Fietstocht naar Rome
Fietstocht naar Rome
Van Ardennen naar Vogezen
0. Maastricht
1. Montenau
2. Wasserbillig
3. Saarbrücken
4. Dossenheim
Van Zwarte Woud naar Alpen
5. Steinach
6. Pfohren
7. Kreuzlingen
8. Vaduz
9. Splügen
10. Domaso (rustdag)
Van Povlakte naar Apennijnen
11. Lecco
12. Iseo
13. Mantova
14. Modena
15. Porretta Terme
Van Toscane naar Rome
16. Fiano
17. Casciano
18. Arcidosso
19. Montefiascone
20. Rome
Donderdag 8 juni: Maastricht - Montenau (98 km)
Ruim op tijd meld ik bij het station voor de trein van 8:57 naar Maastricht. Het fietskaartje heb ik thuis al gekocht en op mijn telefoon geladen. Om tien voor negen rolt de trein het station binnen. Op het moment dat ik aanstalten maak om mijn fiets in het fietscompartiment te zetten, attendeert een NS-beambte me erop dat ik pas na negen uur de fiets kan meenemen. Ik sputter nog tegen dat het slechts om een paar minuten gaat, maar ze is onvermurwbaar. Er zit niets anders op dan te wachten op de volgende trein.
Anderhalf uur later stap ik uit op het station van Maastricht. Daar ook begint de route van Benjaminse naar Rome. Vroeger heb ik delen van die route ook al eens gereden, maar dat is al bijna dertig jaar geleden. Tijd om het nog eens over te doen. In tegenstelling tot de vorige keer, toen ik tot het Comomeer ben gekomen, ben ik dit keer van plan helemaal tot Rome door te fietsen. Tot aan de Bodensee zal ik echter een iets andere route volgen, niet via de Elzas en Basel, maar langs de Saar en door het Zwarte Woud. Die route is de laatste loot aan het steeds uitgebreider wordende fietsnetwerk van Benjaminse.
Het eerste stuk gaat door de Limburgse heuvels, voor mij bekend terrein. Hoe vaak ben ik nu al die Bemelerberg op gefietst? Een persoonlijk record op Strava zit er uiteraard niet in met al die bagage, maar daar gaat het ook niet om. De namen van de dorpjes nodigen uit tot het maken van zinnen, zoals ‘Sibbe heeft een IJzeren Scheulder’ en ‘Ingber knoopt zijn Gulpen in Mechelen’.
Na een korte pauze bij de grenspaal net voorbij Epen duik ik België in. Te oordelen naar de plaatsnamen volgen de taalzones elkaar hier in hoog tempo op. In de Voerstreek is het nog Vlaams (Sippenaeken), maar al snel wordt dat ingewisseld voor het Frans (Plombières) en even verderop alweer het Duits (Kelmis). Om de verwarring compleet te maken zijn diverse plaatsnamen ook nog eens meertalig aangegeven. Zo wordt Plombieres ook wel aangeduid als Bleiberg, beide verwijzend naar de winning van looderts in het verleden (‘plomb’ is het Franse woord voor lood, in het Duits is dat ‘Blei’). Een tijdlang volg ik een fietspad door de bossen. Het is pas geasfalteerd en op sommige plaatsen zijn ze nog bezig met de afrondende werkzaamheden. Ik kan er nog net langs, al moet ik een keer diep de berm in. Halverwege ligt het ter plaatse wereldberoemde spoorwegviaduct van Moresnet. De trein die daar nog dagelijks overheen rijdt verbindt de Voerstreek met de stad Aachen.
Voorbij Raeren begint de eerste wat langere beklimming naar het Lac d’Eupen. Te midden van vrijwel verlaten naaldbossen win ik geleidelijk aan hoogte. Alleen bij de stuwdam bevindt zich een handjevol mensen, genietend van de rust en het uitzicht. Na het passeren van de weg Eupen – Monschau wordt het zo mogelijk nog rustiger, helemaal wanneer het asfalt overgaat in gravel. Dit zijn de beroemde Hoge Venen, een relatief ongerept natuurgebied op nog geen dag rijden vanuit Nederland. ’s Winters een geliefd langlaufgebied voor wintersporters, ’s zomers het domein van natuurliefhebbers en verstokte langeafstandsfietsers, die niet schromen zich met meer dan twintig kilo bagage via steile gravelpaden naar boven te worstelen. Ondanks de inspanning geniet ik volop van de omgeving, met afwisselend bossen, hoogveen en zo nu en dan een kabbelend beekje. En nergens een mens te bekennen, heerlijk. Vlak voor het hoogste punt op ruim zeshonderd meter zijg ik amechtig neer in de berm, onderwijl het met zonnebrand vermengde zweet uit mijn ogen wrijvend. Lang blijf ik echter niet zitten, want de steekvliegen krijgen me al snel in het vizier.
Bij Sourbrodt keer ik weer terug in de bewoonde wereld. Op een terrasje overweeg ik om ergens in de buurt een camping op te zoeken. Het loop al tegen vijven en tot de beoogde camping voor vandaag is het nog ruim twintig kilometer. Toch besluit ik door te rijden, enerzijds om niet al op de eerste dag concessies te doen aan mijn vooraf opgestelde etappeschema, maar vooral omdat vanaf hier de weg verder lichtjes naar beneden zal gaan, over de zogenaamde Vennbahn. Dat is een fietspad over een voormalige spoorlijn, dat loopt van Aachen naar Troisvierges in Luxemburg. Voor het eerst vandaag kan ik gedurende langere tijd flink snelheid maken.
De camping ligt aan de Vennbahn, al moet ik er nog wel even vanaf om bij de ingang te komen. Nadat ik me geïnstalleerd heb, schuif ik aan in het campingrestaurant voor een warme maaltijd en een glas bier. Tevreden overzie ik de eerste dag. De kop is eraf, na maanden van voorpret is mijn fietsvakantie dan eindelijk begonnen. De komende drie weken zal elke dag me weer door andere streken voeren en nieuwe dingen doen beleven. Ik kan niet wachten tot het weer morgen wordt.
Vrijdag 9 juni: Montenau - Wasserbillig (118 km)
Na het verlaten van de camping vervolg ik mijn weg over de Vennbahn. In tegenstelling tot gisteren is het landschap meer open, wat af en toe prachtige plaatjes oplevert. Het is hier nog behoorlijk hoog, ruim vierhonderd meter. Vanaf een soort spoordijk kijk ik uit over de omgeving. Tien meter lager liggen opvallend veel plassen en poelen, waaruit regelmatig het gekwaak van kikkers opklinkt. Naast één van die plassen staat een zwarte ooievaar met oranje snavel en oranje poten. Die heb ik nog niet eerder gezien in mijn leven, ik wist niet eens dat ze bestonden.
Na Sankt Vith wordt de Vennbahn ingewisseld voor een soortgelijk fietspad, dat naar de Duitse Eifel voert. Deze voormalige spoorlijn zal ik ruim vijftig kilometer blijven volgen. Vorig jaar heb ik dit stuk ook al eens gereden, maar dan, komend vanuit Luxemburg, in omgekeerde richting. Veel zie ik niet onderweg, behalve honderdduizenden bomen. Het gaat wat op en neer, maar toch vooral neer. Na de zware dag van gisteren is het een welkome afwisseling.
Het hoogteprofiel van de route van vandaag suggereert dat het tot aan het dal van de Sure geleidelijk naar beneden zal blijven lopen. Per saldo doet het dat ook wel, maar regelmatig wordt dat hinderlijk onderbroken door venijnige klimmetjes. Gevoegd bij de oplopende temperatuur maakt dat de rit toch wel slopend.
De laatste twintig kilometer gaan langs de Sure, op de grens van Duitsland en Luxemburg. Hier is het nagenoeg vlak. Mijn tent zet ik op in Wasserbillig, aan de Luxemburgse zijde van de rivier. Na Nederland, België en Duitsland kan ik nu dus ook Luxemburg aan het lijstje met bezochte landen toevoegen. Vanaf de camping is het maar even lopen naar het centrum. Dat stelt niet veel voor, maar desondanks is er wel enige keuze voor wat betreft het te bezoeken restaurant.
Zaterdag 10 juni: Wasserbillig - Saarbrücken (98 km)
Bij Wasserbillig mondt de Sure uit in de Moezel. De veerpont naar de overkant van de Moezel blijkt in het weekend pas vanaf elf uur te varen, zodat ik gedwongen wordt eerst de Sure weer over te steken om vervolgens aan deze kant van de Moezel verder te fietsen. Het levert slechts een kleine omweg op, want vlak voor Trier ligt een spoorbrug waar je ook met de fiets over kan. Daar ook verruil ik de Moezel voor de Saar. De rest van de dag zal ik langs de Saar blijven fietsen, meestentijds op (deels onverharde) fietspaden. Het levert prachtige plaatjes op, met als pareltjes het pittoreske Saarburg en de Saarschleife, een megameander die als een reusachtige haarspeldbocht in de rivier ligt.
Na Merzig wordt het landschappelijk minder interessant. De heuvels worden lager en de bossen maken steeds vaker plaats voor landbouwgrond en stedelijke bebouwing. Het maakt het wel wat eentonig. De belangrijkste gebeurtenissen zijn dan ook het regelmatig oversteken van de ene oever naar de andere en weer terug. In de stedelijke zone rond Saarlouis en Saarbrücken kan ik nog steeds het fietspad naast de rivier blijven volgen, maar het geraas van het verkeer is daar nooit ver weg. Vanwege de warmte houd ik het al vroeg voor gezien en strijk neer op een kanocamping vlak voor Saarbrücken.
