2022 Groene Valleien
2022 Groene Valleien
Oorlogsherinneringen
0. Breskens
1. Ieper
2. Boiry-Notre-Dame
Rustiek en landelijk
3. Semeries
4. Attigny
5. Montmedy
Rivieren en spoorlijnen
6. Hesperange
7. Bleialf
8. Aken
Zondag 26 juni: Breskens - Ieper (101 km)
Een maand geleden was het mijn bedoeling om van Zuid-Limburg naar Zeeland te fietsen. Niet rechtstreeks, maar met een grote omweg via Noord-Nederland. Dat ik vanwege aanhoudende straffe tegenwinden langs de Hollandse kust niet helemaal in die opzet ben geslaagd is slechts een detail. Vandaag zit ik in de trein naar Vlissingen om te beginnen aan de omgekeerde route, van Zeeland naar Zuid-Limburg, maar dan via Noord-Frankrijk. Ik volg daarbij grotendeels de Groene Valleienroute van de Europafietsers.
Na een oversteek met de veerpont over de Westerschelde begint in Breskens de eigenlijke fietstocht. Het eerste stuk voert langs de Zeeuwse kust. Dankzij het mooie weer bevinden zich op deze zondag veel andere fietsers en ook wandelaars op het fietspad. Velen denken dat het fietspad van hun is en zijn dan ook niet bereid om ook maar een duimbreed aan de kant te gaan. Het levert hen een paar boze blikken mijnerzijds op, die uiteraard niet onbeantwoord blijven. Na Cadzand verlaat ik de kust en steek even later bij Sluis de grens over. Tot aan Brugge volgt de route een kanaal met aan weerszijden hoge populieren. Het is hier aanzienlijk rustiger, maar dit keer wordt mijn snelheid beperkt door het bij tijd en wijlen slechte wegdek van het jaagpad. Desondanks schiet het lekker op.
Op de Grote Markt van Brugge eet ik een paar broodjes. Het is er gezellig druk met veel dagjesmensen. Op het talud rond een standbeeld ligt een zwerver zijn roes uit te slapen, met naast hem een bijna lege fles wijn. Opeens komt er vanuit een zijstraat een ambulance aan rijden. Bij het standbeeld stappen de ambulancebroeders uit en sommeren de zwerver, die inmiddels wakker is geworden, om in te stappen. Die is daar echter niet van gediend en maakt weer aanstalten om te gaan liggen. Even later stopt er ook een politiebusje. De zwerver wordt kordaat in de boeien geslagen en vervolgens het busje ingeduwd. Wanneer de hulpdiensten weer zijn verdwenen gaan de bezoekers van het plein verder met waar ze mee bezig waren: al dan niet vanaf een terrasje genieten van het uitzicht en de gezelligheid. De meesten van hen zullen het voorval met de zwerver niet eens hebben opgemerkt.
Na Brugge volgt een stuk wat je zou kunnen omschrijven iets typisch Vlaams. Overwegend macadamwegen door oerlelijke lintdorpen. Fietsen in Vlaanderen is vaak niet leuk, dat merk ik al als ik tijdens een trainingsrondje vanuit huis even de grens oversteek. Pas vlak voor Diksmuide komt hier een einde aan. Al kilometers tevoren zie ik het donkere silhouet van de IJzertoren opdoemen. Die toren is hier neergezet ter nagedachtenis van de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Op de sokkel staat in vier talen de tekst “Nooit meer oorlog”. Helaas is dat achteraf bezien vooral een ijdele hoop gebleken, want enkele decennia later barstte het geweld alweer los. Ook op dit moment is er weer een oorlog gaande in Europa, waarbij andermaal veel mensen het leven laten.
