisch. Het strijklicht zet de bergen op het vasteland in een zachte gloed, in scherp contrast met de daar nog steeds aanwezige wolken. Boven zee een vrijwel blauwe hemel. Het doet me terugdenken aan mijn leraar aardrijkskunde die daar eens een verklaring voor gaf, daarbij gebruikmakend van de dia’s van zijn eigen vakantie in wat toen nog Joegoslavië heette.
Buiten op het dek is het door de stevige wind toch wel fris. Daarom zit ik de meeste tijd binnen. Tevreden overzie ik de eerste dag. Zo’n eerste dag met zowel een vliegreis als een boottocht is toch wel spannend. Komt mijn fiets wel heelhuids aan? En ben ik wel op tijd voor de boot? Maar alles is gelukkig volgens plan verlopen. En straks op Rab staat er een appartement voor me klaar.
Het is al schemerdonker wanneer de veerboot de haven van Lopar binnenvaart. In het donker is het even zoeken naar appartement Zora, want de locatie op Google Maps wijkt af van de werkelijke locatie. De ontvangst door Zora is hartelijk en ik krijg zelfs een fles bier van haar. In een mengelmoes van Engels, Duits en Russisch maak ik haar duidelijk dat de fiets onder geen beding buiten mag blijven staan. Uiteindelijk belandt die in de gang van het appartement op de eerste verdieping. Ondanks dat ik al sinds vanmiddag niet meer heb gegeten, heb ik geen enkele behoefte om nog weer op zoek te gaan naar een restaurant. Zelfs de laatste van huis meegenomen krentenbol blijft onaangetast in mijn fietstas zitten. Die bewaar ik liever tot morgenochtend.
Maandag 19 mei: Lopar - Povljana (67 km)
Om acht uur zit ik al op de fiets, op weg naar Rab-stad. Het is een afstand van niks, binnen een uur ben ik er al. Omdat de voet-/fietsveer naar Pag pas om twaalf uur vertrekt, moet ik andermaal een paar uren wachten. Die benut ik om de stad te bekijken. Vooral de oude stad is de moeite waard, met een rij gezellige terrasjes aan de haven en daarachter een labyrint van nauwe steegjes. En passant weet ik ook nog ergens een gastankje te bemachtigen. Het kopje koffie ’s morgens bij de tent is daarmee verzekerd.
De mevrouw van het toeristenbureau legt me uit waar de veerboot naar Pag zal vertrekken. Vanwege de stevige wind is het echter nog maar de vraag of die zal varen vandaag. Tegen het middaguur is de wind gelukkig wat gaan liggen. Aan de kade staan ook al twee andere fietsers te wachten. Samen stappen we aan boord. Met ook nog een schipper erbij is de boot daarmee nagenoeg vol. Het is een jong Amerikaans stel dat eveneens op weg is naar Albanië. De plannen zijn echter niet zo vastomlijnd, misschien gaan ze ook wel niet, of misschien pakken ze nog een stuk met het openbaar vervoer. Dat steekt toch schril af bij mijn planmatige aanpak. Maar goed, ik heb dan ook over tien dagen een afspraak met mijn broer Jaap in Albanië.
Pag is totaal anders dan de eilanden die ik tot dusver op deze tocht heb bezocht. Veel minder bosrijk, met zelfs uitgestrekte kale stukken. Het maakt de uitzichten er wel fraaier op. Om de drukke doorgaande weg te vermijden zoekt de route vooral gravelpaden op. De kwaliteit daarvan is soms niet al te best, waardoor ik gedwongen word voortdurend het wegdek in de gaten te houden. Op een gegeven moment zie ik daar zelfs een slang liggen, maar voordat ik bij hem ben is die al in het struikgewas verdwenen. Desondanks is er nog volop de gelegenheid om de omgeving te bewonderen. Vooral het uitzicht op de bergen op het vasteland is geweldig. Ik kan niet ophouden er foto’s van te maken, iedere keer denk ik een nog mooier plaatje te kunnen schieten. Opmerkelijk zijn ook de zoutmeren even voorbij Pag-stad. Ook nu nog wordt daar actief aan zoutwinning gedaan.
Aanvankelijk was het mijn plan om vandaag nog door te fietsen naar Razenac. Gezien het langzame, door de gravelpaden opgelegde tempo, gaat dat echter niet lukken. De camping van Povljana is een goed alternatief. De receptioniste geeft aan dat ze vandaag eigenlijk geen gasten kunnen toelaten, omdat de camping wegens werkzaamheden morgen al om acht uur ontruimd moet zijn. Ik beloof dat ik voor die tijd zal zijn vertrokken. Er staan ook nog twee andere fietsers op de camping, twee mannen uit Nieuw-Zeeland. Zij zijn bezig met de Trans Dinarica Trail en hopen binnen drie dagen al in Mostar te zijn. Wat een tempo. Daarbij zij opgemerkt dat ze de gravelpaden zoveel mogelijk mijden: ‘too lumpy’.
Vlak bij de camping is een restaurant met een terras dat uitziet over zee. De maaltijd is heerlijk en de bediening vriendelijk. Ronduit vertederend is het meisje van zeven dat helpt bij het serveren. Ze is de dochter van de baas en spreekt al een aardig woordje Engels.
Dinsdag 20 mei: Povljana - Bibinje (75 km)
Een paar maanden geleden las ik in de nieuwsbrief van de routemaker dat het kruimelige asfaltweggetje vanaf Povljana opnieuw geasfalteerd zou worden en dat die daardoor tijdelijk niet toegankelijk zou zijn. Gistermiddag heb ik al gezien dat er geen borden van die strekking bij de bewuste afslag staan en dat het eerste stuk reeds van nieuw asfalt is voorzien. Er is dus geen enkele reden om het in de nieuwsbrief geschetste alternatief te volgen. Ook de rest van het weggetje blijkt gereed te zijn. Ik zal de routemaker vanavond melden dat de weg weer berijdbaar is.
Aan het einde daarvan kom ik dan toch weer op de grote weg terecht. Overigens valt het reuze mee met de drukte, al rijden de auto’s er wel snel. Via een brug verlaat ik het eiland Pag weer. Even later duik ik weer een gravelpad in. De kwaliteit van dit gravelpad is wel heel matig, zo erg zelfs dat ik op een steil stukje onderuitga. Gelukkig blijft de schade beperkt tot een paar schrammen en een oppervlakkige schaafwond. Op sommige plaatsen is het pad nauwelijks meer te onderscheiden van de omgeving. Die omgeving bestaat uit een stenige vlakte, spaarzaam begroeid met gras en distels. Op diverse plaatsen zijn hekken van prikkeldraad geplaatst. Daartussen lopen geiten, op zoek naar iets eetbaars. Passanten worden geacht de hekken na gebruik weer te sluiten, om te voorkomen dat de geiten ontsnappen. Mensen zijn in velden noch wegen te bekennen. Ik waan me even alleen op de wereld, samen met die geiten dan. In de verte glinstert de blauwe zee, met daarachter de inmiddels vertrouwde bergen op het vasteland. Wat een rust en wat een schoonheid.
De overgang naar de drukke zone rondom Zadar is haast te groot. Landschappelijk een stuk minder mooi en veel meer op toerisme ingesteld. Ter voorbereiding op het hoogseizoen, dat in juni losbarst, is men op tal van plaatsen bezig met het opknappen van de wegen. Daardoor zijn ze tijdelijk omgetoverd in gravelwegen. Het is het enige dat nog een beetje aan Pag doet denken.
Ruim veertig jaar geleden ben ik ook al eens in Zadar geweest, samen met Nanco, tijdens een liftvakantie door half Europa. In Zadar lieten we ons allebei kort knippen bij een plaatselijke kapper en kochten we vrijwel identieke T-shirts: dat van Nanco blauw-wit gestreept, dat van mij rood-wit. Legendarisch is de foto waarop we met die T-shirts aan op een strandstoel liggen, alsof we twee ontsnapte boeven zijn die hun gevangenispakjes nog aan hebben. Vlak voor mijn vertrek vroeg Nanco of ik in Zadar opnieuw diezelfde kapper zou bezoeken en weer een rood-wit gestreept T-shirt zou aantrekken. Thuis had Irina me al geknipt, maar bij het binnenrijden van Zadar moet ik toch weer aan dat T-shirt denken. Na een paar vergeefse winkelbezoeken geef ik het op. In ruim veertig jaar is de mode behoorlijk veranderd. Gelukkig bestaat er tegenwoordig kunstmatige intelligentie. In een handomdraai verander ik op een eerder deze vakantie genomen foto de kleur van mijn shirt in rood-wit en stuur die naar hem op. Hij is totaal verrast. Ik neem me voor pas vanavond te vertellen hoe de vork in de steel zit.
Net als bij Rab ligt de historische binnenstad hier op een schiereiland. Alleen is deze wel een stuk groter en ook een stuk mooier. Met de fiets aan de hand loop ik wat rond. Vooral de kerk van Sint-Donatus met het daarnaast gelegen Romeinse Forum zijn de moeite waard. Verder veel winkels en terrasjes. Tijdens een bezoek aan één van die terrasjes begint het ineens hard te regenen. Veel bezoekers vluchten naar binnen, terwijl het personeel in allerijl de parasols inklapt en de glazen opruimt. Vijf minuten later is het al weer droog. Alle paniek was dus wat overdreven.
Hoewel er in Zadar zelf ook een camping is, besluit ik nog een kilometer of tien door te fietsen, weg uit de drukte. Bovendien verschaft dat een betere uitgangspositie voor morgen, wanneer er een wat langere etappe gepland staat. Net voorbij Bibinje liggen maar liefst vier campings. Bij de eerste zet ik mijn tent op.
