2024 Montañas y mesetas
2024 Montañas y mesetas
Andalucia / Extremadura
0. Sevilla
1. Almaden de la Plata
2. Zafra
3. Merida
4. Trujillo
5. Guadalupe
Castilla-La-Mancha / Madrid
6. Cazalegas
7. Pelayos de la Presa
8. Cercedilla
Castilla-y-Leon
9. Coca
10. Peñafiel
11. Ucero
12. Soria
La Rioja / Navarra
13. Calahorra
14. Pamplona (rustdag)
15. St-Jean-Pied-de-Port
Aquitaine (Frankrijk)
16. Oloron-Sainte-Marie
17. Pau
18. Castéra-Verduzan
19. Verteuil-d’Agenais
20. Bergerac
Donderdag 2 mei: Sevilla – Almadén de la Plata (75 km)
Het loopt al tegen twaalven wanneer ik het vliegveld van Sevilla verlaat en aan mijn eerste fietsdag begin. Anderhalf uur geleden ben ik hier geland, maar het kostte me ruim een uur om mijn fiets weer rijklaar te maken. Vanwege de eis dat de ingepakte fiets niet meer dan drieëntwintig kilogram mocht wegen, heb ik er nogal wat onderdelen af moeten halen en bij de rest van mijn bagage moeten stoppen. Meer dan anders, omdat ik voor het eerst een fietsdoos in plaats van een fietshoes heb gebruikt en die doos weegt alleen al zes kilo.
Maar goed, ik ben op weg. Na de prachtige fietstocht van Gerona naar Malaga twee jaar geleden, heb ik de smaak van Spanje te pakken gekregen. Het Spanje met zijn ruige berglandschappen, de weidse en verlaten hoogvlaktes, de monumentale steden en pittoreske dorpen, de rijke historie met daarin een prominente plaats voor het Moorse verleden en de daarop volgende ‘reconquista’, de staccato en in hoog tempo uitgesproken taal, en ga zo maar door. Ik begin de liefde van Cees Nooteboom voor Spanje steeds beter te begrijpen en ook zijn boeken daarover steeds meer te waarderen.
Deze keer gaat de tocht van Sevilla naar Pamplona voor wat betreft het Spaanse deel. Ik volg daarbij de Ruta Iberica van Paul Benjaminse. Daarna hoop ik het nog door te trekken over de Pyreneeën heen naar Bergerac in Frankrijk. Vanaf daar vlieg ik dan weer terug. Maar daar wil ik nu nog helemaal niet aan denken. Het is meer ter informatie aan u, mijn dierbare lezer. Al is het maar om aan het einde van het verhaal te kunnen constateren of ik al dan niet in die opzet geslaagd ben.
Ondanks haar nabijheid laat ik Sevilla deze keer aan mij voorbijgaan. Zes jaar geleden ben ik daar tijdens een andere fietsvakantie twee dagen geweest en heb toen de belangrijkste bezienswaardigheden wel gezien. Met behulp van Google Maps heb ik thuis geprobeerd een zo rustig mogelijke route te vinden vanaf het vliegveld naar een punt ergens op de Ruta Iberica. Die route voert me langs de rafelranden van de stad ten noorden van Sevilla, een rommelig buitengebied met slecht onderhouden huizen en bedrijfsgebouwen waarvan vaak niet duidelijk is om wat voor bedrijvigheid het gaat. Afgezien van de deels onverharde wegen vlakbij het vliegveld, blijkt het overal een stuk drukker te zijn dan me op Google Streetview werd voorgespiegeld. Vermoedelijk zijn de opnamen gemaakt op een vroege zondagochtend, wat toch een wereld van verschil is met een doordeweekse donderdagmiddag.
Na dertig kilometer wordt het eindelijk wat rustiger, ook al rijd ik voortdurend op brede doorgaande wegen. Het landschap wordt glooiender en het duurt niet lang meer of de eerste heuvels dienen zich aan. Het is het begin van de Siërra Moreno. Spectaculair is het allemaal niet, maar de rust vergoed veel. Ik herken sommige plekken van mijn vorige fietstocht, al reed ik toen in omgekeerde richting. Na de zoveelste heuvel begint de vermoeidheid toe te slaan. Het feit dat ik vanmorgen al om halfvier ben opgestaan zal daar ongetwijfeld debet aan zijn. Daar komt bij dat ik er de eerste dagen altijd wat in moet komen, al helemaal als er substantieel geklommen moet worden.
De laatste kilometers naar Almadén de la Plata gaan gelukkig weer lichtjes naar beneden. De ontvangst in het vooraf gereserveerde hotel is hartelijk. De fiets kan ik veilig stallen op de patio, naast de fietsen van een paar collega fietsers. ’s Avonds wordt er zelfs een maaltijd geserveerd, waarbij ik de keuze heb tussen een eenvoudige en heel eenvoudige (want pelgrims-) maaltijd.
Vrijdag 3 mei: Almadén de la Plata - Zafra (86 km)
Net zoals naar Rome leiden er ook vele wegen naar Santiago de Compostella. Met name dan pelgrimswegen. Eén van die wegen is de Via de la Plata, ofwel de Zilverroute. Deze pelgrimsroute loopt van Sevilla naar Santiago. De naam van de route komt terug in diverse plaatsnamen onderweg, waaronder dus Almadén de la Plata. Gisteren heb ik behoudens de fietsers in het hotel geen anders bepakte fietsers of wandelaars gezien. Vandaag is dat wel anders.
De eerste helft van de dag gaat door een bosrijk en heuvelachtig gebied. De vele kurkeiken staan op gepaste onderlinge afstand, om zo elkaar genoeg water te gunnen tijdens de droge maanden. Daartussen grasland waar zo nu en dan koeien, schapen en geiten lopen te grazen. Eenmaal zelfs een paard, die een tijdje luid hinnikend met me mee draaft, blij dat die is dat er iemand voorbij komt. Wanneer hij de rand van zijn met een stenen muur begrensde territorium heeft bereikt, blijft hij me nog een tijdje nakijken.
Bijzonder mooi is het op een gravelpad voorbij El Real de la Jara. Zo nu en dan rijd ik hier een wandelaar achterop, waarschijnlijk pelgrims op weg naar Santiago. Op een gegeven moment zie ik op de top van een heuvel een kudde koeien staan. In het zonlicht contrasteert de roestbruine kleur van hun vacht prachtig met het weelderige groen van de omgeving. Ze zijn nog te ver om er een mooie foto van te kunnen maken, maar hopelijk lukt het iets verderop wel. Die kans lijkt echter verkeken wanneer de kudde zich in beweging zet en naar beneden loopt. Ze zijn een tijdje uit zicht verdwenen, totdat ik ze voorbij een bocht ineens recht in het gezicht kijk. Ze komen met zijn allen recht op me af! Het zijn er wel honderd en de meeste hebben vervaarlijke horens. Al snel hebben ze mij ook in de gaten. Wanneer ze dichterbij komen beginnen de voorste onrustig te snuiven en rare bokkesprongen te maken. Vanwege de stenen muurtjes aan weerszijden is het onmogelijk het pad te verlaten. Ik stel me daarom op links van de weg, met de fiets tussen mijzelf en de passerende koeien. Gelukkig blijken de koeien banger te zijn voor mij dan ik voor hen. De meesten lopen voorbij aan de andere kant van de weg. Een enkeling doet echter een paar passen in mijn richting en kijkt me daarbij nieuwsgierig aan. Maar vervolgens verkiezen ook zij het om gewoon door te lopen. De stoet wordt afgesloten door een heuse cowboy te paard, die me in het voorbijgaan vriendelijk groet. Buen camino!
Het gravelpad eindigt bij een hotel aan de snelweg van Sevilla naar Merida, hetzelfde hotel waar Nanco en ik zes jaar geleden hebben overnacht. Aangezien het meeste verkeer over deze snelweg gaat, is het op de parallel daaraan lopende N630 bijzonder rustig. Een tijdlang rijd ik op met een Vlaming van ongeveer mijn leeftijd. Hij is een paar weken terug in Valencia begonnen en is via onder andere Granada en Sevilla nu op weg naar Santiago. In Sevilla heeft hij een paar dagen oponthoud gehad vanwege een gescheurde buitenband. Vandaar dat hij nu probeert de opgelopen achterstand in te halen en vandaag nog Merida te bereiken. Bij mij staat die stad pas voor morgen op het programma. We wisselen nog wat ervaringen uit, zoals bijvoorbeeld zijn fietstocht naar Cairo via de Balkan en Turkije. Veiligheidshalve heeft hij daarbij het door oorlogsgeweld verscheurde Syrië vermeden door vanaf Cyprus de boot naar Israël te nemen. Na een kwartier gaan we weer apart verder.