De camping ligt er nogal haveloos bij. Er staat een mix van trekkers (met camper, fiets of kano) en vaste standplaatshouders. Die laatste categorie is nagenoeg afwezig, alleen hun eveneens haveloze caravans herinneren eraan dat ze ooit weer eens terug zullen komen. Voor de kanoërs en fietsers is een apart veldje beschikbaar. Vanwege de felle zon mag ik bij wijze van uitzondering mijn tent opzetten in de schaduw van een boom naast één van de verlaten caravans. Omdat het nog vroeg is en het met die hitte niet aantrekkelijk is om nog naar het centrum te gaan, breng ik noodgedwongen veel tijd door op de camping. Geen probleem, ik kan het zo eindelijk eens wat rustig aan doen, de gravel van mijn fiets spuiten en boodschappen doen. Vanavond zal ik voor het eerst deze vakantie zelf gaan koken.
De vrouw die de camping beheert is al wat ouder en moeizaam ter been. Op Google Maps staan talrijke negatieve recensies over haar, als dat ze nors en onvriendelijk zou zijn. Mijn ervaring is echter geheel tegenovergesteld. Zoals zoveel Duitsers houdt ze van orde en regelmaat, een eigenschap waar – indien te ver doorgedreven – niet iedereen even goed tegen kan. Aan de andere kant blijkt ze echter wel degelijk empathisch en flexibel te kunnen zijn. Zo gaf ze me vanmiddag een voorkeursbehandeling bij het toewijzen van een kampeerplek. En vanavond is ze bereid me nog een fles gekoeld bier te verkopen, ondanks dat de receptie annex bar al gesloten is. Als er één ding is waar ik gevoelig voor ben na een dag fietsen in de warmte, dan is het dat wel.
Zondag 11 juni: Saarbrücken - Dossenheim (84 km)
Nog voor achten verlaat ik de camping weer. Behoudens een paar andere fietsers is de camping dan nog in diepe rust. Zelfs de beheerster is nergens te bekennen. Volgens Google Maps moet ik eerst weer een kilometer terug naar het punt waar ik gisteren de rivier ben overgestoken. Wanneer ik even later aan de overkant van de rivier weer voorbij de camping kom, blijkt dat ik ook daar de brug had kunnen nemen, zij het dat ik dan via een soort wenteltrap naar het fietspad had moeten afdalen. Maakt niet uit, vandaag wordt het andermaal een gemakkelijk dag, slechts tachtig kilometer en weer een heel stuk langs de Saar.
Bij het passeren van Saarbrücken begrijp ik waarom voor de naam van die stad de meervoudsvorm wordt gebruikt. Het duurt nog een hele tijd voor ik de stedelijke zone en daarmee de laatste stedelijke brug achter me heb gelaten. Gaandeweg wordt het daarna steeds mooier, vooral na het passeren van de grens met Frankrijk. Aan weerszijden van de rivier verschijnen beboste heuvels en in het parallel lopende kanaal komt zo nu en dan een plezierjacht voorbij. Bij één van de vele sluisjes kijk ik toe hoe een schip de sluis passeert. Sluiswachters zijn er tegenwoordig niet meer, de schipper (of iemand anders aan boord van schip) moet de sluis zelf bedienen. Ze doen het rustig aan, varen op zo’n jacht lijkt me de ultieme onthaasting. Alleen geraak je er niet mee tot in Rome, tenzij je de zeeroute neemt.
Na het verlaten van het jaagpad langs het kanaal en daarmee het dal van de Saar kom ik in een licht golvend gebied terecht. Dit is de aanloop naar de Vogezen. Die zijn hier nog niet zo hoog, dus veel hoef ik niet te klimmen. Het is er prachtig, met veel groen en weinig mensen. Ondanks het nog vroege tijdstip stop ik bij de camping van Dossenheim, net aan de andere kant van de heuvelrug. Straatsburg ligt nog vijfenveertig kilometer verderop, net iets te ver voor vandaag, in aanmerking nemende dat het voor de tweede dag op rij tegen de dertig graden is.
Het is een netjes onderhouden familiecamping met ruime schaduwrijke plaatsen. Dat is nog eens wat anders dan een haveloze kanocamping. In deze tijd van het jaar is het nog niet erg druk, maar desondanks zit het terras bij het campingrestaurant ’s avonds aardig vol. Vandaag staat er voor mij een pizza op het menu. Naast me zit een Nederlands camperechtpaar. Ze vertellen uitvoerig over hun zoon die ook aan fietsvakanties doet, maar bij wie het met veel stress gepaard gaat. Naar mijn smaak iets te langdradig en met iets teveel detail, vooral van die man dan. Vroeger dan ik van plan was reken ik af en verlaat het terras.
Maandag 12 juni: Dossenheim - Steinach (100 km)
De slagboom is nog gesloten wanneer ik de camping verlaat. Gelukkig kan ik er samen met mijn fiets nog net onderdoor kruipen. Het eerst stuk loopt nog iets naar beneden over de uitlopers van de Vogezen. Daarna begint het tientallen kilometers brede Rijndal, dat zich uitstrekt van de voet van de Vogezen tot aan de voet van het Zwarte Woud aan de overkant. Fascinerend is het om beide bergketens aan weerszijden te zien liggen.
Tot Straatsburg volg ik het jaagpad langs Canal de la Marne au Rhin. Het schiet wel lekker op, zeker met een lichte wind in de rug. Nadeel is evenwel dat ik weinig meekrijg van de dorpjes onderweg. Aan beide zijden strekken de akkers zich eindeloos uit, slechts in de verte is zo nu en dan wat bebouwing te zien. Het eentonige ritme wordt slechts onderbroken door sluisjes die om de zoveel kilometer in het kanaal liggen. Dat verandert naarmate Straatsburg dichterbij komt. Steeds vaker kruizen verkeerswegen het kanaal en wordt de omgeving stedelijker. Ook wordt het drukker op het jaagpad. Zonder hinder van het autoverkeer geraak ik desondanks tot in het historische centrum van Straatsburg.
Daar is het een drukte van belang. Met moeite kan ik me met mijn fiets door de mensenmassa heen wurmen, die zich vooral staat te vergapen aan de imposante kathedraal. Met zicht op de frontgevel neem ik plaats op een terrasje voor een kop koffie. Daarna houd ik het snel voor gezien en zoek me een uitweg uit de drukte.
Via een fraai vormgegeven fietsbrug steek ik de Rijn over en ben weer terug in Duitsland. De contouren van het Zwarte Woud komen steeds dichterbij, terwijl die van de Vogezen juist vervagen. Opvallend zijn de vele ooievaars, roerloos turend aan de waterkant of scharrelend naar voedsel op een grasveld. Onderweg passeer ik enkele stadjes, waaronder het verrassend mooie Gengenbach. Dat zou qua uiterlijk zomaar in de Elzas zou kunnen liggen, maar dit is toch echt Duitsland.
Op de camping van Steinach wordt mij een plekje in de volle zon toebedeeld. Nadat ik me geïnstalleerd heb, zoek ik met een koud flesje bier de schaduw op. Na een tijdje wordt een Duits stel met elektrische fietsen verwezen naar de plek pal naast mijn schaduwplek. Ze kijken nogal bedenkelijk naar mij en stellen de campingbeheerder voor een plek verderop te nemen. Die wil daar echter niet in meegaan, omdat ze anders te dicht bij een caravan komen te staan. Er zit voor hen dus niets anders op dan hier hun tent op te zetten. De gebruikelijke groet tussen collega-fietsers blijft achterwege. Hoewel ze me verder geen blik meer waardig achten, proberen ze me uit alle macht weg te kijken. Aanvankelijk weiger ik daar op in te gaan, maar nadat ik dichter bij mijn eigen tent een reepje schaduw heb ontdekt, pak ik toch maar mijn spullen bij elkaar en verkas tot buiten hun gezichtsveld. Bijkomende voordeel is dat ik hen dan ook niet meer hoef te zien. De rest van mijn verblijf op deze camping blijven we elkaar negeren. Met een Nederlands stel heb ik nog wel even leuk contact. Ook zij fietsen de Zwarte Wouden route, tot aan de Bodensee.
Dinsdag 13 juni: Steinach - Pfohren (91 km)
Behoudens de eerste dag door de Ardennen heb ik nog niet veel geklommen. De Vogezen eergisteren stelden feitelijk niets voor. Vandaag is dat wel even anders. Via het dal van de Kinzig gaat het geleidelijk omhoog. Aan weerszijden worden de beboste heuvels gaandeweg steeds hoger. Het levert af en toe prachtige plaatjes op. In het smalle dal concurreren auto’s, treinen en fietsen om de schaarse ruimte, maar gelukkig kan ik overal redelijk veilig blijven rijden op een fietspad of fietsstrook.
Bij Schiltach verruil ik het dal Kinzig voor dat van een zijrivier daarvan. Schiltach is een betrekkelijk kleine plaats met relatief veel industriële bedrijvigheid. Zo zetelt hier onder andere het hoofdkantoor van Hansgrohe en is er een fabriek voor meetinstrumenten. Vroeger was het vooral bekend vanwege de vlottenbouw. De stad heeft hier haar bijnaam als “Flößerstadt” aan te danken.
Bij Scharmberg begint het steiler te worden. De eerste wat langere beklimming van deze fietsvakantie dient zich aan. Het hoogste punt ligt op ruim achthonderd meter. Daarna blijf ik min of meer op hoogte, al golft het wel wat op en neer. Onveranderd ook hier veel bomen, vooral veel naaldbomen dan. Daarom werd dit gebied door de Romeinen al het Silva Nigra genoemd, oftewel het Zwarte Woud.
In Villingen-Schwenningen houd ik een rustpauze. Het is een gezellig toeristisch stadje. De uitbater van café Violoncello is een slecht Duits sprekende Italiaan, die helemaal enthousiast wordt wanneer hij hoort dat ik op weg ben naar Italië. De koffie krijg ik nog net niet gratis, maar het mineraalwater en de ijsblokjes voor in mijn bidons wel.