Het is een vrij eenvoudige camping met vooral campers. Naast me staat een wat oudere Duitse man in een tot camper omgebouwd bestelbusje. Woeste baard, bierbuik en een doorrookte stem. Wanneer ik op zoek ben naar een steen om de haringen in de grond te slaan, biedt hij me zijn hamer aan. Hij verdwijnt in de kofferbak van zijn camper en komt na enig gezoek terug met een bijl. De hamer kan hij niet zo snel vinden. Terwijl ik met de botte kant van de bijl de haringen in de grond sla, komt de campingbeheerder langs en kijkt me onderzoekend aan. Wat heeft dit te betekenen? Ik kan wel een hamer van hem krijgen, als ik wil.
Op weg naar de camping ben ik langs de jachthaven van Bibinje gekomen en heb daar een paar restaurants gespot. Aan het begin van de avond loop ik terug en neem in één ervan plaats. Hoewel ik geen uitgesproken vleeseter ben, geniet ik van de diverse soorten gegrild vlees.
Terug op de camping ontdek ik dat daar een strandbar is. Die is echter gesloten. In het schemerdonker kijk ik op een verlaten terras uit op het kabbelende water van de Adriatische Zee. In de verte het geluid van een vliegtuig dat aanstalten maakt om te landen op het vliegveld van Zadar. Op Strava lees ik dat Jaap zijn eerste fietsdag heeft afgesloten in de buurt van Igoumenitsa. Die is nu dus ook onderweg. Hij schrijft dat die zo de tent induikt, nadat die de afgelopen nacht vrijwel niet heeft geslapen vanwege het vroege vertrektijdstip van zijn vliegtuig. Hoewel ik afgelopen nacht wel goed heb geslapen, zal ik dat voorbeeld spoedig volgen.
Woensdag 21 mei: Bibinje - Brodarica (94 km)
Gisteren heb ik het, op een kortstondige bui in Zadar na, aardig droog weten te houden. Wel begon de lucht naarmate de dag vorderde steeds meer betrokken te raken. Gisteren bij aankomst beloofde de campingbeheerder dat vandaag de zon weer zou schijnen. Bij het opstaan is daar echter niets van te merken. Onder een egaal grijs wolkendek ga ik dan ook op pad.
Vandaag verlaat ik de kust en duik voor het eerst het binnenland in. Echte bergen liggen daar nog niet, maar er moet af en toe wel geklommen worden. Het duurt maar even of ik voel de eerste druppels al. Eerst slechts een paar, maar dat worden er al gauw meer. Tijd voor de regenjas. In de stromende regen fiets ik zo een aantal uren door. Het regent zo hard dat op sommige plaatsen de weg blank is komen te staan. Omdat mijn schoenen en sokken toch al nat zijn, rijd ik er dwars doorheen.
Aan het begin van de middag klaart het gelukkig weer wat op. Dan blijkt dat de omgeving toch eigenlijk best de moeite waard is. Door de regen was me dat eerder niet opgevallen. Op een hoogte van enkele honderden meters golft het groene landschap licht op en neer. Veel woeste grond aan weerszijden, met zo nu en dan een stukje landbouwgrond, voornamelijk boom- en wijngaarden. Slechts sporadisch kom ik een dorpje tegen.
Een voordeel van slecht weer is dat je als fietser minder lastiggevallen wordt door honden. Met dit hondenweer blijven die liever in hun hok. De afgelopen dagen was dat wel anders. Overigens dient gezegd dat niet alle honden fietsers lastigvallen. Wat dat betreft zijn er twee typen te onderscheiden. Bij alle honden begint het wel min of hetzelfde. Daarbij lopen ze wat rond op hun erf of zitten daar dromerig voor zich uit te kijken. Totdat zich in de verte een fietser aandient. Dat is het sein om rechtop te gaan staan, de kop in de richting van de fietser te draaien en de oren te spitsen. Wanneer de fietser dichterbij komt doen ze een paar stappen naar voren, vaak gevolgd door een wat aarzelende beweging terug. Dit kan zich een paar maal herhalen. Soms gaat dit gepaard met een licht grommend geluid. Wanneer de fietser nog dichterbij komt, dient de hond een keuze te maken. Ga ik de confrontatie aan of trek ik me terug? In het laatste geval keren ze terug naar hun erf en kijken zo onopvallend mogelijk naar wat er voorbijkomt. In het eerste geval blijven ze staan, beginnen te blaffen en zetten de achtervolging in zodra de fietser passeert (de frontale aanval kiezen ze nooit, die gluiperds). Afhankelijk van de conditie van de hond kunnen ze dat kortere of langere tijd volhouden.
Naarmate ze met meer zijn, neemt de kans toe dat ze de confrontatie aangaan. Behalve het karakter van de hond speelt dus ook de groepsdynamiek een rol. Zo ben ik tijdens eerdere fietstochten wel eens door een hele roedel honden achternagezeten. De hierboven beschreven gedragingen gelden overigens vooral voor erfgebonden honden. Straathonden trekken zich over het algemeen weinig aan van andere weggebruikers.
Ter afsluiting van deze uiteenzetting over hondengedrag kan ik melden dat tijdens deze vakantie honden nog niet naar me hebben gehapt, laat staan gebeten. Ook heb ik ze er nog steeds uit weten te sprinten, mede omdat ik het langer kan volhouden.
Aanvankelijk had ik het idee om naar Skradin te gaan, om daar de beroemde watervallen te bekijken. Vanwege het slechte weer laat ik dat plan echter varen. In plaats daarvan neem ik de rechtstreekse weg naar Šibenik. Niet over het door de routemaker voorgestelde gravelpad – dat zal door de regen waarschijnlijk een modderpoel zijn geworden – maar gewoon over de doorgaande weg. Het is een lange saaie weg, maar omdat die lichtjes naar beneden loopt schiet het wel lekker op. Wat opvalt zijn de vele littekens die het landschap heeft opgelopen vanwege bosbranden in het verleden. Kilometerslang zit ik naar de verkoolde resten van bomen te kijken. Het kan hier dus behoorlijk warm en droog worden. Maar vandaag even niet.
De verkeersdrukte valt nogal mee, alleen de laatste kilometers voor Šibenik zijn erg druk. Maar daar kan ik al vrij snel een rustiger weg nemen. Langs het water wordt me zo een prachtige entree in Šibenik geboden.
Het centrum valt me nogal tegen. Vanwege de regen had ik hier een hotel willen nemen, maar omdat de zon er inmiddels goed doorkomt, besluit ik nog een stukje door te rijden naar een camping. Volgens de campingbaas is het hier de hele dag wel goed weer geweest. Het zal wel, uitspraken over het weer van campingbazen kun je niet altijd serieus nemen. In de behaaglijke warmte van de zon laat ik mijn tent en kleren weer opdrogen.
Brodarica is een op toerisme ingesteld kustplaatsje met diverse campings en restaurants. Omdat het hoogseizoen nog niet is begonnen, is het er nu vrij rustig. Op aanraden van de campingbaas loop ik naar een restaurant met uitzicht op zee. Omdat je daar niet buiten kunt zitten, val ik terug op een eenvoudig restaurant (‘konoba’ in het Kroatisch) iets meer landinwaarts, met uitzicht op de doorgaande weg. Die zee zal ik nog vaak genoeg kunnen zien.
Eenmaal terug op de camping schuif ik aan bij mijn campingburen. Het zijn een Nederlandse onderwijzeres van een jaar of dertig en een iets ouder Frans stel dat hier met de motor is. De onderwijzeres heeft twee maanden verlof genomen en is nu in de camper van haar ouders bezig met een rondreis over de Balkan. Liever had ze dat met een vriend gedaan, maar helaas heeft ze die nog niet. De Fransen hebben elkaar duidelijk al wel gevonden. Omdat ze alleen maar Frans spreken, is de voertaal Frans. Ik heb er moeite mee om het vaatje Franse woorden in mijn brein aan te boren en val daarom regelmatig terug op het Engels en Duits. Zo nu en dan borrelt er zelfs een Russisch woord naar boven. Dat vaatje staat kennelijk in hetzelfde hoekje als het vaatje met Franse woorden, in het hoekje met de wat moeilijker talen. Heel lang duurt het gesprek dan ook niet. Discreet trek ik mij terug, met de opmerking dat ik morgen weer een eind moet fietsen.
Donderdag 22 mei: Brodarica – Potirna (93 km)
Om in Split de veerboot van vier uur naar Korčula te kunnen halen, ben ik van plan vandaag vroeg te vertrekken. De volgende veerboot vertrekt pas morgenochtend, dus door nu alvast over te steken naar Korčula boek ik bijna een dag winst. Split laat ik dan aan mij voorbijgaan, maar afgaande op de verhalen mis ik daar niet zoveel aan. Om half acht rijd ik al de camping af. Onderweg liggen er ruim duizend hoogtemeters op me te wachten, dus het is maar de vraag of het gaat lukken. Het is een optie om de laatste twintig kilometer de trein te pakken, maar dan moet ik al om twee uur in Kaštel Stari zijn. Sowieso is de trein aantrekkelijk, omdat ik daarmee de verkeersdrukte bij Split kan ontlopen.
Vandaag staan de eerste serieuze beklimmingen op het menu. De bergen zijn nog niet erg hoog, maar het gaat voortdurend op en neer. Evenals gisteren ook nu veel groen en weinig blijk van menselijke activiteit. De weinige dorpjes onderweg liggen er haveloos bij. Langs de weg staat ergens een waarschuwingsbord voor wilde zwijnen. Kom daar maar eens om in Nederland. Zelfs borden die waarschuwen voor wolven zijn daar nog niet gesignaleerd, in tegenstelling tot de wolven zelf. Ook opmerkelijk zijn de muurschilderingen die herinneren aan de burgeroorlog van ruim dertig jaar geleden. Die heb ik de afgelopen dagen wel vaker gezien. In dit gebied is er kennelijk behoorlijk gevochten. Op sommige plekken liggen zelfs nog mijnenvelden.