Bij Monesterio verruil ik de N630 voor een reeks kleinere wegen ten westen daarvan. Het landschap is hier totaal anders dan tijdens het eerste deel van de dag. Heuvels zijn er nog steeds, maar de bomen ontbreken. Dat levert prachtige weidse uitzichten op. Ook zijn er hier wat meer stadjes, met van die typische smalle straatjes omsloten door witte huizen en een kerk in het midden.
In Zafra heb ik een kamer geboekt in hostel Arias. Bij aankomst blijkt het een soort chauffeurscafé te zijn. Op de parkeerplaats staat een handvol vrachtauto’s en het terras zit vol met luidruchtig drinkende en rokende mannen. Ook de hoteleigenaar is niet bepaald een fijnbesnaard type. Over de ruime kamer heb ik echter niet te klagen, met een schone badkamer en voldoende afstand tot het cafégedeelte.
Tegen zes uur loop ik naar het centrum. Heel bijzonder is dat het niet, maar het Plaza Mayor is wel een gezellige plek om een glas bier te drinken. Omdat dit Spanje is, zal ik nog tot halfnegen moeten wachten om ergens te gaan eten. Voor het opladen van mijn telefoon ga ik weer even terug naar het hostel. Bij het weggaan vraag ik voor de zekerheid of ik de menukaart kan inzien. Aanvankelijk kan ik niets van mijn gading vinden. De mensen achter de bar kijken nogal teleurgesteld, maar geven me daarna nog een andere kaart. Dat ziet er al iets beter uit en omdat de mannen me verwachtingsvol blijven aankijken, besluit ik om toch maar hier te gaan eten. Uiteindelijk valt me het niet tegen. Als je moe en hongerig bent smaakt eigen alles wel.
Zaterdag 4 mei: Zafra - Merida (76 km)
Na het ontbijt in de eetzaal stap ik weer op de fiets. Het weidse landschap van gisteren zet zich vandaag voort, met dit verschil dat de met grassen begroeide woeste gronden hebben plaatsgemaakt voor uitgestrekte arealen met olijfbomen en wijnstokken, laag genoeg om nog steeds ongehinderd zicht op de omgeving te kunnen houden. Opvallend is de rook die op tal van plaatsen boven de velden hangt, veroorzaakt door het verbranden van hout en ander afval. Op iets grotere hoogte leidt dat soms tot dunne langwerpige wolken, evenwijdig aan de windrichting.
De wind komt uit het zuidwesten, dus ik heb die schuin in de rug. Gevoegd bij het feit dat de weg vandaag per saldo naar beneden gaat, gaat het fietsen me vandaag een stuk beter af. Daarbij speelt uiteraard ook mee dat ik zo langzamerhand in mijn ritme begin te komen.
Halverwege de middag ben ik al in Merida. Dat geeft me de tijd om eindelijk op zoek te gaan naar een tankje met campinggas. Omdat ik vandaag van plan ben te gaan kamperen, kan ik de aankoop daarvan niet langer uitstellen. Vanwege explosiegevaar was het niet toegestaan een gastankje mee te nemen in het vliegtuig. Na enkele vergeefse pogingen vind ik er één in het schap van de Decathlon.
De camping ligt een paar kilometer ten noordoosten van de stad. Omdat ik voorzie dat ik straks geen zin meer heb om naar het centrum terug te gaan, besluit ik met de fiets aan de hand het historische centrum te bekijken. Die historie gaat terug tot de tijd van de Romeinen. Ik durf het echter niet aan om fiets met bagage langdurig ergens te parkeren, zodat een bezoek aan het amfitheater helaas achterwege blijft. Ik moet het daarom doen met de foto’s op het internet.
Het verblijf op de camping is heerlijk ontspannen. Het scheelt wel dat ik redelijk op tijd ben en het ook wat warmer is dan de afgelopen dagen. Op mijn gemak kan ik zo mijn fietskleding een keer wassen, mijn dagboek bijwerken, in de bar een glas bier drinken en een eigen potje koken. De pastamaaltijd smaakt me stukken beter dan het eten dat ik tot dusverre in restaurants voorgeschoteld heb gekregen. Tijdens fietsvakanties gaat toch niets boven kamperen.
Zondag 5 mei: Merida – Trujillo (94 km)
Op een paar van huis meegenomen energierepen na heb ik niets meer te eten bij me. Mijn eerste doel is daarom ergens wat brood te kopen. In het eerste stadje dat ik tegenkom is de bakker nog niet open, zo begrijp ik uit de gebarentaal van een oudere man die met zijn hondje bezig is met zijn zondagochtendwandeling (hoofd schudden, een wijsvinger die op zijn horloge een halve cirkel maakt). Onderwijl blijft het hondje maar tegen me keffen, alsof hij de gebaren van zijn baas voor mij wil vertalen. Even verderop staan een paar mannen voor een bar te wachten. Ik sta er even stil en zoek op mijn telefoon naar supermarkten in de buurt. In het volgende stadje blijkt er één te zijn die binnenkort open gaat. Intussen komt de wandelaar met zijn hondje er weer aangelopen. Zodra het hondje mij ziet begint die weer te keffen. Voordat de man zich bij de andere mannen voegt, wenst hij me nog een goede reis.
Wanneer ik voor de bewuste supermarkt sta blijkt die - in tegenspraak met de door Google Maps aangedragen informatie - toch gesloten te zijn. Net op dat moment wordt ik gebeld door Alex, mijn kleinzoon van zeven. Hij wil me iets vertellen over het computerspelletje waar hij juist mee bezig is. Hoewel ik mijn oprechte belangstelling toon, realiseert hij zich al snel dat zijn telefoontje ongelegen komt. Opa is immers aan het fietsen in Spanje. Ik beloof hem vanavond wel terug te bellen. In een bar-restaurant even verderop weet ik dan eindelijk een ‘bocadillo con queso’ te bemachtigen, een half stokbrood rijkelijk belegd met geitenkaas. Niet van die zuinige Nederlandse plakjes van amper een millimeter dik, maar van minstens een halve centimeter. Zonder zorgen om vandaag zonder eten te komen zitten kan ik aan de rest van de dag beginnen.
Bij Merida ben ik gisteren de Guadiana overgestoken, een rivier die ontspringt zo’n honderd kilometer ten zuiden van Toledo, eerst honderden kilometers naar het westen stroomt om vervolgens bij Badajoz af te buigen naar het zuiden, min of meer de grens met buurland Portugal volgend. De Guadiana krijg ik vandaag niet te zien, maar haar nabijheid is goed merkbaar aan tal van irrigatiewerken. Een prominente plaats wordt daarbij ingenomen door het Canal de Orellana. Over het naastgelegen asfaltweggetje volg ik ruim dertig kilometer lang dit kanaal. Het is er bijzonder rustig, de andere verkeersdeelnemers zijn op de vingers van één hand te tellen. Waar in Nederland de kanalen op een enkele flauwe bocht na kaarsrecht zijn, is dit kanaal kronkeliger dan menig Nederlandse rivier. Dat komt omdat het kanaal de hoogtelijnen in het landschap volgt, om zo het verval zo klein mogelijk te houden. Op diverse plaatsen zijn er aftappunten waar het water vanuit het kanaal de vele irrigatiegoten in wordt geleid.
Na het kanaal keer ik weer terug in de bewoonde wereld, een goed moment voor een koffiepauze. Het restant van het broodje kaas wordt daarbij met smaak verorberd. Met het kanaal heb ik ook de tientallen kilometers brede vlakte van de Guadiana achter me gelaten. Het wordt weer heuvelachtiger en ook de typische graslanden met eikenbomen van de eerste dagen keren weer terug. Ook kom ik weer een kudde koeien tegen, maar deze staan rustig te grazen in een degelijk omheind weiland. De laatste twintig kilometer tot aan Trujillo gaan weer lichtjes naar beneden. Mede dankzij een stevige rugwind heb ik die in mum van tijd afgelegd.
Trujillo ligt niet op de hoofdroute van de Ruta Iberica, maar de omweg blijkt de moeite meer dan waard. In het centrum is het vergeven van de toeristen. Het zijn er zoveel, dat ik slechts te voet het voor vanavond gereserveerde hostel kan bereiken. Nadat ik me heb geïnstalleerd begin ik aan een stadswandeling. Vooral de bovenstad is erg mooi, met het kasteel en een prachtig uitzicht op de iets lager gelegen binnenstad. Alleen jammer dat het zicht op de historische gebouwen aan het Plaza Mayor nogal belemmerd wordt door de vele marktkraampjes.