Even ten oosten van Donaueschingen bevindt zich de officiële bron van de Donau, op het punt waar twee voedende rivieren (de Breg en de Brigach) samenvloeien. Reeds lange tijd is echter een dispuut gaande over wat nu de eigenlijke bron is. Er is namelijk ook iets voor te zeggen dat dat bij Furtwangen is, veertig kilometer naar het noordwesten, waar de grootste van de twee voedende rivieren (de Breg) ontspringt. Ondanks dat ik de bordjes “Donauquelle” een tijdlang volg, lukt het me niet om bij de officiële bron (met bijbehorend monument) te geraken. Wanneer de bordjes mij weer terug verwijzen richting Donaueschingen houd ik het verder voor gezien.
De camping ligt aan een meer enkele kilometers verderop. Omdat het campingrestaurant vandaag gesloten is, ben ik genoodzaakt weer eens zelf te koken. De instantmaaltijd die ik thuis in mijn fietstas heb gestoken komt nu goed van pas. Het enige probleem is mogelijk dat mijn gastank zo langzamerhand leeg begint te raken. Het lukt allemaal nog net, er zit zelfs nog voldoende in de tank voor een kop thee ’s avonds.
Woensdag 14 juni: Pfohren - Kreuzlingen (88 km)
De eerste uren volg ik de Donauradweg over een soort hoogvlakte. Slechts af en toe is de hier nog jonge Donau te zien. In tegenstelling tot gisteren is het landschap meer open. Evenals in de Rijnvlakte ook hier weer veel ooievaars, meestal in tweetallen bij elkaar. Van ooievaars is bekend dat ze hun leven lang trouw blijven aan dezelfde partner.
Om bij de Bodensee te komen – en daarmee weer terug in het stroomgebied van de Rijn - moet ik nog een berg van ruim achthonderd meter over. Omdat de hoogvlakte op ruim zeshonderd meter ligt, valt het hoogteverschil nogal mee. Vanaf het uitzichtpunt op de top zijn in de verte vaag de Alpen te zien, met op de voorgrond de al even mistige Bodensee. Het is wel een bijzonder moment, het voelt als een mijlpaal die bereikt is. Op mijn weg naar Rome zullen er nog wel een paar volgen. Met behulp van het op uitzichtpunten onvermijdelijke tableau weet ik onder andere de Säntis te traceren. Deze bergtop is ooit door mij bezocht tijdens een schoolreisje, hetzelfde schoolreisje waarin eerder de bron van de Donau werd aangedaan.
In ziedende vaart suis ik vervolgens naar beneden. Onderweg stop ik een paar maal voor het maken van een foto, onder andere van een kudde Schwarzwalder paarden. Dit op uitdrukkelijk verzoek van één van mijn volgers op Strava (Jaap), die graag wat meer van de plaatselijke fauna zou willen zien. Als voorbereiding op het nog te verrichten onderzoek naar Apennijnse bergrunderen straks in Italië kun je daar niet vroeg genoeg mee beginnen.
Bij Radolfszell bereik ik de Bodensee, een uitgelezen moment voor een lunchpauze. Het meer bestaat uit de Obersee en de veel kleinere Untersee, met daartussen een vier kilometer lang verbindingskanaal. Beetje vreemd om dat kanaal te noemen, want eigenlijk is het gewoon een stukje Rijn, net zoals de Bodensee zelf deel uitmaakt van de Rijn. Over een fietspad gaat het verder langs de Untersee. Vanwege de vele bomen is van het meer vooralsnog weinig te zien.
Konstanz is een Duitse stad, waarvan het grootste deel zich op de noordelijke Rijnoever bevindt. Een klein deel, waaronder de Altstadt, ligt echter op de zuidelijke oever. Via een fietsbrug steek ik over naar die zuidoever. Vanaf de brug heb je een prachtig uitzicht over de stad en de daarachter liggende Obersee. Nadat ik een kort bezoek heb gebracht aan de Altstadt verlaat ik de stad weer en daarmee Duitsland. Voorbij een grenspost in een buitenwijk rijd ik ineens in Zwitserland.
Voor vandaag heb ik mijn oog laten vallen op de camping van Kreuzlingen, een paar kilometer voorbij Konstanz. Een belangrijke overweging bij die keuze is dat ze daar campinggas verkopen. Ik vrees anders dat ik vandaag of morgen zonder kom te zitten. Op de camping krijg ik een plekje pal aan het meer. De rest van de middag zit ik in mijn stoeltje in de schaduw van een boom en geniet van het uitzicht. Slechts af toe wordt dat onderbroken voor een gang naar de kampwinkel voor een koud flesje bier of naar het toilet.
Donderdag 15 juni: Konstanz - Vaduz (101 km)
Rondom de gehele Bodensee ligt een fietsroute. Gisteren heb ik daar al een stuk van gereden. Vandaag vervolg ik mijn weg langs de zuidkant van het meer. Het is druk op het fietspad, zo druk zelfs dat ik moeite moet doen een rustig plekje te vinden om te pissen. Onderweg passeer ik tal van pittoreske badplaatsen, waarvan diverse in bezit van een jachthaven. Vooral Romanshorn steekt er wat dat betreft bovenuit. Vanaf de boulevard heb je een prachtig uitzicht over het zilverachtige water van het meer, met aan de overkant vaag de heuvels van de Algau in Duitsland. Landinwaarts zijn de eerste Alpenreuzen al prominent aanwezig, al liggen ze hemelsbreed nog wel enige tientallen kilometers verderop.
Nabij Rorschach volgen de stedelijke zones elkaar in rap tempo op, wat het fietsen er niet plezieriger op maakt. Van het fietspad resteert slechts een fietsstrook langs een drukke doorgaande weg. Pas bij de Rijndelta, daar waar het meer weer een rivier wordt, wordt het weer rustiger. Op een fietspad naast de Rijn rijd ik verder zuidwaarts, onderwijl de omliggende bergen steeds hoger zien wordend. Met de wind in de rug schiet het hier lekker op. Tientallen kilometers verderop eindig ik op een camping even voorbij Vaduz in Liechtenstein. Onderweg is ook Oostenrijk nog even aangedaan. De teller van het aantal bezochte landen begint zo aardig op te lopen.
Het ministaatje Liechtenstein is niet meer dan een lap grond, ingeklemd tussen de Rijn en een steile berg. Hoewel het aan dezelfde kant van de Rijn ligt als Oostenrijk, is het economisch gezien veel meer gericht op Zwitserland. Het wettig betaalmiddel is hier dan ook de Zwitserse frank. Qua prijsniveau doet het niet onder voor de westerburen. Net als in Zwitserland is alles hier minstens twee keer zo duur als in Nederland. Zo kost bijvoorbeeld een bakje aardbeien ruim zeven frank (een frank is ongeveer een euro). Raadpleging van de menukaart van het campingrestaurant doet me besluiten in de kampwinkel alsnog de ingrediënten voor een eenvoudige pastamaaltijd in te slaan. Een hoofdgerecht in het restaurant kost namelijk al gauw vijftig frank.
Vanaf Rorschach ben ik onderweg regelmatig een Nederlands stel tegengekomen. Die blijken nu ook op deze camping te staan. Ze rijden min of meer dezelfde fietsroute als ik, maar dan van Basel tot Florence.
Vrijdag 16 juni: Vaduz - Splügen (86 km)
Al vrij snel rijd ik weer op de dijk naast de Rijn. Vanaf de monding in de Bodensee tot aan Thusis is die gekanaliseerd, met hoge dijken aan weerszijden. Afwisselend rijd ik op de ene dan wel andere oever. Naarmate ik verder stroomopwaarts kom worden de bergen steeds talrijker en hoger. Boven de bergen hangt een wolkendek, maar vooralsnog is dat nog geen reden tot ongerustheid. Hoewel het de laatste tijd nogal geregend heeft in de Alpen, lijkt het weer zich net op tijd te herstellen.
In het centrum van Chur doe ik wat inkopen en drink vervolgens ergens een kop koffie. Bij het verlaten van de stad kom ik toevallig de Tour de Suisse tegen, een achtdaagse wielerkoers voor professionals. Ze zijn nog niet gestart, maar ik kan al wel een kijkje nemen in het Village Depart. Rondom de teambussen scharrelen wat mensen rond. Bij de bus van Jumbo Visma herken ik Addy Engels (ploegleider) en Sam Oomen (renner), die als één van de weinigen alvast een proefrondje maakt. Het is nog een uur voor vertrek, dus de meeste renners zullen waarschijnlijk nog in de bus zitten (PS. Op dat moment was nog niet bekend dat de etappe geneutraliseerd zou worden wegens het overlijden van een renner die de dag ervoor ten val was gekomen).
Ik wacht de start van de etappe verder niet af en vervolg mijn eigen Tour de Suisse. Vanaf hier is het serieus klimmen geblazen. Via een slecht onderhouden gravelpad gaat het steil omhoog door de bossen. Van de Rijn is niets meer te zien, tot de weg begint af te vlakken. Slechts door een houten hek gescheiden scheert het pad daar langs de afgrond, met in de diepte een prachtig uitzicht op het kolkende water van de Hinterrhein. Even terug voegt die zich bij de Vorderrhein (helaas was dat punt vanaf het gravelpad niet zichtbaar), om daarna samen als kortweg Rhein verder te gaan.
Geleidelijk daal ik weer af naar het dal, naar de Domlesch. Dit gebied maakt deel uit van het kanton Graubunden, wat mij betreft het mooiste kanton van Zwitserland, met fameuze bergpassen als de Albula- en Julierpas. Dat je hier midden in de Alpen zit is ook te zien aan de door bruinwitte koeien bevolkte alpenweiden. Van verre zijn ze al te horen vanwege de luid klingelende bellen om hun nek. In het kader van het in kaart brengen van de lokale fauna komen deze runderen van Graubunden uiteraard ook op de foto.