Na de laatste beklimming doemt in de diepte ineens de Adriatische Zee weer voor me op, met links in de verte de stad Split. Met dit prachtige panorama is het gebrek aan uitzichten onderweg in één klap gecompenseerd. Met een gelukzalig gevoel begin ik aan de afdaling, mede in de wetenschap dat ik ruim op tijd ben om de veerboot te halen.
Om één uur ben ik al in Kastel Stari. Ik besluit daarom maar door te fietsen. Ik ben dan waarschijnlijk sneller bij de haven dan wanneer ik eerst op de trein ga zitten wachten. Vanwege diverse opgebroken wegen gaat het minder snel dan gedacht, maar om halfdrie ben ik in het centrum van Split. Op mijn telefoon reserveer ik een ticket voor de veerboot en zie daar tot mijn verrassing dat die al om drie uur vertrekt. Weg is mijn voornemen om hier op een terrasje rustig een lunch te gebruiken. Snel koop ik wat eten en drinken bij een supermarkt en rijd naar de kade, waar de veerboot naar Korčula al klaarligt.
De boot doet er drie uren over, bijna twee keer zo lang als het vliegtuig van Eindhoven naar Rijeka. Lang genoeg om wat broodjes en een hele zak met nootjes op te eten, bier te drinken en mijn dagboek bij te werken. Om bij de camping te komen moet ik eerst nog bijna tweehonderd meter klimmen. Dat valt niet mee. Overigens is camping een groot woord. Eigenlijk is het een olijfboomgaard, waar je in de zomermaanden kunt kamperen. Wel is er een toiletgebouw, toch het minimum dat je kunt verwachten van een camping. Voor de rest is er niets. Ook het nabijgelegen restaurant is nog gesloten, maar gelukkig heb ik ook geen trek.
Vrijdag 23 mei: Potirna - Orebić (55 km)
Korčula is een mooi groen eiland met veel olijfbomen. Afgelopen nacht heeft mijn tent zelfs onder een olijfboom gestaan. Bovendien schijnt het de meeste zonuren te hebben van Kroatië. Daar is overigens vandaag weinig van te merken. Onderweg krijg ik zelfs te maken met een paar stevige regenbuien.
Vooralsnog is van de omringende zee weinig te zien. Het is alsof ik in een berglandschap rijd, dat net zo goed ergens in het binnenland zou kunnen liggen. Goed beschouwd zijn de meeste eilanden voor de Dalmatische kust gewoon bergen, een voortzetting van het berglandschap op het vasteland. Met dit verschil dat de eilandbergen met hun voeten in het water staan. Slechts af en toe is achter een zee van groen het water van de Adriatische Zee zichtbaar, zich nauwelijks onderscheidend van de donkere lucht daarboven.
Pas tijdens de afdaling naar Korčula-stad wordt het uitzicht panoramisch. Het is het stereotype plaatje van Kroatië: een blauwe zee met verderop enkele andere eilanden en zelfs een stukje vasteland. In totaal telt Kroatië 1244 eilanden (inclusief rotsen en kliffen), waarvan er 78 zijn bewoond. Van die 78 heb ik er tot nu toe slechts vier bezocht.
Korčula-stad is de trekpleister van het eiland. Het is hier dan ook redelijk druk. Na een foto van de op een schiereiland gelegen oude centrum rijd ik meteen door naar de haven, om daar de veerboot te nemen naar Pelješac, het volgende eiland.
Aanvankelijk wilde ik dat eiland vandaag ook nog oversteken. Wanneer ik voet aan wal zet in Orebić houd ik het echter voor gezien. Gezien het weer en de vele hoogtemeters die al op mijn Garmin staan is het genoeg geweest voor vandaag. Bovendien heb ik ook wel weer eens behoefte aan wat vertier ’s avonds. En vooral dan aan een goed restaurant, want daar heeft het de laatste dagen wel aan ontbroken. In Orebić zijn verschillende campings en ook aan restaurants is geen gebrek. Ik kies de eerste camping die ik tegenkom en daarmee het dichtst bij het centrum ligt.
De camping is nieuw en pas sinds enkele weken open. De mobile homes en het nieuwe toiletgebouw staan er al, maar er moeten nog allerlei klusjes afgemaakt worden voordat volgende maand het hoogseizoen begint. Ik ben zeer vereerd om hier als één van de eerste gasten te mogen verblijven. In die hoedanigheid mag ik me verheugen in een buitengewone belangstelling van de campingbaas. Hij vertelde me één en ander over de historie van dit stuk grond en over de Amerikaanse eigenaar van veel van de grond naast hem. Behalve als grootgrondbezitter heeft die zich ook gemanifesteerd als weldoener, vanwege investeringen in allerlei voorzieningen waar ook de lokale bevolking van heeft kunnen profiteren.
’s Avonds loop ik terug naar het centrum en neem daar plaats op het terras van één van de restaurants aan de waterkant. Met een fantastisch uitzicht over de Adriatische Zee geniet ik van een heerlijke maaltijd.
Zaterdag 24 mei: Orebić - Metković (57 km)
Onder een helderblauwe hemel verlaat ik de camping weer. De kortste weg naar Trpanj, waar om twaalf uur de veerboot naar het vasteland vertrekt, gaat over een vrij drukke weg. Daar waar die weg de kust verlaat, rijd ik verder langs de kust over een smalle weg met weinig verkeer. De uitzichten over de strakblauwe zee zijn hier fabelachtig, vooral op plaatsen waar de weg wat hoger op de berghelling ligt. Na het gravelpad op Pag is dit tot nu toe de mooiste weg waarop ik tijdens deze fietstocht heb gereden.
Na een kilometer of tien kom ik door een dorpje. De weg wordt daar nog smaller en op een gegeven moment kan ik zelfs niet verder. Iemand is daar aan het klussen en heeft zijn gereedschap breeduit op straat gelegd, als was het zijn eigen erf. In zekere zin is dat ook zo, want de man vertelt me dat de weg verderop doodloopt. Om aan de andere zijde van het dorp te komen verwijst hij me naar een afslag even terug. Die andere weg voert me helemaal naar beneden en eindigt aan een kleine baai midden in het dorp. De enige manier om hier weer weg te komen is via een grindpad van enkele honderden meters lang dat steil omhoogloopt. Eigenlijk is het meer een onregelmatige trap, waarbij om de paar meter een soort richel ligt die de overgang naar de volgende trede markeert. Er zit niets anders op dan hier omhoog te klauteren en mijn fiets bij elke richel op te tillen. Voor een wandelaar al een hele opgave, voor een fietser met bagage totaal ongeschikt. Met een stuk of tien adempauzes weet ik uiteindelijk toch boven te komen. Behalve mijn beenspieren worden ook de rest van mijn spieren aardig op de proef gesteld. Bij het laatste stukje zijn er een paar mensen zo vriendelijk mij een handje te helpen. Eén van hen zegt dat ik beter bovenlangs had kunnen gaan, daar loopt namelijk ook pad. Ik realiseer me dat die klusjesman dat waarschijnlijk ook bedoeld heeft, maar dat ik de verkeerde afslag heb genomen.
Wat nu volgt is een gravelpad van zeer bedenkelijke kwaliteit, met vuistdikke losliggende stenen. Hier ben ik genoodzaakt hele stukken te lopen, omdat ik anders dreig te vallen. Het uitzicht is prachtig, maar het moet niet te lang duren. Gelukkig duurt het ook niet lang, na een paar kilometer wordt het gravel weer ingeruild voor asfalt.
Via een tunnel verlaat ik uiteindelijk de kustweg en begin aan de oversteek naar de andere kant van het eiland. Voordat ik bij die andere kant ben, moet ik echter eerst nog een bergrug over. Daarna begint een lange afdaling met tal van haarspeldbochten. Daarnet bij het beklimmen van die trap vroeg ik me ernstig af of dat allemaal wel de moeite waard was. Nu ik op een mooie asfaltweg weer in ziedende vaart naar beneden suis, is het antwoord volmondig ‘ja’. Zeker met de ook hier weer geweldige uitzichten. In de verte kun je de haven van Ploće op het vasteland zelfs al zien liggen. Daar zal de veerboot vanuit Trpanj straks gaan aanleggen.
Vanuit Ploće trek ik via de delta van de Neretva het binnenland in. De vele kanaaltjes en geulen worden gebruikt voor de irrigatie van het vlakke gebied. Vlak fietsen is me echter niet gegund. De route zoekt de naast gelegen heuvels op, waardoor ik vanuit de hoogte een mooi zicht heb op dit toch bijzondere landbouwgebied.
In Metković heb ik eerder vandaag een hotelkamer gereserveerd. Omdat Kroatië tot de Europese Unie behoort en Bosnië (nog) niet, heb ik er in verband met valuta en internet voor gekozen een hotel vlak voor de grens te nemen. Iets verderop in Dračevo had anders ook wel gekund.
Metković is anders dan de meeste andere plaatsen in Kroatië die ik tot dusver heb bezocht. Toeristen kom je er niet tegen en ook een gezellige historische binnenstad ontbreekt. De stad doet eerder denken aan hoe steden er in het voormalige Oostblok uitzagen — en er voor een deel dus nog steeds uit kunnen zien. Rechttoe rechtaan, zonder opsmuk en zonder zichtbare invloed van welke welstandscommissie dan ook. Het hotel ligt in wat je het centrum zou kunnen noemen, afgaande op de aanwezigheid van restaurants en winkels.
In een winkel vlakbij doe ik wat boodschappen en aan het begin van de avond loop ik naar een restaurant iets verderop. Via een trap kun je er komen. Het is er gezellig druk, met uitsluitend lokale gasten. Onder het genot van een drankje en een hapje hebben we vanuit het restaurant goed zicht op het naastgelegen voetbalveld. Het is alsof je in een skybox van een voetbalstadion zit. Alleen jammer dat er vanavond geen wedstrijd gespeeld wordt.