Maandag 6 mei: Trujillo – Guadalupe (80 km)
Onder een grijze hemel verlaat ik de stad in oostelijke richting. Op de doorgaande weg zijn weliswaar niet veel auto’s, maar ze rijden wel hard. Daaronder ook diverse vrachtauto’s, die na hun afwezigheid tijdens het weekend weer zijn teruggekeerd. Ik ben dan ook blij dat ik na tien kilometer deze weg bij Madroñera weer kan verlaten. Daar sla ik bij de plaatselijk supermarkt proviand in voor de rest van de dag, inclusief het avondeten. In het voorliggende gebied zal ik nog maar weinig stadjes tegenkomen, dan kun je maar beter alles in je fietstas hebben zitten.
Voorbij Madroñera trek ik de bergen van natuurpark Villecuercas in. Weliswaar is het geen hooggebergte, maar de heuvels die ik tot dusverre heb gehad stellen in vergelijking met de bergen van vandaag weinig voor. Het is hier bovendien geen meter vlak. Of ik ben stevig aan het klimmen of ik rijd met een flinke vaart weer naar beneden. Daardoor heb ik nauwelijks kans om mijn bidon te pakken om wat te drinken, tenzij ik speciaal daarvoor even stop. Regelmatig combineer ik dat met het maken van een foto, want ondanks het grauwe weer is er nog voldoende moois te zien.
Op de hogere delen is de laaghangende bewolking vervangen door mist. Ofwel, ik rijd daar door de wolken. Of ik me daardoor ook in de wolken voel, is wat anders. Het uitzicht op de omgeving is er beperkt tot de berm en de eerste rij bomen van het bos ernaast. Hoewel er bijna geen verkeer is, acht ik het toch raadzaam mijn fietslamp aan te zetten. Af en toe begint het licht te regenen, te weinig echter om daarvoor mijn regenjas tevoorschijn te halen.
Naarmate de dag vordert klaart het overigens steeds meer op, al valt er soms toch ook nog wel een bui. Zo ook tijdens mijn lunchpauze ergens in een dorpje onderweg. Ik heb me net genesteld op een bankje op het dorpsplein, of het begint weer te regenen. Diverse met paraplu bewapende voorbijgangers wijzen me erop dat ik ook kan schuilen in het voorportaal van het gemeentehuis. Op de daar aanwezig stenen richels zitten al een paar oude mannen rustig met elkaar te keuvelen, onderwijl nieuwsgierige blikken werpend op de fietser die ineens hun dorp is binnengereden. Ik maak een gebaar dat het waarschijnlijk niet lang zal duren en dat de boom waar ik onder zit mij zolang wel droog zal houden.
Bijna een kwart eeuw geleden heb ik ook al eens een fietstocht gemaakt door Spanje, als onderdeel van een veel langere tocht van Portugal naar Griekenland. Ik deed daarbij onder andere Guadalupe aan. Destijds heb ik vanwege het slechte weer de avond vooral in mijn tent doorgebracht en heb dus niets van het stadje kunnen zien. Al bij de voorbereiding van deze fietsvakantie heb ik me voorgenomen om dat niet nog eens te laten gebeuren. Aan het einde van de middag rijd ik vanaf de camping heen en weer naar het een paar kilometer verderop gelegen stadje. Het is zeer de moeite waard, met als blikvanger het imposante klooster. Dat klooster is hier in de veertiende eeuw gebouwd op de plaats waar een zwart beeldje van Maria werd gevonden, nadat die tijdens de Moorse overheersing eeuwenlang zoek was geweest. Volgens de legende was het Maria zelf die aan de vinder was verschenen en hem had verteld waar het beeldje zich bevond. Vanwege deze Zwarte Madonna is Guadalupe sindsdien uitgegroeid tot een belangrijk bedevaartsoord.
Dinsdag 7 mei: Guadalupe – Cazalegas (115 km)
Omdat het in deze tijd van het jaar al vroeg licht wordt, ben ik meestal ook al vroeg wakker. En als ik niet wakker wordt van het licht, dan toch wel van het gekwetter van de vogels. Deze ochtend laten de vogels meer dan anders van zich horen. Ongetwijfeld heeft dat ook te maken met de vele bomen op de camping. De nachtegaal doet zijn naam eer aan door zich als één van de eersten te melden. Dankzij mijn onvolprezen app Merlin Bird herken ik ook het kenmerkende geluid van de wielewaal en een tiental andere vogelsoorten. Zoveel heb ik er nog niet eerder bij elkaar gehoord deze vakantie. De afgelopen dagen heb ik ook onderweg al diverse malen geluidsopnames gemaakt. Daarop waren enkele voor mij onbekende vogels te horen, zoals de hop, de grauwe gors en de graszanger. En een paar keer zelfs een kanarie, die hier kennelijk gewoon in de vrije natuur voorkomt. Naast het fotograferen heb ik er zo een nieuwe hobby bijgekregen. Alleen jammer dat lang niet alle vogels die zich laten horen zich ook laten zien. Niet voor niets zegt men wel eens: vogels kijken doe je vooral met je oren.
Onder een wolkeloze hemel vervolg ik mijn tocht door natuurpark Villecuercas. In het zonlicht liggen de bergen er fantastisch bij. Na dertig kilometer bereik ik het hoogste punt van de dag, op de grens tussen Extremadura en Castilla-La-Mancha. Ongeveer vanaf daar volgt de route tientallen kilometers lang een voormalige spoorlijn (de Via Verde de la Jara). Heel geleidelijk voert die me weer een stuk naar beneden, naar uiteindelijk het dal van de Taag. De waarschuwing in het routeboekje dat het gravelpad op sommige plaatsen slecht begaanbaar zou zijn lijkt wat overdreven. Overal kan ik redelijk blijven fietsen, al blijft het opletten op de oneffenheden in het wegdek. Aan weerszijden glijden prachtige landschappen aan me voorbij. Regelmatig verdwijnt het fietspad in een tunnel. De meeste zijn niet erg lang en bovendien goed verlicht. Bij sommige vliegen de vleermuizen verschrikt op, wreed gestoord in hun middagslaap. Het zijn zo’n beetje de enige levende wezens die ik tegenkom onderweg. Op een gegeven moment rijd ik dan toch een andere fietser achterop. Of zou het een wandelaar zijn, want hij lijkt niet erg snel te gaan. Wanneer ik bij hem ben vertelt hij me dat zijn achteras is gebroken en daarom niet meer kan fietsen. Helaas kan ik hem niet helpen, maar gelukkig hoeft hij niet meer ver te lopen.
Nog op de via verde steek ik de Taag over. Na de Gualdaquivir (bij Sevilla), de Guadiana (bij Merida) is dit al de derde grote rivier in Spanje die ik passeer. Een tijdlang blijf ik door het brede dal van de Taag rijden. In verte doemen boven het vlakke land alweer nieuwe bergen op. Die zijn echter voor morgen, want de bestemming voor vandaag is een camping aan een stuwmeer even voorbij Talavera.
De laatste dertig kilometer tot aan Talavera voeren me langs een saaie rechte asfaltweg met redelijk wat autoverkeer. Een groter contrast met de dertig kilometer daarvoor is nauwelijks denkbaar. Talavera zelf is nauwelijks de moeite waard. Alleen in een buitenwijk stop ik even bij een supermarkt om wat proviand in te slaan.
Via deels onverharde wegen weet ik halverwege de middag de camping te bereiken. Aanvankelijk rijd ik er nog aan voorbij, in de veronderstelling dat de camping links van de weg aan het meer ligt. Weliswaar heb ik het restaurant aan de rechterkant wel opgemerkt, maar het is niet bij me opgekomen dat daarachter weleens een camping zou kunnen liggen. Nadat ik me geïnstalleerd heb neem ik plaats op het terras voor het restaurant. Onder het genot van een grande cerveza kijk ik met een voldaan gevoel terug op alweer een prachtige fietsdag.
Woensdag 8 mei: Cazalegas – Pelayos de la Presa (68 km)
Om bij de camping te komen ben ik gisteren een stuk van de route afgeweken. Het is daarom zaak eerst weer op de route te geraken. Al vrij in het begin wordt ik geconfronteerd met een stevige klim van ruim acht kilometer. Het zet de toon voor de rest van de dag, waarbij het een voortdurend klimmen en dalen is. Niet echt bevorderlijk voor de moraal is dat het hoogteprofiel van mijn GPS-track niet overal blijkt te kloppen. Op een gegeven moment denk ik de top van een beklimming bereikt te hebben, waarna de weg nog een aantal kilometers door blijft stijgen.
Het landschap is overigens wel weer prachtig. Het is vrij bosrijk met voldoende open stukken om goed zicht te kunnen houden op de omgeving. Op een gegeven moment kom ik door een stuk bos bezaaid met enorme rotsblokken. Te midden daarvan bevindt zich een steengroeve. Dat moet iets met die rotsen te maken hebben. Onwillekeurig gaan mijn gedachten uit naar een Obelix die hier zijn menhirs uitgraaft. Tussen de rotsbodem en de boomkruinen door tekent zich in de verte een blauwgrijze hemel af. Ook even verderop blijft het uitzicht fantastisch.