Na Thusis begin ik aan de enige Alpencol van deze fietstocht, te weten de Splügenpas. Dat zal in twee stappen gebeuren, vandaag het eerste deel tot aan Splügen en dan morgen de rest. De beklimming verloopt trapsgewijs. Na een steil stuk met enkele tunnels vlakt het na enkele kilometers weer af. Bij het volgende stijgende stuk vernauwd het kloofdal zich tot een smalle spleet van hooguit tien meter breed. Onvoorstelbaar dat hier nog een weg tussendoor kan lopen. Dit is de beroemde Via Mala kloof. Vanaf een uitzichtpunt is te zien hoe in de diepte het water van de Hinterrhein zich een weg door de rotsen baant.
Na dit tweede steile stuk vlakt het weer af en begint de weg zelfs korte tijd licht te dalen. Het dal verbreedt zich en opeens bevind ik me op een soort hoogvlakte, al zijn de bergen niet ver weg. In één van de daar liggende dorpjes houd ik op een bankje langs de weg een korte rustpauze, alvorens aan het volgende steile stuk te beginnen. Dit stuk draagt de afschrikwekkende naam Rofflaschlucht. Ook de reeks haarspeldbochten zou de argeloze fietser angst kunnen inboezemen. Desondanks is ook hier wel doorheen te komen. Gewoon rustig door blijven trappen en in gedachten houden dat elke trap je dichter bij de top zal brengen. Tussen de bomen door is de rivier regelmatig te zien, soms vlakbij en dan weer in de diepte. Af en toe sta ik even stil om van het niet aflatende geweld van het naar beneden donderende water te genieten. Na de Rofflaschlucht vlakt het weer af. Het is nu niet ver meer tot Splügen.
Splügen ligt op zo’n vijftienhonderd meter hoogte en dat is goed te merken aan de temperatuur. Vanwege de stevige wind voelt het extra fris aan. Vannacht zal het nog verder afkoelen, dat wordt dus trui en lange broek aanhouden in de slaapzak. Naast me op de camping staat een meisje van nog geen twintig, die in haar eentje van Rome naar Nederland terugfietst. Het is de eerste keer dat ik iemand tegenkom die ook het gehele traject doet. Tot dusverre waren het steeds mensen die een deel van de route fietsten. Naar Rome (of terug) is dan ook een heel eind en kost navenant veel tijd, tijd waarover in het algemeen alleen gepensioneerden en eindexamenleerlingen die net hun examen hebben gedaan ruimschoots beschikken. Het is de eerste keer dat ze alleen fietst, maar ze slaat zich er goed doorheen, ondanks enkele tegenslagen onderweg. We wisselen wat ervaringen uit, waarbij ze me om allerlei adviezen vraagt (kun je alweer door de Eifel fietsen na het noodweer van twee jaar geleden, kun je bacon ook zonder olie bakken, enzovoorts). Met genoegen schik ik me in mijn rol als oude wijze man. Qua leeftijd had ik haar opa kunnen zijn.
Zaterdag 17 juni: Splügen - Domaso (75 km)
’s Nachts heb ik ondanks de kou redelijk kunnen slapen. De extra kleding en niet te vergeten de lakenzak die ik vorig jaar heb aangeschaft hebben hun effect niet gemist. In de luwte van een houten gebouwtje neem ik mijn ontbijt. Het is nog aardig fris, waardoor ik mijn jas erbij aan moet houden. Mijn buurmeisje komt nog even langs om afscheid te nemen en heeft nog een laatste vraag: “Is het echt zo druk langs de Bodensee en of kan ik misschien beter langs de noordkant fietsen?”. Ik stel haar gerust, zo druk was het nou ook weer niet.
Van de kou heb ik weinig last meer als ik eenmaal aan het klimmen ben. De Splügenpas heeft zijn zwaarste kilometers duidelijk bewaard tot vandaag, al was het gisteren ook al niet mals. Het begint gelijk al met een steil stuk vanuit Splügen, waar ik het dal van de Hinterrhein definitief verlaat. Vanwege de vele haardspeldbochten zie ik afwisselend links en rechts van mij het dorp steeds verder in de diepte wegzakken. Aan de westzijde is de camping verworden tot een vage vlek. Onvoorstelbaar dat ik daar zo-even nog was en het voor één nacht mijn thuis is geweest. De onthechting gaat snel, eigenlijk treedt dat al op vanaf het moment dat de tent is afgebroken. Maar dat is ook het aantrekkelijke van een trektocht, dat voortdurend achterlaten van wat geweest is en op weg gaan naar wat komen gaat.
Na die eerste reeks haarspeldbochten kom ik door een verlaten keteldal, aan alle kanten omgeven door imposante bergen. Op de alpenweiden bevinden zich op diverse plaatsen tevreden grazende koeien. Wat een schoonheid en wat een rust gaat er van deze omgeving uit. Veel rust is mij echter niet gegund, want de volgende reeks haarspeldbochten dient zich alweer aan. De bochten liggen hier vlak achter elkaar, waardoor de weg zich als een slang omhoog slingert. Van bovenaf is het een prachtig gezicht.
Op de top is weinig te beleven, op enkele toeristen na die gemotoriseerd naar boven zijn gekomen. Voordat ik aan de afdaling begin trek ik mijn jas erbij aan, want de afdaling zal lang en vooral in het begin fris zijn. Halverwege kan die alweer uit, wanneer ik stop voor een koffiepauze. Wat smaakt die Italiaanse espresso toch goed en dat voor weer een normale prijs. Wat dat betreft ben ik blij dat ik Zwitserland weer uit ben.
De afdaling lijkt eindeloos, met oneindig veel haarspeldbochten (tornanti op zijn Italiaans) en ook diverse tunnels. Het vereist voortdurende oplettendheid, maar desondanks kan ik toch ook wel genieten van de omgeving. Maar los daarvan is het afdalen al een genot op zich. Af en toe passeer ik een dorpje, waar de weg tijdelijk even afvlakt of zelfs even omhoog loopt. Maar daarna gaat het steevast weer op volle snelheid verder naar beneden. Pas in Chiavenna komt daar na ruim dertig kilometer een einde aan.
Via een fietspad langs de Meda, een zijrivier van de Adda, vervolg ik mijn weg naar uiteindelijk het Comomeer. Het is hier aanmerkelijk warmer dan in Zwitserland. Het lijkt erop dat ook in Italië het weer op tijd hersteld is, na weken van regen en wateroverlast. Ik heb een camping uitgekozen in Domaso, aan de westoever van het Comomeer. Hier zal ik twee nachten blijven staan. Na tien dagen fietsen en circa negenhonderdvijftig kilometer ben ik namelijk wel toe aan een rustdag.
Zondag 18 juni: Rustdag Domaso
Domaso ligt op een zogenaamde puinwaaier, een afzetting van puin dat in de loop der eeuwen vanuit de bergen naar beneden is gekomen en als een waaier deels in meer terecht is gekomen. Op dit relatief vlakke stuk grond liggen een stuk of tien campings vlak naast elkaar. Het betekent dat ik midden in het massatoerisme terechtgekomen ben. En dan is het ook nog eens weekend, waarin de Italianen er massaal op uit trekken. De camping staat dan ook behoorlijk vol. Behalve Italianen zijn er echter ook veel andere nationaliteiten vertegenwoordigd. Mijn tent staat betrekkelijk achteraan op de camping, zodat het geloop voor mijn tent wel meevalt.
Aan de andere kant van een heg loopt een weggetje waar af toe auto’s langskomen. Net ter hoogte van mijn tent staat daar een rij containers, waarin de gasten van de naastgelegen camping hun afval kwijt kunnen. Gisteren heb ik tot laat in de avond flessen in de glasbak te pletter horen slaan, dwars door mijn oordopjes heen. Ook het dicht laten vallen van het deksel van één de andere containers was steeds goed te horen. Om over de vrachtauto die tweemaal per dag de containers komt leeghalen maar te zwijgen.
Tja, wat doet een renner op een rustdag? Die vraag heb ik al eens beantwoord, maar het laat zich gemakkelijk raden. Ruim de tijd nemen voor het ontbijt, boodschappen doen, fiets (een beetje) schoonmaken en kleren eens een keer goed wassen. Maar natuurlijk vooral veel luieren. Afwisselend doe ik dat bij de tent en aan het meer. ’s Middags kijk ik op het terras voetbal op mijn telefoon (Nederland – Italië), want daar is de wifi sterk genoeg. Achteraf is het zonde van mijn tijd (Nederland verliest in een slechte wedstrijd met 2-3), maar anderzijds heb ik verder toch niet zoveel te doen.
’s Avonds eet ik bij hetzelfde restaurant als gisteren, want dat is me zeer goed bevallen. Ik neem nu overigens wel een ander gerecht, maar het smaakt minstens zo lekker, net zoals de witte wijn trouwens. Op de camping is het inmiddels een stuk rustiger geworden. Veel weekendgasten zijn alweer vertrokken. Redelijk op tijd lig ik in mijn slaapzak, zonder ook maar één keer een fles in de glasbak te horen vallen.
Maandag 19 juni: Domaso – Lecco (47 km)
Hoera, vandaag mag ik weer fietsen. Zo hard als ik eergisteren aan een rustdag toe was, zo hartstochtelijk wil ik nu weer beginnen aan de tweede helft van mijn fietstocht. Wat dat betreft heeft de rustdag zijn werk gedaan.
Ik begin de dag met een ontbijt op een bankje aan het meer. Vanwege het vroege uur is het strand nagenoeg leeg. Wat een contrast met gisteren. In een poging de drukke doorgaande weg te vermijden, volgt de route waar het maar even kan gravelpaden en andere achterafweggetjes. Bij tunnels worden fietsers en voetgangers steevast keurig buitenom geleid. Af en toe ontkom ik er echter toch niet aan om over die drukke weg te rijden.