Zondag 25 mei: Metković - Dubrovnik (114 km)
Na een paar kilometer passeer ik al de grens. Het doet me denken aan vroeger, toen je bij elke grensovergang twee keer je paspoort moest laten zien. Bij zowel de Kroatische als Bosnische douane kan er geen lachje vanaf. Ook dat is heel herkenbaar van vroeger.
Vroeger liep er een trein van Mostar naar Dubrovnik. Het voormalige spoortracé wordt tegenwoordig gebruikt als fietsroute, beter bekend onder de naam Ciro. Vandaag zal ik grotendeels die fietsroute volgen. Tijdens de voorbereiding op deze fietsvakantie was dit één van de stukken waar ik me in het bijzonder op heb verheugd.
Even voorbij Dračevo begint die al. Welgemoed verlaat ik de asfaltweg langs het meer. Over de berghelling loopt het gravelpad geleidelijk omhoog. Na een kilometer wordt het pad slechter en wanneer dat niet verbetert besluit ik weer terug te gaan. Dit zal waarschijnlijk nog tientallen kilometers zo doorgaan. Bovendien wordt het uitzicht nogal beperkt door de vele bomen. En voor zover er al sprake is van enig uitzicht, dan heb ik toch geen gelegenheid daarvan te genieten, omdat het wegdek de volle aandacht opeist. Die uitzichten zijn er op de asfaltweg langs het meer wel. Mede vanwege de zondagochtend is er weinig verkeer. Onbegrijpelijk eigenlijk dat de voorkeur van de routemaker uitgaat naar dat gravelpad. Daar waar het gravelpad de hoogtemeters geleidelijk verteert, krijg ik ze aan het einde van het meer in één keer voor mijn kiezen. Ruim acht kilometer lang met een gemiddeld stijgingspercentage van zeven procent.
Na de afdaling zit ik weer op de officiële Ciro-route, die vanaf hier alleen nog maar over asfalt loopt. Mensen kom ik nauwelijks tegen, slangen des te meer. De meeste liggen dood op de weg, nadat ze zijn aangereden door een auto. Maar er zijn ook veel levende slangen. De meeste trekken zich haastig terug in het struikgewas wanneer ze mij zien aankomen. Eén slang lukt dat echter niet. Omdat ik die ook niet tijdig opmerk, rijd ik er pardoes overheen. Gelukkig overleeft de slang het en ik zelf ook. Al die slangen maken we me wel extra voorzichtig bij het uitkiezen van plekken voor een fotostop of plaspauze.
Het grootste deel van de route loopt halverwege een berghelling aan de westkant van het Popovadal. Het levert prachtige uitzichten op over dat dal en de bergen aan de overkant. De plaatsen die ik tegen tegenkom, gehuchten eigenlijk, zijn op de vingers van één hand te tellen. Bij één ervan, Ravno, neem ik een koffiepauze.
In de oorlog van de jaren negentig is hier flink gevochten, getuige de restanten van tal van bunkers. En ook hier weer mijnenvelden, gelukkig goed afgeschermd. Aan de diverse cyrillische opschriften is af te lezen dat dit gedeelte van Bosnië deels Servisch is.
Bij de grens terug naar Kroatië herhaalt zich het ritueel van vanochtend. Ook nu tref ik nors kijkende en zwijgzame douaniers. Kennelijk hoort dat bij deze beroepsgroep. Met de Ciro-route is het nu wel gedaan. Tussen het steeds drukker wordende autoverkeer daal ik af naar Dubrovnik.
Omdat het vandaag een lange fietsdag is geweest, besluit ik om morgen een rustdag te houden. Ik kan dan op mijn gemak het centrum bekijken. Vanavond blijf ik op de camping en kook voor het eerst deze vakantie mijn eigen potje. Het smaakt me niet erg lekker, misschien was dit ook wel de laatste keer.
Maandag 26 mei: Rustdag Dubrovnik
De camping ligt op een schiereiland op vijf kilometer van het centrum. In dezelfde wijk liggen diverse hotels en resorts. Toeristen kom je hier dan ook overal tegen. De camping is zo groot, dat het vermoeden bestaat dat het oorspronkelijk meerdere campings zijn geweest die naderhand zijn samengevoegd. Er lopen zelfs openbare wegen over het terrein.
Zoals gebruikelijk op rustdagen, begin ik de dag met een uitgebreid ontbijt. Daarna stop ik zowat al mijn kleding in een wasmachine, vooral om ze weer fris te laten ruiken. Na een week begint het namelijk aardig te stinken, ondanks de dagelijkse handwasjes. Nadat ik het wasgoed te drogen heb gehangen, wordt het tijd om naar het centrum te gaan.
Bij de bushalte staat het al het zwart van de mensen. De eerste twee bussen moet ik aan me voorbij laten gaan. Ook de derde is vol, maar desondanks lukt het daar naar binnen te komen. Staand in het gangpad, als haringen in een ton, rijden we zo naar het centrum.
Nog nooit was ik Dubrovnik, die veelgeroemde parel aan de Dalmatische kust. Daarom heb ik die stad met rood omcirkelt op mijn lijstje voor deze fietstocht. Eens in je leven moet je daar toch geweest zijn. Wanneer de verwachtingen hoog gespannen zijn, ligt de teleurstelling op de loer. Zo vergaat het mij nu ook. Natuurlijk is het een prachtige stad, met een mooi ommuurd historische centrum, een iconisch fort en een pittoreske haven. Maar dat is het dan ook wel. Bovendien is het niet erg groot. In twee uur tijd heb ik het meeste wel gezien, inclusief het labyrint van kleine steegjes waar het merendeel van de toeristen niet komt. Daarbij zij opgemerkt dat ik geen kerken of musea bezoek en ook de wandeling over de stadsmuur (voor ‘slechts’ veertig euro!) aan me voorbij laat gaan. Het hoogtepunt is wel mijn bezoek aan een terrasje tegenover de haven, op enige afstand van het gedrang van de toeristen.
Halverwege de middag rijd ik met de bus weer terug naar de camping. Deze keer kan ik gewoon zitten. Bij het terugkijken van de foto’s valt me iets bijzonders op. Wie is toch die rood omcirkelde man, waar zelfs vanuit de kosmos naar wordt gewezen? Het is ogenschijnlijk een mens, want hij kijkt op zijn telefoon. Tegelijkertijd heeft hij iets goddelijks. Een nieuwe Messias? Of op zijn minst iets buitenaards, via een lichtstraal neergelaten uit een UFO, die met enige fantasie ook zichtbaar is.
Dinsdag 27 mei: Dubrovnik - Stoliv (65 km)
Om de drukke kustweg te vermijden, neem ik vanuit Dubrovnik eerst de veerboot naar Cavtat. Gisteren heb ik al uitgezocht waar die zal vertrekken. Omdat de boot pas om tien uur afvaart, loop ik eerst nog wat rond in het centrum. Het is er een stuk rustiger dan gistermiddag. Op de plaats waar ik gisteren die mysterieuze man heb gezien staat nu alleen maar een fiets, die enige gelijkenis vertoont met die van mij.
Het is een betrekkelijke kleine boot. Voordat ik mijn fiets kan inladen moet eerst de bagage eraf. De tent laat ik echter onder de snelbinders zitten. Omdat in het passagiersgedeelte geen plaats meer is, legt de schipper de fiets op de voorplecht. Daarbij glijdt de tent half onder de snelbinders vandaan. Omdat die nog onder de fiets ligt, maak ik me vooralsnog geen zorgen dat die misschien onder de reling door in het water zal vallen. Maar straks bij het uitladen moeten we wel oppassen dat dat alsnog niet gebeurt. Uiteraard gaat het allemaal wel goed.
Bij aankomst in Cavtat bel ik eerst Irina op. Die is vandaag namelijk jarig. Het is de eerste keer sinds ik haar ken dat ik niet thuis ben met haar verjaardag. Voor deze keer heb ik echter dispensatie gekregen, onder andere vanwege de klimatologisch omstandigheden op de Balkan. Begin mei kan het nog aardig nat en koud zijn (vooral in de bergen), terwijl het vanaf juni al behoorlijk heet kan worden.
Vanaf Cavtat rijd ik over rustige wegen verder naar het zuiden. Het is het meest zuidelijke stuk van Kroatië, dat steeds smaller wordt naarmate je dichter bij de grens met Montenegro komt. Toch duurt het nog lang voordat ik die grens bereikt heb.
Na het passeren van de douane ontvouwt zich het klassieke beeld van Montenegro. Een azuurblauwe baai met daarachter reusachtige bergen. Bij mij schijnt nog de zon, maar boven de bergen hangen donkere wolken, waaruit soms de bliksem naar beneden schiet. Ik ga ervan uit dat het aan de kust wel droog zal blijven. Bij de eerste stad die ik aandoe komt het water echter met bakken uit de hemel. Gelukkig zijn er genoeg terrasjes waar ik kan schuilen. Het regent zo hard dat het personeel voortdurend in de weer is het opgehoopte water op de luifels weer weg te laten lopen.
De kustzone blijkt enorm toeristisch. Pas na de oversteek naar de andere kant van de baai wordt het rustiger en zo mogelijk nog mooier. Hier vind ik een kleine camping, met louter vriendelijke mensen. Iedereen is kennelijk in een uitstekend humeur vanwege de prachtige plek die ze gevonden hebben. Naast mij staan twee andere fietsers, een jonge vrouw uit Wales en een vrouw van middelbare leeftijd uit Duitsland. Beide zijn thuis begonnen en zijn net als ik ook door Kroatië gekomen. Zij reden echter via de Eurovelo 8 en zijn daar niet zo over te spreken. Vaak over drukke wegen of juist over slechte gravelpaden. Dan heeft deze pensionado uit Nederland het toch beter getroffen, want dat soort wegen is me op een enkele uitzondering na bespaard gebleven.