Pelayos de la Presa ligt in het dal van de Rio Alberche. De laatste kilometers gaan daarom weer naar beneden. Aanvankelijk heb ik nog overwogen om vandaag door te fietsen naar Valdemaqueda, vijfentwintig kilometer verderop. Dat zou betekenen dat ik na Pelayos nog weer veel zou moeten klimmen, in de warmte en over een weg met waarschijnlijk redelijk wat verkeer. Nee, dan liever vandaag een wat kortere dag.
Op de camping zijn helaas alle kampeerplaatsen bezet. Gelukkig mag ik mijn tent opzetten naast een leegstaande bungalow. Veel volk loopt er overigens niet rond, kennelijk komen de meeste mensen alleen in de weekenden. Wel staan er een paar andere fietsers. Het is een stel uit Engeland dat met hun zoontje van drie bezig is met een fietstocht van Valencia terug naar huis. Daar hebben ze een paar maanden voor uitgetrokken. Ik moet onmiddellijk denken aan mijn kleinzoon Victor, die ook drie is. Het lijkt me een hele opgave om met zo’n jong kind zo lang onderweg te zijn. Zou dat kind zijn vriendjes niet missen? Ze geven echter aan dat hij zich heel goed houdt.
Het centrum ligt op twintig minuten lopen van de camping. Die twintig minuten door de brandende zon vallen me haast zwaarder dan een dag fietsen. In het stadje is weinig te beleven, maar gelukkig vind ik nog een geopende bar. Na een oriëntatie op de lokale restaurants besluit ik om vanavond andermaal voor een eigenbereide pastahap te gaan. De getoonde vleesgerechten op het internet wekken bij mij alleen maar weerzin op. Bovendien heb ik geen zin om nog tot halfnegen te wachten.
Donderdag 9 mei: Pelayos de la Presa – Cercedilla (72 km)
Afgelopen najaar heeft het veel geregend in deze regio, waardoor veel onverharde paden onbegaanbaar zijn geworden. Dat geldt ook voor delen van de route naar El Escorial. Omdat er in de laatste maanden in dit deel van Spanje weinig neerslag is gevallen, besluit ik het er toch op te wagen. Het alternatief is de doorgaande weg naar El Escorial, de weg die ik gisteren sowieso had moeten nemen wanneer ik was doorgefietst naar Valdemaqueda.
De eerste kilometers gaan nog wel over die weg. Afgeleid door het drukke verkeer rijd ik nog bijna de afslag naar het onverharde pad langs de Rio Alberche voorbij. Eenmaal op dat pad treedt een weldadige rust in. Behoudens enkele waterplassen die ik met gemak kan omzeilen, is er nergens meer sprake van wateroverlast. Het riviertje stroomt enkele meters lager rustig door haar bedding. Na een brug begint aan de overkant de beklimming waarvoor het routeboekje al heeft gewaarschuwd. De meeste fietsers zullen hier moeten lopen, zo is de verwachting. Behoudens de eerste twintig meter na een fotostop, op een bijzonder steil en slecht stuk waar ik moeilijk weer op gang kan komen, kan ik echter overal in het zadel blijven zitten.
Daarna volgen overwegend goed geasfalteerde wegen over een glooiend, maar per saldo licht oplopend terrein. Het volgende onverharde stuk is vlak voor El Escorial. De weg is hier zo mogelijk nog slechter. Op sommige plaatsen is goed te zien dat de overvloedige regenval van afgelopen najaar hier zijn sporen heeft nagelaten. Veel bodemmateriaal is weggespoeld, waardoor de stenige en ongelijke ondergrond op diverse plaatsen bloot is komen te liggen.
El Escorial staat vooral bekend vanwege het enorme kloosterpaleis. Vanaf een uitzichtpunt ten zuiden van de stad is het van afstand al goed te zien. Dichterbij blijkt het wat lastiger om er een goed beeld van te krijgen vanwege een metershoge muur rondom het complex. Ten einde raad zet ik op een gegeven moment mijn fiets maar tegen die muur aan en klim er bovenop om er toch nog een foto van te kunnen nemen. Ik had natuurlijk ook een entreekaartje kunnen kopen, maar eerder heb ik al uitgelegd dat ik er weinig voor voel om mijn fiets met bagage lange tijd onbeheerd achter te laten.
Ook na El Escorial blijft de route de onverharde paden opzoeken. Wat dat betreft doet de nabijheid van Madrid zich gelden. In een poging de ergste drukte te ontlopen, heeft de routemaker kennelijk moeten uitwijken naar dit soort wegen. Af en toe lopen die over privaat terrein, dat steevast is afgesloten met een hek. Het is weliswaar toegestaan om hier te passeren, maar men wordt wel geacht de hekken weer netjes te sluiten. Dit om te voorkomen dat de koeien weglopen. Het eerste hek krijg ik echter al niet open, omdat het stevig is vastgemaakt met ijzerdraad. Zou de eigenaar genoeg hebben van al die fietsers en wandelaars die de rust van zijn vee komen verstoren? Ik ben zo vrij om met een combinatietang het ijzerdraad door te knippen (toch goed dat ik die nog meegenomen heb). Na het passeren van het hek wikkel ik het ijzerdraad weer terug op de plaats waar het gezeten heeft, maar wel zodanig dat de volgende passant het weer gemakkelijk los kan maken. Regelmatig kom ik een kudde grazende koeien tegen. Ze doen echter geen vlieg kwaad, zelfs niet de vliegen die in grote zwermen om hen heen vliegen. Op sommige plaatsen liggen er kniediepe plassen, waar ik alleen dankzij provisorisch neergelegde balken en stenen droge voeten kan houden.
Vanwege het ontbreken van campings in deze regio heb ik voor vannacht een kamer gereserveerd in Cercedilla, een stadje aan de voet van de bergen. De laatste tien kilometers lopen via een brede asfaltweg al lichtjes omhoog.
Vrijdag 10 mei: Cercedilla – Coca (99 km)
De Spaanse hoogvlakte wordt in tweeën gedeeld door het Castiliaans Scheidingsgebergte. Vanaf het vertrek kan ik gelijk aan de bak met een beklimming van ruim tien kilometer, met een gemiddelde stijgingspercentage van zeven procent. Regelmatig wordt echter de tien procent aangetipt of zelfs overschreden. Vanwege de inspanning heb ik nauwelijks oog voor de omgeving. De focus is om de top te halen en wel zodanig dat ik niet helemaal kapot kom te zitten. Van die omgeving is overigens sowieso weinig te zien door de overal aanwezige bomen. Het gaat boven verwachting goed, ook de verkeersdrukte valt reuze mee. Met slechts één korte stop voor een plaspauze bereik ik de top op ruim achttienhonderd meter. Ook daar geen mooi uitzicht. Het doet nog het meest denken aan een wintersportplaats buiten het seizoen, met enkele hotels en vrijwel lege parkeerplaatsen.
Daarna gaat het bijna dertig kilometer naar beneden, eerst snel en daarna wat geleidelijker, tot aan de buitenwijken van Segovia. Segovia kent tal van monumenten, waaronder het aquaduct en de kathedraal. Dat trekt natuurlijk veel toeristen. Ruim een uur breng ik in die drukte door, daarna ben ik blij dat ik weer weg mag. Fietsen en steden bekijken laten zich maar moeilijk combineren, tenzij je in de betreffende stad gaat overnachten. Het laat onverlet dat Segovia een prachtige stad is.
Bij Segovia begint de noordelijke helft van de Spaanse hoogvlakte. Van de zuidelijke helft heb ik weinig gemerkt de afgelopen dagen, die bevindt zich kennelijk wat oostelijker van waar ik heb gereden. Vlak is hier ook echt vlak, wat nog eens wordt geaccentueerd door de leegheid van het gebied. Bijna veertig kilometer lang volg ik een via verde, aanvankelijk langs eindeloze graanvelden en later met wat meer bos.
Nog vrij in het begin rijd ik een wandelaar achterop. Wanneer ik hem passeer houd hij me staande en vraagt of hij even met mijn telefoon mag bellen. Hij is gevallen met het hardlopen en heeft daarbij zijn enkel verstuikt. Hij toont me de dikke bult op het gekwetste gewricht. Na wat mislukte pogingen (kennelijk moet je met een Nederlandse telefoon in Spanje toch eerst de juiste internationale toegangsnummers invoeren) krijgt hij zijn vader aan de lijn. Die zal hem met de auto komen ophalen.