Bij Menaggio pak ik de veerboot naar Bellagio aan de overkant van het meer. In de wachtrij voor het ticketbureau slaat een groep Rotterdammers steil achterover wanneer ze horen dat ik hier helemaal vanuit Nederland naar toe ben komen fietsen. De verbazing wordt nog eens verdubbeld wanneer ik ze vertel dat ik pas op de helft ben en nog doorga tot Rome. Dat dat ook nog eens gebeurt op een conventionele, dus niet-elektrisch fiets gaat hun voorstellingsvermogen helemaal te boven.
Vanaf de boot is het uitzicht over het meer en de omliggende bergen geweldig. Al snel is de drukte van de kustweg achtergelaten en langzaam verdwijnen ook de rode daken van Menaggio in de verte. Het Comomeer splitst zich hier in tweeën. De zuidwestelijke tak gaat verder naar Como, terwijl de zuidoostelijk tak naar Lecco afbuigt. Precies op het punt waar beide takken definitief afscheid van elkaar nemen ligt – heel strategisch - Bellagio. Voordat we daar aanmeren maakt de boot eerst nog een tussenstop in Varenna aan de oostelijke oever van het meer.
Mijn oorspronkelijke plan om vanaf Bellagio naar Madonna del Ghisallo te rijden laat ik varen. Met de huidige temperatuur is de beklimming daarnaartoe me net iets te lang en te steil. Madonna del Ghisallo is een beroemd bedevaartsoord voor wielertoeristen, dat jaarlijks in het parcours van de Ronde van Lombardije is opgenomen. Volgens de legende werd in de Middeleeuwen graaf Ghisallo aangevallen door struikrovers, toen hij op een altaar een verschijning van Maria zag. Hij rende er snel heen en dat werd zijn redding. Madonna del Ghisallo werd vervolgens de patroonheilige van reizigers. In 1949 werd de Madonna door paus Pius XII tevens uitgeroepen tot de beschermheilige van wielrenners. Naast de kapel staat een wielermuseum waar ook allerlei wielerparafernalia te koop zijn.
Voor mij vandaag dus geen retro wielershirt uit de tijd van Coppi en Bartali of een bidon met een afbeelding van de Madonna. In plaats daarvan volg ik de weg langs het meer, inclusief enkele tunnels van circa twee kilometer. Gelukkig zijn ze goed verlicht en is het er niet erg druk.
Even voorbij Lecco strijk ik neer op een camping aan het Lago di Garlate. In feite is dit een onderdeel van het Comomeer, daarvan gescheiden door een versmalling van slechts enkele kilometers ter hoogte van Lecco. In tegenstelling tot het eigenlijk Comomeer is het hier een stuk minder toeristisch. Dat blijkt alleen al uit het beperkte aanbod van campings. Noodgedwongen is het vandaag daarom een kort ritje geworden, al was die aanzienlijk langer en vooral zwaarder geweest wanneer ik langs Madonna del Ghisallo was gereden. Ook het aanbod van restaurants is nogal karig, dus dat wordt weer eens zelf koken.
Op de camping kom ik het stel dat ik eerder in Zwitserland en Liechtenstein heb ontmoet weer tegen. Ze onderhouden ongeveer hetzelfde tempo als ik, inclusief rustdag, zij het dat ze op andere campings hebben overnacht. Wellicht komen we elkaar dus nog eens tegen.
Dinsdag 20 juni: Lecco - Iseo (84 km)
De Adda is een rivier die ontspringt op de flanken van de Stelvio en ruim driehonderd kilometer verderop uitmondt in de Po. Onderweg passeert die onder andere het Comomeer. Via merendeels gravelpaden langs de Adda gaat het verder naar het zuiden. Aan weerszijden dicht beboste hellingen, die naarmate de Povlakte dichterbij komt steeds lager worden. Op een enkele fietser of wandelaar na kom ik niemand tegen. Langs de rivier bevinden zich tal van waterwerken, zoals stuwen en waterkrachtcentrales. Op diverse plaatsen zijn kanalen gegraven, om met minder verval het water naar de waterkrachtcentrales te laten stromen, waar het dan weer terug in de rivier stort. Het schijnt dat Leonardo de Vinci voor dat kanalenstelsel de eerste aanzet heeft gegeven.
Bij Vapro verlaat ik na enkele tientallen kilometers de Adda. Daarna gaat het oostwaarts door een totaal ander landschap. Dicht beboste hellingen hebben plaats gemaakt voor open vlaktes met voornamelijk akkerbouw, met om de paar kilometer een dorp. Het is een eerste kennismaking met de Povlakte, een landschap vergelijkbaar met Nederland, ware het niet dat in de verte de Alpen nog vaag zichtbaar blijven. Heel enerverend is het niet, maar nog altijd te verkiezen boven het noordelijker gelegen verstedelijkt gebied rondom Bergamo.
Nabij het Lago di Iseo komen de Alpen weer dichterbij en dienen zich zowaar weer een paar hellingen aan. Aan de zuidkant van het meer liggen diverse campings. Bij de eerste die ik tegen kom houd ik het voor gezien voor vandaag. Bepaald luxe kun je de camping niet noemen, maar als passant neem ik met weinig genoegen. Hoewel er een zwembad aanwezig is, geef ik er de voorkeur aan om tussen de ganzen en eenden in het meer te zwemmen.
Het dichtstbijzijnde restaurant ligt anderhalve kilometer verderop. Aan de jachthaven geniet ik van het uitzicht over het meer en een heerlijke Italiaanse pizza. Bij terugkomst wacht een leger muggen me op, dat zich tijdens mijn afwezigheid meester heeft gemaakt van de camping. Ondanks het nog vroege uur duik ik daarom meteen de tent in.
Woensdag 21 juni: Iseo - Mantova (116 km)
Om vijf uur ben ik alweer wakker. Na de kortste nacht van het jaar (immers, de zon staat vandaag boven de noorderkeerkring) is het dan al licht. Vanwege de muggen verlaat ik pas de tent nadat ik me eerst helemaal heb ingespoten met antimuggenspray. Daarna pak ik zo snel mogelijk mijn spullen in en verlaat zonder ontbijt de camping. Gelukkig is het voetgangerspoortje naast het gesloten hek al wel geopend op dit vroege uur.
Na ruim een uur fietsen koop ik verse broodjes bij een net geopende bakker en werkt die op een bankje op het dorpsplein naar binnen. Bij de tegenoverliggende bar wordt het ontbijt afgemaakt met een doppio, een dubbele espresso. In Italië krijg je een gewone espresso in de regel geserveerd als bodemvulling in een klein kopje. Je zou verwachten dat bij een doppio datzelfde kopje iets verder gevuld zou worden. Maar nee, doppio’s worden geserveerd in een twee keer zo grote kop, waarbij je nog steeds diep in het kopje moet kijken om de koffie te kunnen zien.
Vooralsnog voert de route me verder naar het oosten. Dat blijft toch een gek gevoel geven als je op weg bent naar het zuiden. Als je echter goed naar de kaart van Europa kijkt, dan blijkt Rome behalve een stuk zuidelijker ook een stuk oostelijker dan Nederland te liggen. Dus objectief gezien valt dat met die omweg wel mee. Het landschap is lichtglooiend met afwisselend bossen en landerijen. Bepaald niet het beeld dat men heeft van de Povlakte. Het is ook meer het overgangsgebied met de Alpen, met de laatste uitlopers daarvan, voordat die helemaal verdwijnen in de vlakte. Halverwege ligt de stad Brescia. Zonder echt te stoppen krijg ik toch een aardig beeld van het historische centrum, met zijn monumentale gebouwen, smalle straten en knusse pleinen.
Na ruim zestig kilometer (ik heb het Gardameer dan al vanuit de verte zien liggen) buigt de route weer naar het zuiden af, in de richting van Rome dus. Het geeft me gelijk het gevoel dat het weer opschiet. Een kilometer of tien verderop laat ik ook de laatste heuvels achter me en duik definitief de Povlakte in. De temperatuur is inmiddels opgelopen tot ruim boven de dertig graden. Sinds mijn aankomst in Italië is het elke dag wel een paar graden warmer geworden. Morgen beloven er nog een paar graden bij te komen. Dat wordt dus nog wat.
Vanwege de hitte heb ik er rekening mee gehouden dat ik Mantova (waar een camping is) niet ga halen. Omstreeks het middaguur heb ik het hotel dat ik als alternatief heb gekozen reeds bereikt. De benen zijn echter nog goed en de hitte valt me eigenlijk wel mee. Ik ga dus door, temeer omdat het vooruitzicht om de rest van de dag door te brengen in een hotelkamer (weliswaar met airco) in een onooglijk stadje niet erg aantrekkelijk is. Het laatste stuk gaat over een pas geasfalteerd fietspad langs een kanaal, met gelukkig redelijk wat schaduw. Bovendien zorg de lichte rugwind ook voor wat verkoeling.
In een voorstad van Mantova tref ik andermaal een muggencamping. Dit keer zijn het vooral tijgermuggen. Tijgermuggen hebben de eigenschap dat ze in tegenstelling tot gewone muggen vooral overdag steken. Al vrij snel verlaat ik daarom de camping weer en neem mijn toevlucht tot een nabij gelegen bar. Daar is het ook warm, maar er zijn tenminste geen muggen. Na de bar loop ik nog door naar een supermarkt en vervolgens een restaurant. Bij terugkomst op de camping volg ik dezelfde procedure als gisteravond. Van tevoren muggenspray aanbrengen op alle onbedekte lichaamsdelen en daarna zo snel mogelijk de camping oplopen, tandenpoetsen en de tent induiken.