Woensdag 28 mei: Stoliv - Virpazar (91 km)
Vanaf Kotor begin ik aan een beklimming van meer dan duizend meter hoog. Na elke haarspeldbocht is de baai van Kotor weer verder in de diepte weggezakt en wordt het uitzicht spectaculairder. Deze beklimming met dit uitzicht was één van mijn drijfveren om aan deze fietstocht te beginnen. Mijn toch al hoge verwachtingen worden zelfs overtroffen.
Op de berg rijden verschillende andere fietsers, ieder in zijn eigen tempo. Sommigen zie ik zelfs meerdere malen, omdat ze net als ik regelmatig even stoppen voor een foto. Daaronder een jongen uit Zuid-Korea, die al zeven maanden onderweg is. Samen drinken we een glas cola op een terrasje met een prachtig uitzicht. Ook Zuid-Koreanen blijken uitroepen als ‘wauw’ te gebruiken om hun bewondering te laten blijken. Hij is begonnen in Nieuw-Zeeland en is daarna via Australië naar Zuidoost-Azië getrokken. De Himalaya heeft hij echter niet gezien. Hooguit dan vanuit het vliegtuig, want vanuit Thailand is hij naar Barcelona gevlogen. Albanië wordt zijn eindbestemming, al vreest die daar wel de honden.
Het hoogste punt ligt op maar liefst veertienhonderd meter. Ik neem echter de tunnel, die vierhonderd meter lager ligt. Bovendien is dat acht kilometer korter. Vanavond zal ik Jaap ontmoeten in Virpazar en daarom wil ik daar bijtijds aankomen. Na de tunnel lijkt het alsof ik in een ander Montenegro ben aangekomen. Veel landelijker en totaal niet op toerisme ingesteld. Wat echter blijft dat zijn de bergen en de mooie uitzichten.
Omdat ik na de lange klim wel trek heb gekregen, wil ik in een dorp wat eten. Daarom stop ik bij een winkeltje met daarvoor enkele uitnodigende tafels. Aan één ervan zit een wat oudere man, die de winkelier blijkt te zijn. Russisch is de enige taal die we allebei (een beetje) kunnen spreken. Nadat ik bij hem een stuk kaas heb gekocht, wil ik aan één van de tafels gaan eten. Dat is echter geenszins de bedoeling, dit is geen restaurant! Nadat ik heb gezegd dat ik dan wel op het muurtje naast de weg zal gaan zitten, gaat hij echter overstag.
Logischerwijs volgt er na een lange klim ook een lange afdaling. Deels gaat dat weer over een gravelpad, maar dat mag hem de pret niet drukken. Aan het einde daarvan is het nog vijfentwintig kilometers tot Virpazar. Van Jaap krijg ik een bericht dat hij daar zojuist is aangekomen. En of ik het nog ga halen vandaag. Eventueel kan hij nog wel iets verder fietsen, maar liever niet natuurlijk. Hoewel ik er enigszins doorheen zit, zet ik door. Alles wat ik vandaag nog fiets hoeft immers morgen niet meer. Die laatste vijfentwintig kilometers verlopen via een prachtig weggetje langs het meer van Shkodër. Naarmate ik verder kom worden de uitzichten steeds fraaier. En door die fantastische uitzichten verdwijnt ook mijn vermoeidheid als sneeuw voor de zon.
Aan de rand van Virpazar staat Jaap mij al op te wachten. Voordat ik hem de hand kan schudden moet ik echter eerst nog een drukke weg oversteken. In de vijf minuten dat ik daar sta te wachten, zie ik meer auto’s langskomen dan gedurende de rest van de dag. Samen rijden we naar de camping aan de andere kant van het dorp. Daar drinken we een fles bier op onze ontmoeting en delen onze ervaringen van de afgelopen week, voor zover we dat al niet via Strava en Whatsapp hebben gedaan.
Virpazar is niet groot, maar heeft een gezellig centrum. In één van de daar aanwezige restaurants gebruiken we de avondmaaltijd. Wanneer we in het pikkedonker weer terugrijden, kunnen we de camping in eerste instantie niet vinden. We denken zelfs even dat we er al aan voorbij gereden zijn, zolang duurt het voor we de ingang zien. Als we er eindelijk zijn, blijkt de poort te zijn gesloten. Geen beweging in te krijgen. Na een telefoontje met de campingbeheerder blijkt het een schuifdeur te zijn, die met een lichte duw te openen is.
Donderdag 29 mei: Virpazar - Shkodër (56 km)
Gisteren is Jaap vanaf een camping bij Shkodër naar Virpazar gereden. Naar zijn zeggen was dat één van zijn mooiste fietsritten, met prachtige uitzichten over het meer. Dat belooft veel goeds voor vandaag, wanneer we hetzelfde traject in omgekeerde richting gaan rijden. Helaas is het in tegenstelling tot gisteren zwaar bewolkt. Het is dus maar de vraag of het zonder zon net zo mooi zal zijn. We zijn amper onderweg, of de eerste druppels vallen al naar beneden. De rest van de dag zal het regenachtig blijven.
Ondanks het mindere weer genieten we wel van de omgeving. Boven het meer vloeien water, lucht en bergen in diverse grijstinten in elkaar over. In het water silhouetten van eilanden, iets verderop laaghangende wolken die deels het zicht op de achterliggende bergen ontnemen. Alleen het frisse groen naast de weg geeft de wereld nog wat kleur.
Op aanraden van de campingbaas is Jaap gisteren via een deels onverharde kustweg de grens overgestoken. Dat ging niet zonder moeite, omdat ze daar bezig zijn de weg te asfalteren. Daarom lijkt het ons beter vandaag maar de gewone weg te volgen, ook al is die een stuk langer en gaat die over waarschijnlijk drukkere wegen. Tijdens de lunch vraag ik Jaap of hij ook een stempel heeft gekregen van de Montenegrijnse douane, als bewijs dat hij op reguliere wijze het land is binnengekomen. Die heb ik een paar dagen geleden namelijk wel gehad. Niet dus. Om het zekere voor het onzekere te nemen, besluiten we daarom toch maar weer via die kustweg te gaan. Gisteren is Jaap er langsgekomen, vandaag zal het daarom toch ook wel lukken.
Tot vlak bij de grens kunnen we een asfaltweg blijven volgen. De uitzichten zijn nog onveranderd mooi. Bij de grens doemt echter een enorme berg puin voor ons op. Helemaal verrassend is dat niet, want gisteren lag die er ook al. Met veel moeite duwen we onze fietsen lopend omhoog. Een man in een graafmachine is zo vriendelijk zijn werkzaamheden te staken en ons te laten passeren. Vijftig meter verderop blijven we echter vertwijfeld staan. Een paar grote keien versperren de weg en daarachter gaapt een gat van minstens twee meter diep. We kijken om naar de graafmachine, waarop de man gebaart dat hij wel een handje zal komen helpen. We stappen opzij om hem ruim baan te geven. Met een paar ferme halen schuift hij de keien het gat in en effent zo voor ons het pad. Wat een buitengewoon welkom in Albanië!
Naar Shkodër is het daarna niet ver meer. Albanië blijkt een land met grote tegenstellingen. Op diverse plaatsen wordt er gewerkt aan de weg of op bouwplaatsen. Een gebied volop in ontwikkeling. Daarnet bij de grens kregen we daar al een voorproefje van. Bij het binnenrijden van Shkodër komen we door een armoedige wijk, waar kinderen je met grote ogen nakijken.
Vanwege de regen hebben we een appartement geboekt in het centrum. Het is een ruim appartement met twee slaapkamers, een badkamer en een woonkamer annex keuken. En dat voor slechts €35! Vanaf vijfhoog kijken we uit over de stad. Van een coherente stedenbouwkundige visie is hier geen sprake: oud naast nieuw, groot naast klein en een kakofonie aan bouwstijlen. Maar dat heeft toch ook wel weer zijn charmes.
Het uitgaansleven speelt zich een paar honderd meter verderop af. Voordat we een restaurant binnenstappen, lopen we er eerst wat rond. Eigenlijk bestaat dat uitgaanscentrum uit slechts één lange straat. Het is daar echter wel gezellig en het ziet er bovendien leuk uit.
Vrijdag 30 mei: Shkodër - Koman (48 km)
Het boek ‘De herberg met het hoefijzer’ van Arthur den Doolaard speelt zich af in Shkodër (in het boek heeft dat nog de Italiaanse naam Scutari) en het berggebied ten oosten daarvan. Het gebied dus waar wij vandaag doorheen zullen fietsen.
De eerste vijftien kilometer verlopen nog redelijk vlak. Vlak voordat de bergen beginnen nemen we een koffiepauze. Als toegift worden we getrakteerd op een schaaltje met enigszins op frambozen lijkende vruchten. Op onze vraag hoe deze vruchten heten, begint de barkeeper uit te leggen hoe we verder moeten rijden. Gelukkig biedt Google Translate uitkomst. Het zijn moerbeien. Wanneer het schaaltje leeg is, brengt de barkeeper ons nog een schaaltje. We mogen zelfs een zakje meenemen voor onderweg. Daar bedanken we echter voor, waarschijnlijk zal dat binnen de kortste keren veranderd zijn in een papperige confiture.
Via het dal van de Drin rijden we steeds dieper de bergen in. De dorpjes worden schaarser en de wegen slechter, hoewel ze ook hier op diverse plaatsen bezig zijn die te verbeteren. Het is erg rustig op de weg, waardoor we volop van de prachtige omgeving kunnen genieten. Onderweg rijden we een tandem achterop, met daarop een Amerikaans stel. Vanwege onze frequente fotostops gebeurt dat zelfs een paar keer. Ze zijn al twee jaar onderweg, maar zijn wat vaag over hun verdere reisplannen. Ze zien eruit als hippies, schijnbaar verdwaald in de tijd en misschien ook wel in de ruimte. Op een gegeven moment zien we een schildpad de weg oversteken. Jaap ontfermt zich over het beest en zet het voorzichtig neer in de berm. Als dank begint het beest te pissen, met een straal waar een volwassen man nog jaloers op zou zijn. Zijn broek en sokken zitten eronder. Dat wordt vanavond goed uitspoelen.