Een paar kilometer buiten Coca sta ik voor het gesloten hek van de camping. Kennelijk is het kampeerseizoen hier nog niet begonnen. Even overweeg ik om op de naastgelegen picknickplaats te overnachten, maar het vooruitzicht van geen douche, geen water en een waarschijnlijk onrustige nacht doen me besluiten toch maar een kamer te boeken in het centrum. Dat is geen verkeerde keuze, want de kamer is goed en de gastvrouw aardig. Ik mag zelfs mijn fietskleren te drogen hangen in de achtertuin, nadat zij daar eerst haar eigen wasgoed heeft afgehaald.
De grote trekpleister van Coca is het immense geheel uit baksteen opgetrokken kasteel. Het staat in geen verhouding tot de rest van het betrekkelijk kleine stadje. ’s Avonds eet ik in een restaurant op steenworp afstand van het kasteel. Terwijl ik de ossenhaas met smaak naar binnen werk, kijk ik met een half oog op mijn telefoon naar een wedstrijd van FC Groningen. Die weet het met winst af te sluiten, waardoor promotie naar de eredivisie een feit is.
Zaterdag 11 mei: Coca – Peñafiel (67 km)
Vandaag vervolg ik mijn weg over de meseta. Net als gisteren is die ook hier vrijwel vlak. Aanvankelijk gaat het door uitgestrekte naaldbossen, waar de geur van hars nooit ver weg is. Daarna breekt het landschap weer open, waardoor je tientallen kilometers ver kan kijken. In het noorden tekent zich een grote onweerswolk af tegen een verder strakblauwe hemel. Voorbode van het slechte weer dat reeds enkele dagen boven het noordwesten van Spanje hangt. Het bevestigt ook dat ik al behoorlijk in noordelijke richting ben opgeschoten.
Met het inzetten van de afdaling naar het dal van de Duero wordt de meseta weer verlaten. Het dal van de Duero staat bekend als wijngebied. Links en rechts van de weg wordt ik alvast verwelkomd door de druivenstokken.
Aan het begin van de middag kom ik aan op de camping van Peñafiel. De camping heeft een nogal Nederlands tintje voor wat betreft personeel en gasten. Tegen vijf uur verlaat ik tijdelijke deze Nederlandse enclave voor een bezoek aan het centrum. Evenals in Coca is ook hier de blikvanger het plaatselijke kasteel, gelegen op een heuvel hoog boven het dal en de rest van het stadje.
Maandag 12 mei: Peñafiel – Ucero (132 km)
Na de halve rustdag van gisteren ga ik er vandaag eens flink tegen aan. Die halve rustdag was niet zozeer ingegeven door behoefte aan rust, maar had meer te maken met de lage campingdichtheid in deze regio. De eerstvolgende camping ligt ruim honderddertig kilometer verderop.
De eerste vijfenveertig kilometer tot Aranda gaan over een brede asfaltweg door het dal van de Duero. Vanwege de zondagmorgen is er gelukkig nauwelijks verkeer. De weg is op een paar flauwe bochten na kaarsrecht. Het uitzicht over het vlakke land is ook niet heel bijzonder. Al met al een nogal saaie bedoening, maar met een lichte rugwind schiet het wel lekker op. Het meest spannende moment is wel mijn poging om de virtuele partner op mijn fietscomputer in te halen voordat ik de eerstvolgende flauwe bocht bereikt heb, een handvol kilometers verderop. Hetgeen me ternauwernood lukt.
Na een koffiestop in Aranda gaat het verder over kleinere wegen die iets verder van de Duero verwijderd zijn. Het is er super rustig en ook veel mooier. Wijngaarden zijn nog nauwelijks gesignaleerd, graanvelden daarentegen in grote getale.
In Langa de Duero neem ik plaats op een terrasje en bestel een bocadillo con queso, mijn favoriete broodje. Het duurt even voor de serveerster die komt brengen, maar dan heb je ook wat. Ondanks een stevige trek krijg ik maar de helft naar binnen gewerkt.
Daarna is het nog vijftig kilometer. Op zich goed te doen, maar als je al tachtig kilometer op de teller hebt staan is dat toch nog wel veel. Het wegdek wordt er ook bepaald niet beter op. Ik ben dan ook blij dat ik uren later bij Burgo de Osma de lange reeks met hobbelige weggetjes weer kan verruilen voor goedlopend asfalt.
Burgo de Osma blijkt een verrassend mooi stadje, zo mooi dat ik even in de verleiding sta hier een hotel op te zoeken en de rest van de dag door te brengen. De camping bij Ucero is echter niet ver meer, dus ik houd het bij een paar mooie foto’s.
De camping ligt iets voorbij Ucero in een nauw kloofdal. Omdat ik onderweg geen inkopen heb kunnen doen, is mijn hoop gevestigd op het campingrestaurant. Helaas is vandaag alleen de bar geopend. Gelukkig heb ik nog een halve bocadillo con queso over en is een Belgische motorrijdster bereid de zojuist door haar bestelde hartige taart te delen.
Dinsdag 13 mei: Ucero – Soria (67 km)
Niet voor de eerste keer heb ik het koud gehad vannacht, hoewel ik mijn kleren heb aangehouden en de temperatuur maar net onder de tien graden lag. Zo koud is dat toch niet, objectief gezien. Misschien moet ik toch maar eens een warmere slaapzak kopen. Wanneer ik opsta en weer in beweging kom gaat het al beter, maar ik moet mijn jas er nog wel bij aanhouden. Eenmaal op de fiets en uit de schaduw van het kloofdal laaf ik me als een reptiel aan de eerste zonnestralen. Wanneer de weg ook nog eens omhoog loopt, verdwijnt door de inspanning ook het laatste restje kou uit mijn lijf.
Gisteravond heb ik het weerbericht voor de komende dagen nog eens goed bekeken. Morgen zal er veel regen vallen en de dagen erna elke dag een beetje. Bovendien zal het aanzienlijk frisser worden, vooral ’s nachts. Verder naar het oosten is het beter, dus is er iets voor te zeggen om via Zaragoza te gaan fietsen in plaats van Pamplona. Bij beide varianten zal ik eerst naar Soria moeten, dus ik kan de keuze nog tot morgenochtend uitstellen. Misschien zelfs nog een dag, want als het morgen echt zo slecht wordt, dan kan ik morgen beter niet gaan fietsen.
Na een paar vlakke dagen is het terrein vandaag wat meer geaccidenteerd, al worden de hellingen getemperd omdat ik lange tijd weer gebruik kan maken van een via verde. Het blijft toch fantastisch fietsen op die via verdes, niet alleen vanwege de milde stijgingspercentages, maar vooral door de weldadige rust die er heerst. Naarmate ik dichter bij Soria kom tekenen zich de bergen aan de noordelijke horizon steeds duidelijker af. Wanneer ik aan mijn oorspronkelijke plan blijf vasthouden, zal ik die morgen voor mijn kiezen krijg.
Vlak voor Soria stop ik even om te kijken waar de camping zich bevindt. Die ligt enkele kilometers van het centrum aan de zuidkant van de stad. In aanmerking genomen dat een bezoek aan het centrum er dan waarschijnlijk bij inschiet en dat het goedkoopste hotel slechts dertig euro kost (de afgelopen dagen betaalde ik voor de camping al twintig euro) doet dat me besluiten dat hotel maar te boeken. Vannacht zal ik droog en warm kunnen slapen.
In Soria moet ik even zoeken naar de mooie plekjes, maar eenmaal gevonden zijn ze de moeite zeker waard. Het is echter totaal niet toeristisch, ik moet zelfs moeite doen om een winkel te vinden waar ze koelkastmagneetjes verkopen.
Woensdag 14 mei: Soria – Calahorra (109 km)
De voorspelde regen is vooral vannacht gevallen. Voor vandaag wordt er bewolkt, maar overwegend droog weer verwacht. Ik kan dus gewoon gaan fietsen. Weliswaar zal het vanavond weer gaan regenen, maar de kamer in Calahorra is al geboekt.
Na een aantal dagen overwegend oostwaarts te zijn gereden, wordt de koers vandaag weer verlegd naar het noorden, richting Pamplona. Voor het eerst met regenjas en mouwstukken aan ga ik op pad. Die regenjas is aanvankelijk vooral bedoeld als windstopper, want er waait een stevige westenwind. Boven de bergen voor mij hangen donkere wolken. De schuine strepen eronder doen vermoeden dat het daar al regent. Wanneer de zon er zo af en toe tussendoor piept ziet het er schitterend uit. Ik denk er vooralsnog niet teveel over na dat ik daar straks nog overheen moet.
Maar dat moment komt onvermijdelijk toch. Het klimmen gaat me na twee weken fietsen redelijk goed af, maar de stevige wind en de kou maken het wel zwaar. Met het oog op de lange afdaling trek ik op de top onder mijn regenjas ook nog mijn fleecevest erbij aan. Met ziedende vaart rijd ik zo weer naar beneden. Intussen is de milde regen overgegaan in een stevige plensbui. Tot op het bot verkleumd stop ik bij het eerste dorpje dat ik tegenkom. In een bar kom ik weer wat op verhaal met een omelet, wat hompen brood en een kop koffie.