Donderdag 22 juni: Mantova - Modena (98 km)
Het ontbijt neem ik in een park in het centrum van Mantova. Een spaarzame voorbijganger kijkt verbaast toe hoe ik met mijn gasbrander in de weer ben. Wellicht vraagt die zich af of deze zwerver de afgelopen nacht op de bank heeft doorgebracht waar hij nu op zit. Daarna verken ik dat centrum, want daar ben ik gisteren niet aan toegekomen. Ondanks het vroege uur zijn de marktkooplieden al druk bezig hun marktkramen op te bouwen. Het zicht op de talrijke historische gebouwen wordt daardoor enigszins belemmerd, maar er blijft gelukkig nog genoeg over om er een paar mooie plaatjes van te schieten.
Het eerste stuk volg ik een gravelpad langs de Mincio, een zijrivier van de Po. Over de weg had ook wel gekund, maar dit is wel zo avontuurlijk. Ter hoogte van Mantova heeft de Mincio zich verbreed tot een uitgestrekt meer. Bij een gesloten hek wordt ik gedwongen tijdelijk het gravelpad te verlaten en een veredeld voetpad van nog geen meter breed te volgen. Aanvankelijk loopt het dwars door het struikgewas steil naar beneden, tot vlak aan het meer. Gelukkig staat het water niet erg hoog, anders zou ik hier niet zonder natte voeten langs kunnen komen. Daarna gaat het minstens zo steil weer omhoog, terug naar het gravelpad. Dat kan ik verder blijven volgen tot aan de Po.
Aan weerszijden is de Po afgesloten van het omringende land door hoge dijken. Het waterpeil valt me alleszins mee, gezien de droogte eerder dit jaar en de navenant alarmerende berichten dat de levensader van Noord-Italië dreigde droog te vallen. Door de aanhoudende regenbuien van de afgelopen maand lijkt het tij echter gekeerd. Erg hoog staat het water echter ook weer niet, het zou nog wel ruim tien meter kunnen stijgen voordat de bovenkant van de dijken is bereikt. Kennelijk is de kans daarop niet uitgesloten, want waarom zouden die dijken anders zo hoog zijn?
Via een redelijk drukke weg steek ik de Po over, maar daarna gaat het weer verder over de autoluwe rivierdijk. Na een paar kilometer buigt de route weer naar het zuiden af en volgt verder de Secchia, een andere zijrivier van de Po. Ook hier weer opvallend hoge dijken, en dat voor een betrekkelijk bescheiden riviertje. Een tijdlang volg ik het gravelpad bovenop de dijk. Vanuit die positie heeft men een mooi uitzicht op het omliggende landschap. Het doet sterk denken aan Nederland: een eindeloze vlakte met landerijen, doorsneden door een traag stromende rivier, met zo hier en daar een boerderij of dorp. Als je echter wat preciezer kijkt naar de gewassen die verbouwd worden (onder andere druiven, perziken en rijst), dan wordt duidelijk dat dit toch een ander land is. Door het voortdurend veranderende perspectief, opgelegd door de vele bochten in de rivier, wordt het nergens saai. Bovendien moet ik blijven uitkijken voor eventuele kuilen in het wegdek.
Ook vandaag is het weer erg warm. Toch heb ik er vreemd genoeg niet zoveel last. Kennelijk raak je er na enige tijd wel aan gewend. Bovendien zorg de rijwind voor enige verkoeling. Desondanks heb ik voor vanavond een hotelkamer geboekt in het centrum van Modena. Met airco en zonder muggen. Bijkomend voordeel is dat ik nu alle gelegenheid heb het centrum van Modena te bekijken. Dat blijkt zeer de moeite waard, met zijn prachtige pleinen en gebouwen. Het is er niet al te druk, maar toch gezellig.
Vrijdag 23 juni: Modena – Porretta Terme (96 km)
Na enkele vlakke dagen zijn er eindelijk weer eens bergen in zicht. Letterlijk, want bij het uitrijden van Modena tekenen ze zich duidelijk af aan de zuidelijke horizon. Na een vlakke aanloop van een kilometer of dertig is de voet van de Apennijnen bereikt. Voor ik aan de beklimming begin, neem ik eerst een koffiepauze in een café en sla wat proviand in bij een supermarkt. In het café zit een man die me bij het weggaan in gebrekkig Engels vraagt waar ik vandaan kom. Op mijn antwoord reageert hij met ‘Oooh, van Basten, Koeliet, Riekaard, foeteball!’. Daaruit zou je twee dingen kunnen opmaken: zijn Engelse woordenschat is nogal beperkt en sinds de jaren tachtig zijn er geen grote voetballers uit Nederland meer actief geweest in Italië.
Het is gelukkig niet zo warm meer als gisteren, voor later vandaag wordt zelfs regen en onweer voorspeld. Desondanks werk ik me tijdens de lange klim behoorlijk in het zweet. Gaandeweg gaat het beter, mede omdat het met de hoogte steeds koeler wordt. Het is een bosrijke omgeving, maar op sommige plaatsen is toch sprake van enige agrarische activiteit. In het kader van mijn onderzoek naar de lokale fauna speur ik naarstig de betreffende percelen af, maar het enige dat opvalt is de volstrekte afwezigheid van weidedieren. Aan veeteelt wordt hier kennelijk niet gedaan, ook al niet in de Povlakte trouwens. De vermaarde Apennijnse bergrunderen zijn dan ook nog steeds niet gesignaleerd.
Vanaf het middaguur pakken zich donkere wolken samen en klinkt er vanuit de verte een voortdurend gerommel. Het voorspelde onweer dient zich aan. Vooralsnog blijft het echter droog. Pas in de afdaling merk ik aan het wegdek dat het geregend heeft. Behoedzaam rijd ik daarom naar beneden. Eenmaal beneden in Porretta Terme begint het weer licht te sputteren. Een blik op mijn weerapp leert me dat er de komende uren nog veel meer regen aankomt. Ik besluit ter plaatse een hotel te nemen.
Porretta Terme is van oudsher een bekend kuuroord, maar tegenwoordig is dat toch vooral vergane glorie. Desondanks is het best leuk, met vriendelijke hoteleigenaren die geen woord Engels spreken, maar waarvan de dochter gelukkig uitkomst biedt. Op een camping ben ik de eerste uren meestal druk bezig met allerlei huishoudelijke zaken, maar nu heb ik ineens zeeën van tijd. Ik benut die tijd om languit op bed te liggen en af en toe op mijn telefoon te kijken. Door het geopende raam klinkt gestaag het ruisen van de regen. Aan het einde van de middag wordt het eindelijk weer droog. Dat biedt me de gelegenheid wat rond te lopen en een geschikt restaurant uit te zoeken voor vanavond.
Zaterdag 24 juni: Porretta Terme - Fiano (101 km)
Als eerste en enige gast zit ik al om zeven uur in de ontbijtzaal. Nog laat voor mijn doen, maar eerder wordt het ontbijt niet geserveerd. Met een half oog volg ik het nieuws op het televisiescherm aan de andere kant van de zaal. Er worden beelden getoond van tanks en militairen, afgewisseld met close ups van Prigozhin, de leider van Wagner, een berucht Russisch huurlingenleger. De essentie van het nieuws ontgaat me, maar dat dit anders is dan het normale oorlogsnieuws is me wel duidelijk. Meteen pak ik mijn telefoon erbij. De NOS nieuwsapp meldt dat Wagner een opstand is begonnen en het Russische militaire hoofdkwartier in Rostov heeft bezet. Tevens zou er een groep op weg zijn naar Moskou om het aftreden van de defensietop te eisen. Dat is nog eens breaking news!
Erg lang kan ik er niet stil bij blijven staan, want ook vandaag dient er weer gefietst te worden. Wanneer ik thuis zou zijn (of, zoals vroeger, aan het werk), dan zou ik waarschijnlijk de hele dag het nieuws blijven volgen. Daarvan kan nu geen sprake zijn en dat is maar goed ook. Het mooie van fietsen is juist dat je even helemaal los komt van de dagelijkse sleur, inclusief het volgen van nieuws en andere quasi belangrijke zaken. Je leeft als het ware in een cocon, waarin je wereldje beperkt is tot de tijd en plaats waar je je op dat moment bevind. Weliswaar verneem je zo nu en dan wel iets van de wereld daarbuiten, maar meer is het ook niet.
Vanuit Porretta Terme gaat het eerst weer tientallen kilometers lang omhoog door andermaal een bosrijk gebied. Halverwege komt een racefietser me tegemoet. Ondanks de hoge snelheid houdt hij slechts één hand aan het stuur. Het lijkt net alsof hij zijn andere hand op zijn rug houdt. Wat is dit voor een waaghals? Als hij me voorbijschiet blijkt de reden van zijn ietwat onconventionele houding: hij blijkt namelijk over slechts één arm te beschikken!
Net als gisteren ligt het hoogste punt ongeveer op achthonderd meter. Daarna volgt een iets minder lange, maar daardoor wel steilere afdaling. Gaandeweg wordt het zicht op de vlakte voor me steeds beter, met de stad Pistoia prominent op de voorgrond. Dit is het begin van Toscane, de volgende mijlpaal is bereikt.
Pistoia heeft een mooi historisch centrum, maar helaas is daar door de drukbezochte weekmarkt weinig van te zien. Die markt strekt zich bijna tot het hele centrum uit. Het is er zo druk dat ik er slechts lopend met de fiets aan de hand doorheen kan komen.
Voorbij Pistoia is het gedaan met de bossen en rijd ik verder door een typisch Toscaans landschap. Zondoorstoofde wijngaarden, cipressen als wachttorens rondom boerenhoeves en terracotta dorpjes. Toscaanser kan het bijna niet. Bergen zijn nog slechts zichtbaar in de verte, maar dat betekent geenszins dat er niet meer geklommen hoeft te worden. Die klimmetjes zijn soms best steil, maar nooit van lange duur.