Bij Koman houdt de weg op. De enige mogelijkheid om verder te reizen is per boot. Daarvoor zullen we echter nog tot morgenochtend moeten wachten. Dat was ingecalculeerd en daarom hebben we vanmorgen al een appartement geboekt. Onderweg word ik door de verhuurder via Whatsapp bestookt met vragen, met name dan over de avondmaaltijd. Nogal storend als je aan het fietsen bent. Het appartement ligt een eindje van de weg af. We hebben dan ook moeite het te vinden. Pas na telefonisch contact met de verhuurder lukt het ons het te vinden.
Vanuit het appartement hebben we een prachtig uitzicht over de rivier. Aan het begin van de avond wordt buiten op het terras de avondmaaltijd geserveerd. Op het menu staat vis.
Zaterdag 31 mei: Koman - Dakovica (53 km)
Hoewel de boot pas om negen uur vertrekt, worden we geacht er al veertig minuten eerder te zijn. Om kwart voor acht vertrekken we van het appartement, ruim op tijd om de vier kilometer tot aan de aanlegplaats te overbruggen. Die ligt net voorbij de stuwdam iets ten noorden van Koman. Het betekent dat we bij de stuwdam nog een steile beklimming voor de wielen krijgen. Dat valt nog niet mee op de vroege ochtend.
Bij aankomst wordt ons duidelijk waarom we er al zo vroeg moeten zijn. Voor de kade staat een rij auto’s, die zelfs tot in de even daarvoor gelegen tunnel reikt. Nog in de tunnel staan mensen om de kaartjes te controleren. Omdat mijn telefoon daar geen internetbereik heeft, lukt het niet ze op mijn scherm tevoorschijn te laten komen. De man gebaart dan maar door te rijden. Het is al ruim na negen uur wanneer iedereen aan boord is en de boot kan vertrekken. De boot zit dan ook stampvol. Het doet me denken aan het liedje van Drs. P., waarin hij op een gegeven moment uitroept: “De boot is vol! Toe nou mensen, ga nou van die boot af!”.
De tocht over het langgerekte stuwmeer duurt maar liefst twee-en-half uur. Samen met veel motorrijders zitten we buiten op het bovendek. Door de harde wind is het wel fris, waardoor een windjack geen overbodige luxe is. Aan de reling staan de mensen zich te verdringen om foto’s te maken. De uitzichten vanaf de boot zijn ronduit spectaculair, vooral op plaatsen waar het dal zich verengt tot een smalle kloof. Het laatste halfuur zitten we binnen op het benedendek. Daar zit onder andere een groep kinderen, die we al de gehele reis hebben horen zingen. Ook hier is het vol, maar wel lekker warm.
We zijn blij dat we bij Fierzë weer van de boot af kunnen. Daar drinken we eerst een kop koffie op een terras. Pas nadat de laatste auto’s zijn vertrokken stappen we op de fiets. Via de een zijrivier van de Drin gaat het geleidelijk verder omhoog. Ook hier schieten superlatieven tekort. Wat een bergen en wat een vergezichten.
Via een bescheiden col passeren we de grens met Kosovo. Daarna is het landschap veel opener. Bergen zijn er nog wel, maar die hebben zich teruggetrokken tot aan de horizon. Naarmate we dichter bij Dakovica komen wordt de weg steeds drukker. In het centrum van die stad hebben we een appartement geboekt. Ook hier kunnen we het appartement niet meteen vinden. Nog terwijl ik met hem aan het bellen ben, komt de verhuurder er aangelopen. Het is de eigenaar van de verfwinkel aan de overkant van de straat. Het appartement ligt er direct naast.
Ook dit is weer een luxe appartement. Zo’n luxe hebben we nog niet eerder gehad, en dat in een land dat je het totaal niet verwacht. Vanuit onze ‘loft’ hebben we uitzicht op het stadsverkeer, waaronder patserige BMW’s en sjofele tractoren. Kosovo blijkt net als Albanië een land vol tegenstellingen.
Nadat we ons geïnstalleerd hebben, nodigt de verhuurder ons uit in zijn verfwinkel voor een biertje. Er komt even later zelfs nog een vriend bij. Tussendoor helpt hij af en toe een klant. Hoewel hij aangeeft al heel lang geen Engels te hebben gesproken, gaat het hem redelijk af. Openhartig is hij ook. Hij vertelt over zijn kinderen en dat hij tijdje geleden is gescheiden. Om die reden eigenlijk heeft hij het appartement gekocht, zodat die daar zelf kan wonen. Maar soms verhuurt hij het dus, zoals nu. Het gaat hem financieel kennelijk voor de wind, getuige ook de BMW waarvan hij de trotse bezitter is.
Voor het avondeten maken we eerst een wandeling door het centrum. Opvallend is dat veel winkels hun koopwaar op de stoep hebben uitgestald, als ware het een braderie. Ook bijzonder zijn de lage huisjes die nog stammen uit de Ottomaanse tijd, geheel opgetrokken uit natuursteen en hout. Tegenwoordig worden veel van die huisjes door de plaatselijke middenstand gebruikt als café of winkel.
Zondag 1 juni: Dakovica - Kukës (68 km)
Ondanks dat Kosovo geen onderdeel uitmaakt van de eurozone (en zelfs niet van de Europese Unie), is de euro er wel de officiële munt. De afgelopen dagen hebben we vaak contant moeten afrekenen in euro’s, waardoor we nu vrijwel platzak zijn. We hebben zelfs geen geld meer voor koffie op het terras. Daarom loopt Jaap eerst naar een geldautomaat, maar in het zonlicht is het scherm niet goed afleesbaar. Achter hem zegt een man in het Engels dat het apparaat defect is. Hij biedt aan voor ons de koffie te betalen. Hij blijkt ook Nederlands te spreken en heeft zelfs een Nederlands paspoort. Ruim dertig jaar geleden is hij naar Nederland verhuisd voor werk. Daar heeft hij bij verschillende farmaceutische bedrijven gewerkt, waaronder Janssen & Janssen in Leiden. Hij is nu even terug in Kosovo om bij de tandarts vijf implantaten te laten zetten. Dat is hier namelijk stukken goedkoper dan in Nederland. De croissant die ik zojuist bij de bakker heb gehaald (betaald met Albanese lek, dat kan dus ook gewoon) weigert hij beleefd, omdat hij nog te veel pijn heeft in zijn kaken. Hij heeft hele verhalen, van de geschiedenis van Kosovo (Ottomaanse vernielingen en de verbondenheid met Albanië) tot het integratiebeleid in Nederland (buitenlanders moeten zich gewoon aanpassen en de volgende keer stemt hij gewoon weer Wilders). Wanneer de koffie op is, bedanken we de man hartelijk en stappen op de fiets.
Ons verblijf in Kosovo is van korte duur geweest, want na tien kilometer zijn we alweer terug bij de grens met Albanië. Daar hebben we dan wel ruim een uur over gedaan, want ook deze grens ligt op een col. Het betekent dat we ook weer terug zijn in de bergen. De route op onze Garmin geeft aan dat we via een gravelpad kunnen afdalen naar Kukës, maar gezien de slechte kwaliteit daarvan nemen we toch maar de doorgaande weg. Niets is frustrerender dan dat je na een lange beklimming voortdurend remmend weer naar beneden moet. Dan is zo’n soepele asfaltweg toch veel prettiger. Overal in Albanië zie je koeien en paarden op of vlak naast de weg lopen. Zo ook tijdens deze afdaling. Samen met hen genieten we van het uitzicht.
Kukës is een drukke en niet bijster interessante stad. Omdat ons morgen een zware bergrit wacht, stelt Jaap voor nog een eind door te rijden. Alle hoogtemeters die we er vandaag nog bij doen, gaan er immers morgen weer vanaf. Gezien de warmte geef ik er echter de voorkeur aan even voorbij Kukës een camping op te zoeken.
Het kost ons enige moeite die te vinden, omdat de camping een stuk van de weg afligt. Bordjes ontbreken, waardoor we ernstig beginnen te twijfelen of we wel goed rijden. Aan het einde van een gravelpad rijden we het erf van een hotel op. Een man vraagt of we voor een kamer komen. Als we zeggen dat we op zoek zijn naar een camping, wijst hij naar de strook gras naast het erf. Het biedt net genoeg ruimte aan een handvol kleine tenten. Die van mij past er maar net op. Nadat we ons hebben geïnstalleerd, drinken we op het terras een fles bier. We genieten van het uitzicht over het meer en de bergen daarachter. Op de grasvlakte ervoor lopen een paar koeien vredig te grazen.
Na het avondeten raken we aan de praat met een Israëlisch stel. Ze hebben al gedacht dat we uit Nederland komen, want we hebben dezelfde harde ‘g’ als zij. Ik mag even hun laptop gebruiken om de kaart van Albanië van de Garmin van Jaap naar die van mij te kopiëren. Sinds ik Albanië ben binnengekomen, zie ik alleen maar de lijn van de route op mijn scherm, dus zonder wegen en grondgebruik. Omdat we met zijn tweeën zijn, gaat dat tot nu toe wel goed, maar toch wil ik wat meer van de omgeving zien. Helaas mislukt de poging.
Maandag 2 juni: Kukës - Debar (58 km)
Vandaag wordt het een zware dag. Er staan verschillende cols op het menu, waarvan één van twaalfhonderd meter. Bovendien zal het net als gisteren weer behoorlijk warm worden.