De enige andere aanwezige gast raadt me aan mijn fiets onder een afdakje te zetten, want nu staat die in de regen. Hoewel die fiets al kletsnat is, volg ik zijn goedbedoelde raad maar op. Binnen kletsen we nog wat verder. Ik begrijp lang niet alles wat hij zegt, zeg zo nu en dan wat terug in de hoop dat het enigszins aansluit bij het gesprek en knik voor de rest voornamelijk instemmend. Op een gegeven moment blijft hij een bepaalde vraag maar steeds herhalen. Ik besef dat ik nu andere middelen in de strijd moet werpen en pak mijn telefoon erbij. Met Google Translate ingeschakeld herhaalt hij zijn vraag nogmaals: “(stevige vloek), wat een mooi landschap hier hè?”. Ik kan dat alleen maar beamen.
Bij het verlaten van de bar is het weer droog geworden. De afdaling gaat nog een tijdje door, zij het minder steil. Een tijdlang volg ik een onstuimige rivier, die zich hier diep ingesneden heeft in het berglandschap. Het resultaat is een spectaculair kloofdal, waarbij de rivier zich afwisselend diep onder in het dal en vlak naast me bevindt.
Op een gegeven moment kom ik op weer op een via verde terecht. Voor de verandering is deze eens geasfalteerd. Gevoegd bij het feit dat het nog steeds lichtjes naar beneden gaat, maakt dat dit voor mij de mooiste via verde ooit is. Met gemak leg ik zo de resterende kilometers naar Calahorra af.
De beheerder van het pension waar ik een kamer heb geboekt is een wat verwarde man. Maar wel prettig verward. Hoewel hij zegt weinig tijd te hebben vanwege zijn zieke moeder, praten we in een mengelmoes van Engels en Frans over van alles en nog wat. Over mijn fietstocht uiteraard, over andere fietsers die hier zijn geweest, onze favoriete voetbalclubs (San Sebastian respectievelijk PSV), enzovoorts. Het inschrijven kost daardoor alsnog veel tijd. Mijn fiets kan ik kwijt op de binnenplaats, nadat ik die eerst via de trap naar boven heb gesleept.
Vanwege de regen bezoek ik het centrum niet. Vlakbij is ook wel een restaurant.
Woensdag 15 mei: Calahorra – Pamplona (90 km)
Punctueel om acht uur komt de pensionhouder langs om de deur naar de binnenplaats te openen. Terwijl ik met mijn fiets over de trappen naar beneden stuiter, hobbelt hij met de fietstassen achter me aan. Na nog een stevige omarming wenst hij me een goede reis. Wat een hartelijke man.
Calahorra ligt aan de Ebro, die hier de grens vormt tussen La Rioja en Navarra. La Rioja is de kleinste autonome regio van Spanje. Het kostte me gisteren daarom slechts een halve dag om daar doorheen te fietsen. Vandaag begin ik aan de zevende en laatste autonome regio van deze fietstocht: Navarra.
Het duurt even voor ik van de drukke wegen rondom Calahorra af ben. Regelmatig scheren de auto’s en vrachtauto’s vlak langs me heen, ook al rijd ik op de brede strook naast de getrokken lijn aan de rechterkant van de weg. Een keer wordt ik zelfs licht geraakt door de zijspiegel van een personenauto. Gelukkig blijft de schade beperkt tot een licht schrammetje.
Er staat nog steeds een frisse wind, dus ik heb weer mijn regenjas en mouwstukken erbij aangetrokken. Die kunnen weer uit wanneer halverwege de ochtend de zon er doorkomt. De uitzichten zijn vandaag andermaal van grote schoonheid. Daarnaar kijken verveelt nooit. Vooral de afwisseling van licht en schaduw maakt het schitterend.
Behoudens de eerste twee dagen ben ik tijdens mijn fietstocht geen Santiago-gangers meer tegengekomen. Vandaag zijn ze echter weer terug. Mijn fietsroute loopt min of meer gelijk op met die van de wandelaars. Regelmatig zie ik ze in twee of meer groepjes tegelijkertijd, maar wel afzonderlijk van elkaar lopen. Het lijkt wel of er een vrijwel onafgebroken strook met wandelaars onderweg is. Het schijnt dat dat alleen maar erger wordt naarmate je dichter in de buurt van Santiago komt. Uit verhalen van andere fietsers heb ik begrepen dat het daar serieus begint te lijken op een wandelvierdaagse.
Hoewel het volgens mijn fietscomputer nog vijftien kilometer te gaan is tot Pamplona, zie ik in de verte de stad met zijn voorsteden al duidelijk liggen. Eenmaal in de buurt wordt me duidelijk hoe dat aantal kilometers tot stand is gekomen. Teneinde de drukte te ontlopen maakt de route namelijk nogal wat omwegen. Voordeel is wel dat ik redelijk veilig de stad binnenrijd. De camping ligt tien kilometer ten noorden ervan. Ik moet er dus eerst helemaal doorheen.
Mijn Friese campingburen zorgen bij mij voor enige verwarring. Wanneer ik terugkom uit de bar zijn ze net bezig hun tent naast die van mij op te zetten. Naast hun auto staan twee fietsen met de voorwielen eruit. Ik veronderstel daarom dat ze vandaag vanuit Nederland zijn aangekomen. Maar waarom hebben ze dan hun fietskleren aan? Het blijkt dat ze al vier weken aan het fietsen zijn in Noord-Spanje en onder andere al in Santiago de Compostella zijn geweest. Vanwege de steile hellingen en de vele regen hebben ze de laatste dagen een auto gehuurd. Straks zullen ze die naar het vliegveld van Pamplona terugbrengen. Het plan is om nog via Frankrijk en Italië door te fietsen naar Innsbruck.
Vannacht zal het weer koud worden. Om te voorkomen dat ik weer zal liggen te kleumen, houd ik behalve mijn sokken en lange broek ook mijn fleecevest en jas erbij aan.
Donderdag 16 mei: Rustdag Pamplona
Vandaag is het een rustdag. Voor het eerst gun ik mezelf de tijd om te wachten met ontbijten totdat het brood van de bakker op de camping is gearriveerd. Dat is om een uur of negen. Mijn campingburen doen het nog rustiger aan, dus ik veronderstel dat ze vandaag ook een rustdag houden. Het blijkt echter hun normale routine te zijn. Ik begin iets beter te begrijpen dat ze al vier weken bezig zijn met alleen Noord-Spanje.
Om elf uur stap ik op de bus naar het centrum van Pamplona. Het zal vandaag droog blijven met regelmatig zon. Weliswaar wordt het slechts vijftien graden, maar omdat ik veel zal lopen acht ik een fleecevest niet nodig. Dat blijkt een verkeerde inschatting. De smalle straten bieden voornamelijk schaduw, terwijl de wind af en toe flink om de hoek komt zetten. Achtereenvolgens koop ik een T-shirt en, als dat niet afdoende blijkt, ook nog eens een warme fleecetrui. Nu zal ik het toch niet meer koud krijgen.
Na anderhalf uur heb ik het centrum wel zo’n beetje gezien. Heel bijzonder is het allemaal niet, al zijn er wel een paar mooie plekken, zoals het stadhuis, de kathedraal en het Plaza de Castillo. En niet te vergeten de arena, waar nog regelmatig stierengevechten worden gehouden. Ook is Pamplona bekend vanwege het stierenrennen, waarbij een stel stieren wordt losgelaten op honderden mensen die met gevaar voor eigen leven voor hen uit door de straten rennen. In een drukke winkelstraat is het tafereel in een sculptuur levendig verbeeldt. Ook de souvenirwinkeltjes hangen er vol mee. Het kost me moeite een koelkastmagneetje te vinden waar iets anders op staat.
Vrijdag 17 mei: Pamplona – St-Jean-Pied-de-Port (76 km)
Het gebied waar de Baskische taal wordt gesproken is niet beperkt tot de autonome regio Baskenland (Pais Vasco) in Spanje. Ook in delen van Navarra en over de grens in Frankrijk kom je regelmatig opschriften tegen in het Baskisch. Een onbegrijpelijke taal, die totaal geen overeenkomst lijkt te hebben met het Spaans of andere mij bekende talen.
Vandaag zal ik de Pyreneeën oversteken. Vooralsnog blijven ze echter verborgen achter de laaghangende wolken. Van mooie uitzichten is daarom geen sprake, de wereld bestaat voor even uit diverse tinten grijs en groen. Aan het wegdek is overigens wel te merken dat het gestaag omhoog gaat. Af en toe valt er wat regen, maar veel is het gelukkig niet. De top ligt op ruim duizend meter, betrekkelijk laag voor een Pyreneeëncol. Alleen de laatste kilometers tot die top zijn wat steiler. Ook op de top is het uitzicht helaas beperkt.