Onderweg passeer ik onder andere het dorp Vinci, de geboorteplaats van Leonardo da Vinci. Er is een speciale bibliotheek met aandacht voor zijn studies en een museum waar een grote collectie modellen te zien is van zijn uitvindingen. Bibliotheek noch museum worden door mij bezocht, ik neem genoegen met de door Wikipedia aangereikte informatie. Midden in dit fantastische landschap strijk ik neer op een camping met de toepasselijke naam Camping Panorama del Chianti.
Zondag 25 juni: Fiano - Casciano (68 km)
Vandaag zal ik de route van Benjaminse verlaten en overstappen op die van Reitsma. Belangrijkste reden daarvoor is dat de route van Benjaminse de komende dagen door een gebied voert dat ik al redelijk goed ken. Enkele jaren terug heb ik daar met Irina zelfs ruim een week doorgebracht op een agriturismo. Die van Reitsma volgt een westelijker koers, door een meer bergachtig gebied. Na de Alpen en enkele middelgebergten jaagt geen enkele berg me echter meer schrik aan. Integendeel, ik verheug me alweer op nieuwe en voor mij onbekende berglandschappen.
Voor de echte bergen zal ik nog nog even geduld moeten hebben. Vooralsnog zet het lieflijk glooiende landschap van gisteren zich voort. Na ruim veertig kilometer bereik ik Siena. Het blijkt nog een hele toer om met de fiets het centrum te bereiken, door een labyrint van steile straatjes vol met flanerende toeristen. Op de beroemde Piazza del Campo worden de voorbereidingen getroffen voor de jaarlijkse paardenraces in juli, waardoor de bewegingsruimte voor voetgangers nog verder ingeperkt wordt. Welgeteld heb ik al vier keer eerder in mijn leven Siena bezocht. Ik vraag me daarom af waarom daar zo nodig een vijfde keer bij moet komen. Na nog een blik te hebben geworpen op de eveneens beroemde kathedraal verlaat ik het centrum weer. Ook dat blijkt een puzzel, met dit verschil dat de straatjes nu steil naar beneden lopen. Soms ook niet te fietsen.
Ook na Siena zet het stereotype beeld van het Toscaanse landschap zich nog voort, met graanvelden, wijngaarden en cipressen. Gaandeweg worden de glooiingen steeds prominenter. Aan de horizon doemen alweer bergen op. Die zijn voor morgen, want even voorbij Casciano houd ik het vandaag voor gezien.
Op de camping zoek ik een plekje in de schaduw, op enige afstand van het drukbezochte zwembad. Na een paar koele dagen is de warmte weer teruggekeerd. Het is weekend, dus ook hier zijn de Italianen er weer massaal op uitgetrokken. Opvallend zijn de grote, op wespen gelijkende gele vliegen, die ook nog eens erg plakkerig zijn. Even wuiven met je hand helpt niet, je moet ze echt wegslaan. Gelukkig wordt ik niet gestoken. De krekels in de bomen rondom mijn tent maken een lawaai dat het een lieve lust is. Het is voor het eerst deze fietsvakantie dat ze zich zo massaal laten horen, een teken dat ik nu echt in zuidelijker streken ben aangekomen.
Maandag 26 juni: Casciano - Arcidosso (68 km)
Met het toenemen van de hoogtemeters nemen de dagafstanden af. Ook wel zo verstandig met dit warme weer. Om Rome te halen heb ik nog genoeg speling, dus een dag meer fietsen is geen probleem. En anders haal ik Rome maar niet, want indachtig een oude pelgrimswijsheid gaat het niet zozeer om de eindbestemming, maar om de weg ernaartoe.
Die weg ernaartoe is ook vandaag weer zeer de moeite waard, met mooie berglandschappen en pittoreske stadjes. Het eerste uur hangen de nevelslierten nog over de velden. In het tegenlicht van de ochtendzon is het een prachtig gezicht. Al gauw dient zich de eerste serieuze beklimming aan, naar het hooggelegen Montalcino. Dit door de Etrusken gestichte vestingstadje is tegenwoordig vooral bekend vanwege de wijnbouw. Voor een glas Brunello betaal je al gauw de hoofdprijs, vooral in het toeristische stadje zelf. Gezien het vroege uur waag ik me daar niet aan, maar ook de espresso blijkt hier twee keer zo duur te zijn dan elders.
Na een lange afdaling begint weer de volgende beklimming. Onveranderd blijft het berglandschap geweldig mooi, met afwisselend bossen, wijngaarden en velden met olijven. Daartussen fraai gelegen nederzettingen, sommige slechts bestaand uit enkele huizen. Het terracotta van de daken vormt een mooi contrast met het omliggende groen.
In één van die stadjes heb ik voor vannacht een kamer gereserveerd. Zoals de meeste stadjes is ook Arcidosso op een heuvel gebouwd, met een labyrint van steile straatjes. Het kost dan ook enige moeite om het adres van het pension te vinden, maar als ik er ben rijd ik er toch nog aan voorbij. Aan de buitenkant is er namelijk niets dat er op duidt dat zich hier een pension bevindt. Als ik een uur later naar het centrum loop is het eveneens zoeken geblazen. Soms moet ik weer terug, omdat een steeg dood blijkt te lopen. Ook binnen in het pension blijkt het een doolhof te zijn, met nauwe bochtige trapjes en gangetjes. Via een binnendeur is het bijbehorend restaurant bereikbaar, dat gevestigd in het naastgelegen pand. Mijn kamer is gelukkig top, met voldoende ruimte en alweer een airco.
Dinsdag 27 juni: Arcidosso - Montefiascone (92 km)
Met de pensionhouder heb ik gisteren afgesproken dat hij om zeven uur de deur van de schuur, waar mijn fiets is ondergebracht, voor mij open zal doen. Eigenlijk had ik al wat eerder willen vertrekken, maar dat werd toch wel erg vroeg voor hem. Vandaar dit compromis. Het aanbod voor een ontbijt bij een nabijgelegen bakker – als compensatie voor het gemiste ontbijt in het pension – sla ik af. Broodjes heb ik al op mijn kamer gegeten. Vandaag belooft het weer een warme dag te worden, daarom ga ik het liefst zo vroeg mogelijk op pad.
Door een oud vulkaanlandschap gaat het verder naar het zuiden. Geholpen door het vroege uur en de schaduwrijke bossen heb ik weinig last van de warmte. Onderweg weer tal van mooie stadjes, die als arendsnesten bovenop een heuvel liggen. In één daarvan, Castell’Azzara, neem ik een koffiepauze. Alle tafeltjes op het terras zijn bezet, maar ik kan aanschuiven bij een wat oudere man. We raken in gesprek en hij wijst me daarbij op allerlei bezienswaardigheden in Arcidosso. Tot zijn teleurstelling moet ik bekennen dat ik die allemaal niet gezien heb. Althans niet bewust. Het is een merkwaardige tegenstrijdigheid van fietsvakanties. Je komt op veel plaatsen en ziet dus eigenlijk heel veel, maar vaak zie je maar een fractie van die plaatsen zelf. Dat geldt min of meer ook voor het verderop gelegen Sorano, een fraai stadje met uit tufsteen opgetrokken huizen. De veertiende-eeuwse kathedraal en één van de Palazzo’s zijn echter moeilijk te missen.
De laatste beklimming van de dag eindigt op de kraterrand rondom het Lago di Bolsena, het grootste kratermeer van Europa. Tweehonderd meter lager ligt het water te schitteren in de zon. Na een ziedende afdaling bevind ik me even later al aan de oever van het meer. Tot aan de camping bij Montefiascone kan ik de weg langs de oever blijven volgen.
De camping ligt eveneens aan het meer. Nadat ik me heb geïnstalleerd, breng ik de rest van dag grotendeels door aan de waterkant. Aanvankelijk op mijn stoeltje in de schaduw van een boom, later op het terras van een restaurant even verderop. De ondergaande zon boven het meer is van een uitzonderlijke schoonheid.
Woensdag 28 juni: Montefiascone - Rome (119 km)
Montefiascone ligt bovenop de kraterwand aan de zuidoostkant van het Lago di Bolsena. Om er te komen dient er dus eerst weer geklommen te worden. Gaandeweg wordt het uitzicht op het meer steeds fraaier, al verhinderen de vele bomen er een mooie foto van te maken. Daarna gaat het vanzelfsprekend weer naar beneden, al gaat dat een stuk geleidelijker. Het is een landelijk gebied met veel weiden en bosschages. Vanuit de verte komt de Monte Cimino (ook al zo’n dode vulkaan) steeds dichterbij. De top steekt pontificaal boven de laaghangende wolken uit. Naarmate de ochtend vordert lossen die echter geleidelijk op. Op het moment dat ik de voet bereikt heb zijn ze helemaal verdwenen.
De top van de Monte Cimino ligt op ruim duizend meter hoogte. Tot boven zal ik echter niet geraken, want de route voert over de oostelijke helling tot bij Soriano, zeshonderd meter lager. Daar neem ik korte rustpauze. Een man een paar tafeltjes verderop zit voortdurend naar mij te loeren. Kennelijk is een fietser met bagage voor hem heel bijzonder. Het wordt dermate irritant dat ik iets ga verzitten, zodanig dat er een boom tussen ons in komt te staan.
Na Soriano gaat het weer een tijdlang naar beneden, tot aan Civita Castellana. Het land van de vulkanen heb ik daarmee definitief achter me gelaten. Ook gewone bergen zijn nergens meer te bekennen. Tot aan Rome zal het redelijk vlak blijven, op wat heuvels na. Landschappelijk niet bijster interessant, zeker niet na al het moois dat ik eerder deze tocht heb mogen ervaren. Als je naar Rome wilt, en dat wil ik, dan ontkom je er echter niet aan ook door dit gebied te rijden.