Via dezelfde weg als waarlangs we gekomen zijn, rijden we weer terug naar de doorgaande weg. Daar kopen we bij een café genoeg flessen water om de eerste uren door te komen. Welgemoed beginnen we aan de eerste klim. Op papier goed te doen, negen kilometer met een gemiddeld stijgingspercentage van zes procent. Helaas blijkt de werkelijkheid anders. De beklimming verloopt namelijk nogal ongelijkmatig. Regelmatig krijgen we stukken van meer dan tien procent voor de kiezen, soms zelfs oplopend tot vijftien procent. Dat kost de nodige inspanning en zweetdruppels, maar behoudens enkele fotostops rijden we toch in één keer naar boven.
Bij de volgende col, die van twaalfhonderd meter, is het van hetzelfde laken een pak. Deze keer moeten we echter vaker dan ons lief is een adempauze inlassen, vooral om wat af te koelen, want de temperatuur is intussen aardig opgelopen. Dit is niet te doen. Tijdens één van die adempauzes houden we een busje staande, met de vraag of we tot de top mee kunnen rijden. Dat kan, we kunnen zelfs meerijden tot Peshkopi als we dat willen, veertig kilometer en een paar cols verderop. Daar stemmen we vrijwel onmiddellijk mee in. Met moeite krijgen we de fietsen naar binnen, die van Jaap achter in de bagageruimte en die van mij voor de bank waar ik zelf op zit. Daardoor ben ik gedwongen me een kwartslag te draaien, onderwijl de fiets op zijn plaats houdend. Comfortabel is anders, maar alles beter dan in de warmte die steile berg over te moeten fietsen.
Naast de chauffeur zit een andere man, waarmee ik vergeefs tracht een gesprek aan te knoppen. Ik krijg nog wel mee dat de sneeuwtoppen aan onze linkerhand de hoogste bergen van Albanië markeren. Met ware doodsverachting loodst de chauffeur de bus over de bergen, met grote snelheid en regelmatig met één hand aan het stuur. Van handsfree bellen heeft hij kennelijk nog nooit gehoord. Gaandeweg blijkt dat dit een reguliere busverbinding is, want af en toe stappen er mensen in of uit.
Wij stappen uit in het centrum van Peshkopi. Ook weer zo’n levendig stadje, maar wel een stuk leuker dan Kukës. Vanaf hier is het nog vijfentwintig kilometer tot Debar in Noord-Macedonië. Bij de grens staat een file, maar als fietsers voelen we ons vrij om voor te dringen. Met een stempel in ons paspoort melden we ons even later in het volgende land op onze reis over de Balkan.
Bij Debar zetten we onze tent op aan de oever van een meer, op een plaats die is aangeduid als camping maar het niet blijkt te zijn. Er staan alleen een paar verlaten caravans. In plaats van een douche nemen we een duik in het water. Bij het naastgelegen restaurant kunnen gebruik maken van het toilet. Daar kunnen we ook terecht voor het avondeten.
We hebben al even geslapen wanneer iemand naast onze tent in het Engels vraagt waar we vandaan komen. Jaap maakt duidelijk dat we aan het slapen zijn en verzoekt hem weg te gaan. Gelukkig blijft het daarbij, maar het zorgt er wel voor dat ik daarna nog uren wakker blijf liggen. Ik ben alweer bijna ingedommeld, wanneer er een hond begint te blaffen. Het is net alsof hij pal naast mijn tent staat. Het duurt niet lang of een andere hond iets verder weg beantwoordt het geblaf. Wat natuurlijk weer een reactie van de eerste hond uitlokt. En zo gaat het nog wel een tijdje heen en weer. Vrij kamperen, het is niks voor mij.
Dinsdag 3 juni: Debar - Ljubaništa (94 km)
Het is hier aan de oever van het meer een waar vogelparadijs. Gistermiddag heeft mijn app Merlin Bird in korte tijd maar liefst zestien verschillende soorten gedetecteerd, waaronder de bijeneter, de draaihals, de kleine karekiet en de oostelijke vale spotvogel. Tijdens het ontbijt bij het nog gesloten restaurant worden we opnieuw getrakteerd op een vogelconcert. Daaronder de wielewaal, een schuwe bosvogel die je zelden ziet. Tijdens deze fietstocht hebben we zijn kenmerkende roep haast iedere dag wel gehoord. Gezien heb ik hem echter nog nooit. Tot vandaag dan. In de bomen boven ons zitten er twee tegen elkaar op te zingen. Plotseling zien we ze samen als zwart-gele flitsen wegvliegen, een hoogtepunt in mijn nog prille carrière als vogelaar. Ook Jaap lijkt aangestoken door het vogelaarsvirus. De rest van de dag zit hij met het lied van de wielewaal in zijn hoofd. En niet alleen in zijn hoofd, af en toe wordt dat ook luid gezongen, waardoor het lied zich tevens in mijn hoofd nestelt.
Kom mee naar buiten allemaal
Dan zoeken wij de wiele-wielewaal
En horen wij die muzikant
Dan is zomer weer in 't land
Dudeljo-o klinkt zijn lied
Dudeljo-o klinkt zijn lied
Dudeljo en anders niet
Een tijdlang volgen we de westelijke oever van het meer. Naarmate we verder komen wordt het meer steeds smaller en geleidelijk vloeit het zo over in de rivier die het voedt. Op een enkele glooiing na is het vrijwel vlak, waardoor het lekker opschiet.
Bij Struga bereiken we het beroemde meer van Ohrid. Daar is het een stuk drukker. In het centrum struikel je dan ook haast over de souvenirwinkels en andere voor toeristen aantrekkelijke zaken. Zelf zijn we ook souvenirjagers. Bij Jaap zijn dat vlaggetjes van de landen waar hij is geweest en bij mij magneetjes voor op de koelkast. Voor dat doel wisselen we een klein bedrag aan Albanese leks in voor Macedonische denars. Niet al te veel, want later vandaag zullen we waarschijnlijk alweer in Albanië zijn. Wanneer ik bij zo’n souvenirwinkel die denars wil aanbreken, dringt de verkoper erop aan met de leks te betalen die hij ook in mijn portemonnee ziet zitten. Daar ga ik uiteraard niet in mee.
Iets verderop ligt het stadje Ohrid. Het is er mogelijk nog drukker dan in Struga. Ook voor veel Nederlanders is dit een geliefde bestemming, mede dankzij het boek ‘De bruiloft der zeven zigeuners’ van Arthur den Doolaard, dat zich hier afspeelt. In 2006 is er zelfs een monument voor de schrijver opgericht. Daar komen we pas later achter; achteraf blijkt dat we er vlak langs zijn gereden en het haast gezien moeten hebben. Ook voorbij Ohrid blijft het aan de oever van het meer nog kilometerslang toeristisch, met overal hotels en appartementsgebouwen.
Gaandeweg wordt het echter rustiger en groener. Er dienen zich zelfs alweer enkele heuvels aan. Aan de zuidkant van het meer zoeken we de camping op, waarvan we de bordjes al een tijdje langs de kant van weg hebben zien staan. Die blijkt nog net aan Macedonische kant van de grens te liggen. Bij de camping kunnen we alleen betalen in denars. Omdat we daar niet genoeg van hebben, spreken we af het morgenochtend te doen. Vanavond zoeken we dan wel een geldautomaat op. Ver hoeven we niet te zoeken, want in de kampwinkel kunnen we wel met een bankkaart betalen en zelfs extra geld pinnen. Dat geld houden we voorlopig in onze zak, want we moeten vanavond ook nog ergens eten. In tegenstelling tot de zogenaamde camping van gisteren is dit wel een normale camping. Ook dit keer echter nemen we in plaats van een douche een duik in het meer. Heerlijk!
Voor het restaurant moeten we weer een stukje fietsen, want dat ligt een paar kilometer verderop. Het is een idyllisch plekje aan het water, waar we de zon langzaam achter de bergen zien wegzakken. Nu alleen nog hopen dat we straks genoeg geld hebben om de maaltijd te betalen, anders wordt het waarschijnlijk afwassen. Gelukkig accepteren ze onze bankkaart.
Woensdag 4 juni: Ljubaništa - Helmës (74 km)
Fietsen zie je nauwelijks in Albanië, auto’s des te meer. Men heeft zelfs lange tijd een afkeer gehad van fietsen, want onder het strenge socialistische regime was de fiets het enige toegestane privébezit. Gelukkig is het tij aan het keren, waardoor fietsers zoals wij tegenwoordig alom op bewondering en waardering kunnen rekenen.
Vandaag rijden we lange tijd op een redelijk drukke weg. De auto’s zoeven ons met grote snelheid voorbij, waaronder diverse vrachtauto’s. Gelukkig is er genoeg ruimte aan de zijkant van weg, maar leuk is anders. Evenals in de rest van Albanië is ook hier de veelheid aan benzinepompen en autowasserettes (‘lavash’) opvallend. Voor de auto wordt hier goed gezorgd.
In Maliq nemen we een korte pauze op een terrasje langs de weg. Hoewel de deur van het café wijd open staat, is er binnen niemand te bekennen. Daarom loop ik na enige tijd naar de kiosk vijftig meter verderop voor cola en wat broodjes. Net wanneer ik wil betalen, komt er een man langs die vraagt of ik cola wil. Ik wijs op de twee blikjes voor me en schud van nee. Ik ben al voorzien. Terug op het terras vertelt Jaap dat er net een man is langs geweest om de bestelling op te nemen. Ik trek mijn blikje cola open en antwoord dat die bestelling inmiddels is geannuleerd.
Na Korçë wordt het rustiger op de weg. Ook wordt de omgeving weer bergachtiger en groener. Na twee relatief vlakke dagen (vandaag meegeteld), betekent dat we weer even flink aan de bak moeten. Op een verkeersbord wordt gewaarschuwd voor beren. Dat is toch wat anders dan een bord met een wild zwijn erop. Gelukkig blijft het bij deze waarschuwing en vinden we verder geen beren op onze weg.