Aanvankelijk heb ik gedacht dat de grens met Frankrijk op de top zou liggen, zoals wel vaker het geval is met grensovergangen. Hier blijkt die nog een stuk verder te liggen, twintig kilometer verderop en zeshonderd meter lager. Vanaf daar is het niet ver meer tot Saint-Jean-Pied-de-Port, een lange naam voor een betrekkelijk klein stadje. Pied-de-Port betekent letterlijk ‘voet van de pas’. Diverse pelgrimswegen komen hier samen om vervolgens de Pyreneeën over te steken naar Spanje. Ook op de pas heb ik diverse malen wandelaars met rugzakken gesignaleerd.
De camping ligt vlakbij het centrum. In dat centrum is het gezellig druk met diverse souvenirwinkeltjes en restaurants. Centrum is overigens een groot woord, feitelijk zijn het twee parallel lopende straten met enkele dwarsverbindingen. Het prominent aanwezige riviertje draagt in belangrijke mate bij aan het pittoreske karakter van het stadje.
Zaterdag 18 mei: St-Jean – Oloron-Sainte-Marie (72 km)
Met het verlaten van Spanje heb ik ook het gevoel dat ik aan het einde van mijn fietstocht gekomen. De rest tot aan Bergerac is alleen maar bedoeld om daar op het vliegtuig terug naar Nederland te kunnen stappen. Plichtsgetrouw zet ik me daarom weer aan het fietsen. Het is ook net alsof mijn benen er geen zin meer in hebben. De hellingen worden moeizaam verteerd en vaker dan normaal kijk ik op mijn fietscomputer om te zien hoe ver ik nog moet. Allemaal tekenen dat het welletjes is geweest.
Tijdens het fietsen houd ik het aardig droog, hoewel de hele dag dreigende luchten boven de bergen hangen. In tegenstelling tot gisteren zijn die nu wel goed te zien, hetgeen prachtige plaatjes oplevert. Min of meer parallel aan de Pyreneeën rijd ik in oostelijke richting. Het is onvermijdelijk dat daarbij zo nu en dan de uitlopers daarvan beklommen moeten worden.
Ook in dit stuk van Frankrijk is de Baskische taal nog nadrukkelijk aanwezig, zoals bijvoorbeeld te zien is aan de tweetalige plaatsnaamborden. Opvallend daarbij is dat de Franse bordjes ondersteboven hangen. Het doet me denken aan het boerenprotest in Nederland, met die omgekeerde vlaggen. Ook hier schijnt het met een boerenprotest te maken te hebben. Net als met die vlaggen erger ik me nogal aan die omkering. Dit keer vooral om een praktische reden, want ik mag namelijk graag weten waar ik ben. Die Baskische namen zeggen me niet zoveel.
Bij het opzetten van de tent in Oloron begint het zachtjes te regenen, zij het niet lang. Een paar maal probeer ik mijn nog steeds natte fietskleding van gisteren te drogen te hangen, maar even zo vaak moet ik het weer ijlings naar binnen halen, omdat er weer een bui komt opzetten.
Naast me staat eveneens een fietser. Het is een gepensioneerde Fransman uit Bretagne die persé Engels met mij wil praten. Maar ik heb liever dat hij gewoon Frans praat, want dan versta ik hem tenminste nog een beetje. Hij heeft continu zijn transistorradio afgestemd op een zender waar steeds druk gediscussieerd wordt. In het Frans, dat wel. Toen hij vanmiddag kwam aanrijden had hij die radio al aan staan.
Vlakbij mijn tent is een overdekte picknickplaats waar ik zelf kan koken. Omdat er verder niets te doen is op de camping, loop ik ’s avonds naar het op enkele kilometers afstand gelegen centrum. In een bar ontmoet ik een Belgische fietser, die vanuit huis op weg is naar Santiago. Hij is al drie weken onderweg en heeft nog twee weken te gaan. Meestal overnacht hij in auberges. Ook vandaag, maar vanavond is hij het gezelschap van andere Santiago-gangers tijdelijk ontvlucht.
Morgen belooft het de gehele dag te gaan regenen, met ook nog eens kans op onweer. Wat te doen? Een dag in de regen fietsen? Komt die regenbroek toch nog eens van pas. Nog een dag op deze modderige camping blijven staan? Hmm. Klein stukje fietsen dan naar Pau en daar een hotel nemen? Zou kunnen. Of daar de trein naar Bergerac nemen?
Zondag 19 mei: Oloron – Pau (35 km)
De voorspelde regen begint al om vier uur ’s nachts. Wanneer het om zes uur even droog is, pak ik snel mijn spullen bij elkaar en neem daarna plaats onder het afdak van de picknickplaats. Ondertussen is het weer gaan regenen en voorlopig zal dat ook niet meer ophouden. In de stromende regen verlaat ik dan ook de camping, voor het eerst deze fietsvakantie met regenbroek en regenschoenen aan. Ik besluit in elk geval door te fietsen tot Pau en daarna wel verder te zien. In het nog verlaten centrum kom ik een andere vakantiefietser tegen. Het is de Belg van gisteravond, al is die vrijwel onherkenbaar vanwege zijn regenpak.
Vooralsnog gaat het verder in oostelijke richting en dat betekent dat ik voorlopig nog niet van de heuvels af ben. Maar eigenlijk is dat wel zo prettig, want zo kan ik nog een beetje warm blijven. Alleen moet ik oppassen me niet teveel in te spannen, want daar ga je weer overmatig van zweten, waardoor je vervolgens ook weer kunt afkoelen. Voor me uit lijkt de lucht wat op te klaren. Maar het is net als met de regenboog, je denkt dat je er vlakbij bent, maar elke keer schuift die weer een eindje op. Een vergelijking met een fata morgana is ook wel toepasselijk, al is het object van verlangen in dit geval geen water, maar juist de afwezigheid daarvan.
Even na tienen kom ik aan in Pau en zoek daar mijn toevlucht tot het station. In de stationshal kan ik me van mijn regenkleding en stinkende fietsshirt ontdoen, om vervolgens iets droogs en vooral warms aan te trekken. Het recent in Pamplona aangeschafte fleecevest komt nu goed van pas. Via booking.com reserveer ik een hotelkamer op een paar honderd meter afstand van het station. Het enige nadeel is dat ik daar pas vanaf twee uur terecht kan.
Ik dood de tijd met koffie drinken en op mijn telefoon kijken. Onder andere zoek ik naar de door Erik Breukink gewonnen touretappe met aankomst in Pau, ik meen ook in de stromende regen. Het blijkt die dag echter droog en warm te zijn geweest. Dat van die stromende regen was van Michael Boogerd, een paar jaar later in Aix-les-Bains. Vandaag voor mij aan de finish geen rondemiss en bloemen, hoewel ik die meer dan verdiend heb. Maar straks wacht mij wel een warme hotelkamer, waar ik mijn doorweekte kleren weer kan laten opdrogen.
De rest van de middag lig ik in bed op mijn hotelkamer. Eindelijk eens tijd om de Giro d’ Italia te bekijken. Daar zie ik Pogačar met overmacht één van zijn etappes winnen. Spannend is het niet dit jaar, wat dat betreft heb ik er weinig aan gemist.
Aan het begin van de avond wordt het eindelijk droog. Het geeft me de gelegenheid het centrum te bekijken en tevens op zoek te gaan naar een restaurant. Nabij de Boulevard de Pyrénées staan tal van statige gebouwen en ook de gotische kerk is het aanzien waard. Bij goed weer heb je vanaf de boulevard een prachtig uitzicht op de Pyreneeën. Vandaag even niet dus.
Maandag 20 mei: Pau – Castéra-Verduzan (115 km)
Omdat ik voldoende marge heb om op tijd in Bergerac te kunnen zijn, is het niet echt nodig om de gemiste kilometers van gisteren in te halen. Desondanks neem ik me voor vandaag eens een flink eind te gaan fietsen. Nog in de straten van Pau dreigt dat voornemen gedwarsboomd te worden door een lekke band. Dat betekent bagage er weer af, achterwiel eruit en binnenband vervangen. Tijdens die exercitie realiseer ik me dat dit de eerste keer is dat ik met deze fiets een lekke band krijg. En dat terwijl ik de fiets al drie jaar heb en er al negenduizend kilometer mee heb gereden. Uiteindelijk blijft het oponthoud beperkt tot een half uur.