Onderhand begint het ook weer aardig warm te worden. Tegen het middaguur neem ik een lunchpauze op een bankje in een dorp, voor de winkel waar ik zojuist mijn inkopen heb gedaan. Op het terras aan de overkant van de weg zit alweer iemand naar mij te loeren. Nou moet het niet gekker worden. Je zou denken dat hier toch wel vaker fietsers langskomen op weg naar Rome, dus zo bijzonder is dat nou ook weer niet. Even later loopt hij naar mij toe en begint een praatje. Hij spreekt zijn waardering uit voor het feit dat ik hier helemaal vanuit Nederland naartoe ben gekomen. En passant roemt hij de mentaliteit van Nederlanders in het algemeen, die veel actiever in het leven staan dan de meeste van zijn landgenoten en waar dingen over het algemeen beter georganiseerd zijn. Zoals bijvoorbeeld op het gebied van de zorg. Zelf tobt hij al tijden met zijn heup. Vandaag kan hij dan eindelijk terecht in het ziekenhuis in Rome. De bus die hem daar naartoe brengt kan ieder moment langskomen. Bij het afscheid wenst hij me een goede reis en ik hem beter beterschap.
Naarmate ik dichter bij Rome kom wordt het steeds drukker op de weg. Om de ergste drukte te ontlopen zoekt de route in toenemende mate slecht verharde wegen op. Het laatste stuk is echter weer perfect. Dat voert over een vrij liggend fietspad langs de Tiber.
Camping Village Faminio ligt in een noordelijke buitenwijk van Rome, niet ver verwijderd van dat fietspad. Het is een vrij luxe camping, met een shuttlebus op het terrein en klassieke muziek in het toiletgebouw. En overal brandschoon. Alleen de mij toegemeten plaats is wat aan de krappe kant, zodat ik genoodzaakt ben mijn tent pal tegen de voortent van mijn campingburen aan te zetten. Gelukkig zijn het inschikkelijke mensen en hebben ze daar niet zoveel moeite mee. In een nabijgelegen supermarkt haal ik boodschappen voor de avondmaaltijd. Ondanks de nabijheid van een bruisende wereldstad zal ik vanavond zelf gaan koken. Het is een lange en warme fietsdag geweest en het centrum van Rome ligt nog zo’n tien kilometer verderop.
Donderdag 29 juni: Rome bekijken (25.130 stappen)
Wat doet een fietser nadat die na drie weken en ruim achttienhonderd kilometer eindelijk in Rome is aangekomen? Een welverdiende rustdag kan hij natuurlijk wel op zijn buik schrijven. De stad schreeuwt erom bekeken te worden. En anders wel al die mensen die er lucht van hebben gekregen dat hij hiernaartoe onderweg is. Ook hijzelf zou niet anders willen trouwens. Hoewel het ook de moderne pelgrim vooral gaat om de weg ernaartoe, kan de eindbestemming zelf uiteraard niet overgeslagen worden. Het zou het fundament onder zijn pelgrimage wegslaan, want dan wordt het een weg nergens naartoe.
Met een regionale trein rijd ik reeds om negen uur naar het centrum. Wat bij warm weer geldt voor het fietsen, geldt ook voor het wandelen: beter maar zoveel mogelijk profiteren van de relatief koele ochtenduren. De trein stopt vlakbij het Piazza del Popolo, aan de rand van het centrum. Op een terrasje bestel ik een dubbele espresso met een croissant en geniet van het uitzicht. Bij het afrekenen blijkt dat uitzicht duur te worden betaald. Waar normaal gesproken enkele euro’s volstaan voor een dergelijke bestelling, ben ik nu maar liefst zestien euro kwijt. De rest van mijn bezoek aan Rome kijk ik goed uit waar ik iets bestel. Bij voorkeur dus niet op toeristische plekken, maar in de wat rustiger straten en pleinen daar in de buurt.
In een halve dag bekijk ik te voet de meest gangbare bezienswaardigheden. In chronologische volgorde: Spaanse Trappen, Trevifontein, Panteon, Piazza Navona, Vaticaanstad en de Sint Pietersbasiliek, Piazza Venezia, Forum Romana en Colosseum. En de vele plekken daartussen, die ook zeer de moeite waard zijn. Bij de meeste bezienswaardigheden is het een drukte van belang, met toeristen uit alle windstreken. Ik hoor veel talen voorbij komen, maar het Amerikaans overheerst toch wel.
Ook op het plein voor de Sint Pietersbasiliek staan veel mensen. Pas nadat bij een checkpoint de bagage grondig is gecontroleerd, vergelijkbaar met de veiligheidscontrole op een vliegveld, mag men het plein op. Op een gegeven moment richten alle ogen zich op een gebouw rechts naast de basiliek. Daar is in een geopend venster de paus verschenen. Dat gebeurt niet elke dag, dus onbedoeld val ik met de neus in de boter. Vandaag is het de dag ter nagedachtenis van de marteldood van de apostelen Petrus en Paulus. Omdat zijn toespraak in het Italiaans is, krijg ik er weinig van mee. Ik meen even te horen dat hij zijn dank uitspreekt aan alle mensen die hier vandaag gekomen zijn. In het bijzonder de mensen uit Nederland die hier helemaal op de fiets naartoe gereden zijn. Alleen, waarom hebben jullie geen bloemen meegenomen?
Om drie uur ben ik weer terug op de camping. De rest van de dag breng ik afwisselend door bij de tent en het zwembad. Aan het eind van de middag arriveren diverse andere fietsers, zonder uitzondering Nederlanders. Ook voor hen is Rome het eindpunt.
Vrijdag 30 juni: Met de trein naar Tuoro
Via het fietspad langs de Tiber rijd ik richting centrum, tot aan de afslag naar Roma Termini. Daar stap ik op de trein naar Terontola. Een stuk sneller dan ik tijdens het fietsen gewend ben zie ik vanachter het raam het landschap aan me voorbij glijden. De trein volgt hoofdzakelijk het dal van de Tiber, een stuk oostelijker dan de door mij gevolgde route. Bepaald niet spectaculair. Het bevestigt de juistheid van mijn keuze om door de Toscaanse bergen te fietsen.
Onderweg stopt de trein een paar maal, waaronder in Orvieto en Chiusi. Bij het uitstappen zie ik regelmatig mensen hannesen om de deur open te krijgen. Een mevrouw krijgt de deur zelfs helemaal niet open en moet noodgedwongen een station verder uitstappen. Nauwlettend kijk ik toe hoe daar de conducteur voor haar de deur opent. In Terontola mag ik het zelf proberen en gelukkig gaat dat in één keer goed.
Omdat bij aankomst net een hevige onweersbui overtrekt, breng ik eerst een half uur door in de stationsrestauratie. Daarna wordt het gelukkig weer droog. Tot aan de camping in Tuoro is het nog tien kilometer. Morgenavond zal ik hier op de bus naar Nederland stappen. Vanaf het moment dat ik mijn tent heb opgezet begint het weer te onweren. Dit keer houd het maar liefst drie uren aan, uren die ik noodgedwongen liggend op mijn rug doorbreng in de tent. Te oordelen naar de korte tijdspanne tussen lichtflits en donder slaat de bliksem een paar maal vlakbij in.
Onder het motto ‘alles moet op’ gebruik ik de resterende ingrediënten in mijn fietstas voor het bereiden van mijn laatste pastamaaltijd. Die zouden anders toch maar in de afvalcontainer verdwijnen. Na een glas rode wijn in de campingbar lig ik al voor negen uur in mijn tent. Net op tijd, want een nieuwe serie onweersbuien dient zich alweer aan. Met het ritmisch getik van de regen op het tentdoek val ik vrijwel onmiddellijk in slaap.
Zaterdag 1 juli: Met de bus terug naar huis
’s Nachts wordt ik nog een paar maal wakker van het onweer. Bij het opstaan is het weliswaar droog, maar de lucht is betrokken. In vergelijking met de afgelopen week is het weer behoorlijk omgeslagen. Naast me staat een Belgisch stel dat vanavond ook met de bus terug zal gaan. In vier weken tijd zijn ze van hun huis in Dendermonde naar hier komen fietsen.
De camping ligt aan het meer. Op een bankje aan de waterkant breng ik een groot deel van de ochtend door. Vandaag maar eens een echte rustdag. Ik heb dan ook geen enkele behoefte om het twee kilometer verderop gelegen stadje te bekijken. Dat is echt teveel gevraagd. Nu ik eenmaal gestopt ben, weiger ik nog inspanningen te verrichten die niet strikt noodzakelijk zijn.
Het stel uit Dendermonde verlaat tegen een uur of twaalf de camping. Tot ziens bij de bus. Zelf ben ik van plan hier de hele middag nog te blijven. Na een tijdje ben ik de camping echter ook meer dan zat en volg het voorbeeld van mijn Vlaamse buren. Met de fiets rijd ik langzaam naar het centrum van Tuoro, maar halverwege heb ik alweer spijt dat ik niet lekker op de camping ben gebleven. Ik trek wat geld uit de muur, doe wat inkopen en keer dan weer terug naar het meer. Vlak naast de camping installeer ik me daar in de schaduw van een grote boom en geniet verder van het uitzicht. Laat de rest van de dag maar komen.
Een uur voor vertrek meld ik me op het parkeerterrein waar de bus zal vertrekken. Onder een afdak staat daar al een aantal andere fietsers te wachten. De meesten zijn van mijn leeftijd, langeafstandsfietsen is kennelijk vooral een aangelegenheid voor senioren. Midden op de parkeerplaats staat de bus. Vanmorgen is die aangekomen vanuit Nederland met een verse lading wielertoeristen. De chauffeurs zitten nog in het restaurant te eten, maar zullen weldra naar buiten komen. Om kwart over acht zijn alle fietsen ingeladen en vertrekken we voor een busreis van ruim twintig uur. Ik weet nu al dat ik in die twintig uur waarschijnlijk geen oog dicht zal doen.