We hebben ons oog laten vallen op een agriturismo. Het ligt midden in de natuur, ver weg van de stank en het lawaai van de auto’s waar we eerder vandaag mee te maken hadden. De eigenaar laat ons hoogstpersoonlijk de verschillende appartementen zien. We kiezen voor de grootste, met twee kamers. ’s Avonds wordt er een heerlijke maaltijd voor ons bereid.
Donderdag 5 juni: Helmës - Petran (98 km)
Al vroeg melden we ons in het restaurant voor het ontbijt. Gisteravond hebben we begrepen dat dat vanaf halfacht geserveerd wordt. Er loopt wel wat personeel rond (waarschijnlijk familieleden van de eigenaar, die zelf nog niet aanwezig is), maar vooralsnog wordt alleen de plunjezak van een schaapherder rijkelijk gevuld met eten. Het is zoveel dat we ons afvragen of de schapen daar soms ook van moeten eten. Tegen acht uur vraag ik voorzichtig of we soms te vroeg zijn voor het ontbijt. Er wordt heftig van nee geschud en niet veel later komt men aanlopen met koffie en broodjes.
Na de mindere dag van gisteren krijgen we vandaag weer prachtige berglandschappen voorgeschoteld. En dit keer weer over rustige wegen, waar we meer vee tegenkomen dan auto’s. Onder andere paarden, koeien, geiten en schapen. En tijdens de beklimmingen ook veel vliegen.
De afgelopen dagen hebben we op een hoogte van om en nabij de duizend meter doorgebracht. Bij Leskovik dalen we af naar het dal van de Vjosa, zeshonderd meter lager. Daar is het meteen een stuk warmer, een graad of dertig. Met een lichte rugwind rijden we door het brede dal. Omdat het ook licht naar beneden loopt, kunnen we een aardige snelheid ontwikkelen. Voor het eerst eigenlijk deze fietstocht, afgezien van de afdalingen dan. Dat is ook wel eens lekker. Wanneer het dal zich versmalt, zoekt de weg noodgedwongen toch weer de berghelling aan de zijkant op. Vanuit de hoogte hebben we een prachtig uitzicht over het dal en de bergen aan de overkant.
Andermaal vinden we een prima hotelkamer. Deze is wel wat eenvoudiger dan we onderhand gewend zijn, maar voor kampeerders nog altijd luxe. Met uitzicht op de bruisende rivier trekken we op het balkon een koud flesje bier open. Dat gaat er goed in na een lange warme fietsdag.
Vrijdag 6 juni: Petran - Gjirokastër (67 km)
Als Nederlanders zijn we niet gewend driedimensionaal te denken. Als wij van A naar B willen, volgen we bij voorkeur een zo recht mogelijke weg daar naartoe. Daarom lijkt de route die we vandaag hebben gevolgd op een enorme omweg. Toch is het de kortste verbinding naar Gjirokastër.
Het eerste deel gaat net als gisteren over een rustige weg door het dal van de Vjosa in noordwestelijke richting. Veertig kilometer lang gaat het geleidelijk naar beneden, slechts af en toe onderbroken door een kort klimmetje. Het fietsen kost ons dan ook weinig moeite. Dat is maar goed ook, want we hebben het wel zo’n een beetje gehad met al dat klimmen. We zijn duidelijk bezig met de laatste loodjes en beginnen naar het einde te verlangen.
Het tweede deel is aanzienlijk drukker en loopt in tegenovergestelde richting, maar dan aan de andere kant van de bergrug waar we omheen gefietst zijn. Door het dal van de Drino, een zijrivier van de Vjosa, gaat het nu geleidelijk weer omhoog. Tien kilometer voor Gjirokastër staat bij een afslag dat het nog veertig kilometer is naar Sarandë. Als we even doorfietsen, dan zouden we daar vandaag nog kunnen komen. Vanwege de warmte zien we daar echter toch maar vanaf. Bovendien zal er dan weer substantieel geklommen moeten worden.
In Gjirokastër nemen we eerst een kijkje bij de camping aan de rand van de stad. Die is vooral gericht op campers, voor tenten is slechts een klein strookje gras beschikbaar. Bovendien is het geraas van de weg niet ver weg. We boeken daarom een appartement in de oude binnenstad. Om er te komen moeten we via een loeisteil weggetje omhoog. Het is er zo steil (naar schatting meer dan twintig procent), dat fietsen niet meer lukt. Na telefonisch contact met de verhuurster loopt Jaap nog een eindje verder om in een winkel de sleutel op te halen. Ik blijf bij de fietsen wachten en raak aan de praat met een paar mannen die daar op de stoep een biertje zitten te drinken.
De binnenstad van Gjirokastër is erg toeristisch, met onder andere een kasteel en een bazaar. Die bazaar bestaat uit een paar straatjes vol met souvenirwinkels en restaurants. Tussen de uitpuilende terrasjes wringen we ons door de mensenmassa heen, tot we onvermijdelijk zelf ook op een terrasje terechtkomen. ’s Avonds is het nog lang onrustig buiten, waardoor ik me genoodzaakt zie mijn oordopjes weer eens in te doen.
Zaterdag 7 juni: Gjirokastër – Agios Ioannis (71 km)
Na Gjirokastër volgen we nog twintig kilometer het dal van de Drino. Het is een stuk rustiger dan gisteren ten noorden van Gjirokastër. We naderen dan ook de grens met Griekenland. De nabijheid daarvan is ook te merken aan het toenemend aantal tweetalige plaatsnaamborden. Het zal echter nog wel even duren voordat we in Griekenland zijn. Vlak voor de grens slaat de route namelijk af naar het westen. Dat betekent ook dat we het dal verlaten en weer moeten klimmen. Het zal één van de laatste beklimmingen zijn van deze fietstocht. Het is een mooie gelijkmatig klim, met milde stijgingspercentages. De eerste kilometers hebben we een mooi uitzicht op het dal waarlangs we gekomen zijn.
Halverwege de afdaling stoppen we bij een bijzondere toeristische attractie, genaamd ‘the blue eye’. Dat is een waterbron met prachtig helderblauw water. Het ligt een eindje van de weg af. De meeste bezoekers moeten er vanaf de parkeerplaats naar toe lopen. Gelukkig mogen wij met de fiets naar binnen.
Het laatste stuk is weer redelijk vlak en landschappelijk ook minder interessant. Bovendien wordt de warmte steeds meer een beperkende factor. We zijn dan ook blij dat we in Sarandë op de veerboot kunnen stappen naar Corfu. Tot ziens Albanië en tot ziens Balkan!
Na aankomst in de haven van Kerkira gaan we eerst op zoek naar respectievelijk een vlaggetje en een magneetje. Beiden slagen we in onze missie. Daarna zetten we koers naar het reeds dit voorjaar geboekte appartement in Agios Ioannis, een tiental kilometers landinwaarts. In afwachting van onze terugreis overmorgen zullen we daar twee nachten verblijven. Van de eigenaar hebben we twee routes ontvangen: de ene over een vlakke, maar drukke weg, de andere over rustige weggetjes door de heuvels. We verkiezen de vlakke variant, maar omdat het GPX-bestand niet goed is, wordt het ongewild toch de route door de heuvels. Er zitten een paar venijnige hellingen tussen over deels onverharde wegen. Dat valt nog niet mee na die paar biertjes op de boot.
Bij het appartement worden we verwelkomd door Henk, de eigenaar. Nadat die ons de kamer heeft laten zien, geeft hij nog wat tips over waar we morgen zouden kunnen fietsen. Met afwerende gebaren maken we hem duidelijk dat we onze fietsen voorlopig niet meer zullen aanraken.
Zondag 8 juni: Rustdag Corfu
Het kost ons totaal geen moeite om vast te houden aan ons voornemen niet meer te gaan fietsen. Alleen bij het schoonspoelen en inpakken raken we ze even aan. Dat inpakken gaat bij mij overigens niet gemakkelijk, want van twee te kleine dozen moet ik één passende doos zien te maken. Wat dat betreft valt de door Henk geleverde service nogal tegen. Bij Jaap gaat het beter, omdat hij de doos die hij hier bij aankomst vanuit Nederland heeft meegebracht weer kan gebruiken.
Voor de rest doen we het rustig aan vandaag. ’s Morgens loop ik even naar de supermarkt voor het ontbijt, ’s middags haalt Jaap er een paar flessen koud bier. Bij het zwembad lees ik het boek ‘De scherprechter van Corfu’ van Tim Krabbé, dat we van Henk hebben geleend. Henk zelf heeft dat uitgegeven en speelt onder een andere naam zelfs nog een rol in het boek. Het gaat over een afrekening uit het verleden op weg naar de hoogste berg van Corfu.
‘s Avonds eten we net als gisteren bij Costas Taverna aan het dorpsplein. Dat wordt gerund door een wat ouder echtpaar, waarvan we de man nauwelijks te zien krijgen omdat die in de keuken werkt. De vrouw bedient in haar eentje het redelijk volle terras, maar heeft desondanks voor iedereen tijd voor een praatje. Mede daardoor vergeet ze ons zelfs helemaal de rekening te brengen. Het draagt alleen maar bij aan de gezellige en ongedwongen sfeer.
Maandag 9 juni: Terug naar huis
Om zeven uur al staat de pick-uptruck voor de deur die ons naar het vliegveld zal brengen. De chauffeur helpt ons om de fietsen en bagage in de achterbak te laden. Nadat we Henk een hand hebben gegeven stappen we in.
Op het vliegveld verloopt het inchecken van de fietsen zonder problemen en op het geplande tijdstip stijgt het vliegtuig op. Vanachter het raam doemen na de scherprechter van Corfu alweer de bergen van Albanië op. Wat later zijn ook de eilanden voor de Dalmatische kust goed te zien. Vanaf de Alpen is het echter gedaan met de pret en is alleen nog maar een egaal wit wolkendek zichtbaar. Vergeefs tuur ik naar het kruis dat ik hier ergens op de heenweg heb gezien.