Mede door het grijze weer is de omgeving weinig inspirerend. Een agrarisch heuvellandschap met af en toe een boerengehucht. Zo’n omgeving associeer je toch meer met Noord- dan met Zuid-Frankrijk. Voor iemand die net door Spanje heeft gefietst en daar zoveel moois heeft gezien is dat wel even wennen. Hoewel niet erg hoog, zijn de heuvels vaak wel behoorlijk steil. Door de opeenvolging daarvan is het toch wel slopend. De steilste heuvel (ruim boven de tien procent) ligt vlak voor de camping. Zigzaggend weet ik echter ook die fietsend te bedwingen.
De camping ligt aan een meertje. Bij de receptie wordt me verteld dat vanwege de regen veel plaatsen op de camping drassig zijn geworden. Maar ik moet het maar eens proberen op een iets hoger gelegen gedeelte. Het is niets te veel gezegd, zelfs op de plek waar het zogenaamd iets droger zou zijn is het modderig. Ik zal het ermee moeten doen. Naast me staat een fietser uit Venlo die op weg is naar Lourdes. Nog een paar dagen, dan zal hij zijn doel bereikt hebben. Mij lijkt Lourdes vooral een te mijden oord, met name in de zomer wanneer het er wemelt van de mensen, al dan niet op zoek naar genezing. In het dorp is alles gesloten vanwege tweede pinksterdag. Alleen in de lounge van een hotel kan ik een glas bier krijgen.
Dinsdag 21 mei: Castéra-Verduzan – Verteuil-d’Agenais (102 km)
Aanvankelijk gaat het verder naar het noorden langs de Baise, de rivier waar ik gisteren ook al langs ben gereden. Een fietsroute die gisteren vol lag met steile klimmetjes en me steeds vanuit het rivierdal de naastgelegen heuvels injoeg. Ik kijk er dan ook bepaald niet naar uit om nog eens tachtig kilometer langs die rivier te rijden. Maar gelukkig zijn er vandaag minder van die kuitenbijters en/of kan ik ze beter verteren.
Geleidelijk begint de omgeving meer aan te sluiten bij het stereotype beeld van Zuid-Frankrijk: lanen met platanen, het gekrakeel van krekels, wijngaarden met de belofte van een goede oogst en dorpspleinen met een ‘place de petanque’. Maar het belangrijkste element is wel ‘du soleil’, die zich eindelijk weer eens uitbundig laat zien. Na de overvloedige regenval van de laatste dagen bruisen de rivieren er lustig op los, het water bruin gekleurd van de losgewoelde aarde.
De Baise mondt uiteindelijk uit in de Garonne. In de buurt daarvan liggen een paar campings, de meeste aan een meertje. Gezien mijn recente ervaring met modderige campings acht ik het niet verstandig daar ergens mijn tent op te zetten. Daarom maar de heuvels opgezocht aan de overkant van de Garonne. Daar ligt ook een camping, hoewel men mij na telefonisch contact niet kan garanderen dat ze een droge plaats hebben. Maar wel biedt men aan mijn tent op te zetten onder een afdak op een betonnen vloer. Een paar dagen terug hebben andere fietsers dat ook gedaan.
De camping wordt gerund door een Nederlands echtpaar. Het ziet er picobello uit, vooral het toiletgebouw. Alleen is het ook hier overal drassig. Dus wordt het de betonnen vloer. ’s Avonds kan ik een pizza krijgen in de kantine. Even later schuift ook het voltallige gezin van het echtpaar aan. De drie zoons, variërend in de leeftijd van tien tot zeventien jaar, lijken spreken op hun vader. De kinderen spreken onderling Frans. Niet zo gek als ze hier al veertien jaar wonen en de jongste hier geboren is.
Woensdag 22 mei: Verteuil-d’Agenais - Bergerac (58 km)
Door een dunbevolkt gebied rijd ik in één ruk door naar Bergerac. De zelf uitgezette route bestaat grotendeels uit rustige plattelandswegen, waarbij de weinige plaatsen van enige omvang zorgvuldig worden gemeden. Consequentie daarvan is wel dat ik geen enkele gelegenheid tegenkom waar ik koffie kan drinken, of zelfs maar even ergens op een bankje kan zitten.
Even na één uur strijk ik neer op de camping van Bergerac. Dat ligt pal aan de oever van de Dordogne. Reeds tweemaal eerder heb ik deze camping bezocht, beide keren in gezelschap van Nanco. Eén keer als eindpunt van een fietstocht vanuit Luxemburg en het jaar erop als startpunt van een fietstocht naar Geneve. Bergerac begint zich voor mij tot een belangrijk fietsknooppunt te ontwikkelen. Op de gesloten deur van de receptie hangt een bordje dat een groot deel van de camping is gesloten wegens wateroverlast. Na een vergeefse poging om te bellen met het vermelde telefoonnummer, zoek ik op het hoger gelegen deel van de camping een enigszins acceptabel plekje op.
Nadat ik me heb geïnstalleerd en een broodje heb gegeten ga ik te voet naar Oxobikes, de fietsenmaker waarmee ik heb afgesproken dat die een fietsdoos voor me zal klaarzetten. “Pas de problème!”, hoor ik hem nog zeggen. Wanneer ik daar na een half uur aankom, zegt hij dat hij momenteel niets heeft staan, op een te kleine doos van een kinderfiets na. Met wat extra karton dat die hij ook nog ergens heeft liggen, zal daar wel iets van te maken zijn. Oké, het houdt niet over, maar ik heb in ieder geval een doos.
Aansluitend loop ik terug naar het centrum om daar wat rond te kijken. Cyrano staat net als tien jaar geleden nog steeds heel eigenwijs met zijn neus omhoog naar de lucht te kijken. Daarna loop ik weer terug naar de camping aan de overkant van de rivier. De rest van het centrum zal ik morgen wel bekijken.
Donderdag 23 mei: Rustdag Bergerac
Omdat ik niet tevreden ben met de fietsdoos van Oxobikes, besluit ik eens te gaan kijken bij een fietsenwinkel iets verderop. Dit keer ga ik op de fiets. Daar hebben ze diverse dozen staan, waaronder enkele die exact hetzelfde zijn als de doos die ik op de heenweg heb gebruikt. We spreken af dat ik morgenochtend zal terugkomen en dan de fiets ter plekke in zal pakken. Aansluitend ga ik nog op zoek naar tape en bubbeltjes plastic (‘papier bule’). Die laatste hebben ze alleen in rollen van honderdvijftig meter. Dat is teveel van het goede, in plaats daarvan zal ik wel wat stukken karton zien te vinden.
Nu alles is geregeld, kan ik eindelijk aan mijn rustdag beginnen. Die bestaat voornamelijk uit luieren bij de tent en nogmaals het centrum bezoeken.
’s Avonds raak ik in het restaurant in gesprek met een Welshman aan het tafeltje naast me. Hij is op zoek naar een huis in deze omgeving. ‘Midlife crises’ geeft hij aan als verklaring. Hij wil stoppen met werken en omdat hij vrijgezel is houdt niets hem in dat voornemen tegen. Frans moet hij nog wel leren, het doen van een bestelling in het restaurant valt hem al zwaar. Hij vraagt wat voor ‘bike’ ik heb; een Harley Davidson misschien? Zijn mond valt open van verbazing wanneer hij hoort dat het een gewone fiets is, nog niet eens elektrisch ook. Hij vertelt van een fietser die hij ontmoet heeft in Limoges, die onderweg was van Portugal verder naar het noorden. Die was maar liefst vijfenzestig jaar! Zijn mond valt nog eens open wanneer ik zeg dat ik zesenzestig ben. Zo zie ik er toch echt niet uit.
Vrijdag 24 mei: Terugreis
Reeds drie kwartier voordat Périgord Cycles open gaat sta ik daar al op de stoep en begin alvast mijn fiets te prepareren: banden leeg laten lopen, trappers eraf, stuur een kwartslag draaien en voorwiel eruit. Ongeveer op het moment dat ik daarmee klaar ben komt de man die ik gisteren heb gesproken naar buiten met de fietsdoos. Niet veel later zit mijn fiets er al in en is ook mijn bagage ingepakt, een uur voordat ik de taxi heb besteld. Via een sms laat ik Taxi Périgord weten dat de chauffeur ook wel wat eerder kan komen. Een half uur later meld die zich vervolgens. Na een ritje van amper tien minuten zet die me af bij het vliegveld.
De vertrekhal is nog helemaal leeg. Alleen achter de informatiebalie bevindt zich wat personeel. Op het bord met vertrektijden staan twee vluchten vermeld, waarvan de eerste al vertrokken is. Vanmiddag om 14:55 uur zal er nog een vliegtuig van Transavia naar Rotterdam vertrekken. Doordat alles zo vlot verlopen is, heb ik nu ineens zeeën van tijd. Een uitgelezen moment om eens aan het verslag te beginnen.