Aanvankelijk was het mijn bedoeling om in Diksmuide te stoppen, in aanmerking genomen dat ik vanwege de trein- en bootreis pas aan het einde van de ochtend zou kunnen beginnen met fietsen. Anderzijds wil ik ook wel graag de ‘Last Post’ in Ieper eens meemaken, een eerbetoon aan de gevallenen. Al sinds 1928 wordt die daar iedere avond om acht uur uitgevoerd. Dat moet ik nog wel kunnen halen, ondanks dat het fietsen me niet zo soepel afgaat vandaag. Na Diksmuide volg ik een tijdje de IJzer. Langs deze rivier kwam in het najaar van 1914 het Duitse offensief tot stilstand, mede dankzij de inundatie van de polders aan de westoever. Het was het begin van een loopgravenoorlog, die tot het einde van de oorlog zou duren. Bij de Knokkelbrug verruil ik het jaagpad langs de IJzer voor dat langs een kanaal dat rechtstreeks naar Ieper voert. Ook hier veel hobbels in het asfalt vanwege de zich omhoog stuwende boomwortels. Andermaal tel ik de kilometers af, ze lijken extra lang vandaag.
De camping ligt vlakbij het centrum. Dankzij Google Maps weet ik er via een smal onverhard pad te komen. Nadat ik de tent heb opgezet en me heb gedoucht blijft er niet veel tijd meer over. Ik besluit me niet afhankelijk te maken van de bediening in een restaurant en daarom maar zelf een snelle pastahap te bereiden.
Ruim op tijd nog meld ik me bij de Menenpoort. Ondanks dat er al veel mensen staan te wachten, kan ik op de eerste rij plaatsnemen. Een hele dag fietsen door een lelijk stuk België mag dan zwaar zijn, twintig minuten wachten op de ‘Last Post’ is ook niet te onderschatten. Vlak voordat het begint maant een man in uniform enkele kinderen te gaan staan. Het is van belang dat een ieder een respectvolle houding aanneemt. De ceremonie zelf is indrukwekkend. Het geroezemoes van het publiek verstomd meteen nadat iemand van de organisatie om stilte heeft gevraagd. Dan marcheren drie andere mannen, eveneens in uniform, naar het midden van de poort. Op het haast fluisterend uitgesproken commando van één van hen beginnen ze op hun trompetten een dodenmars te blazen. Vervolgens blijft het vijf minuten muisstil. Ondanks dat het merendeel van de mensen uit toeristen bestaat, die even daarvoor nog luidruchtig door de straten van Ieper slenterden, kun je een speld horen vallen. Alleen het geluid van de wind en de vogels in de bomen zijn nog te horen. Ter afsluiting blazen de trompetters nog een stuk, waarna het geroezemoes weer aanzwelt en de massa zich weer in beweging zet.
Ik loop nog wat verder het centrum in en neem daar plaats op een terras op het centrale plein voor een glas bier. Helaas wordt het uitzicht op de gebouwen aan de overkant vertroebeld door een enorm reuzenrad en honderden geparkeerde auto’s. De verwoesting na de oorlog was van dien aard dat de Vlaamse overheid aanvankelijk besloot de stad niet opnieuw op te bouwen. Op aandrang van de bewoners is dat echter toch gebeurd. Het resultaat mag er zijn.
Terug op de camping maak ik praatje met een wat ouder echtpaar dat hier ook op de fiets is. Ze komen uit Breda en willen morgen nog verder rijden naar De Panne. In plaats van een tent hebben ze een uitschuifbare mini-caravan bij zich, die ze als aanhanger aan hun fiets hebben meegenomen. Ik mag er een foto van maken, nadat de vrouw eerst haastig nog wat rondslingerende spullen heeft opgeruimd.
Maandag 27 juni: Ieper – Boiry-Notre-Dame (114 km)
Zoals gebruikelijk de laatste tijd ben ik al weer vroeg wakker. Na wat uitstellen sta ik uiteindelijk om halfzes op. Anderhalf uur later zit ik al op de fiets, vier uren eerder dan gisteren. Wat tijd betreft moet ik vandaag dus gemakkelijk de honderd kilometer kunnen halen. Nu nog afwachten hoe de benen en, belangrijker nog, de moraal zijn. In het centrum van Ieper is het nog lekker rustig. Een mooie kans om het plein van gisteravond alsnog goed op de foto te krijgen.
Vanaf het begin gaat het een stuk beter dan gisteren. Dat komt waarschijnlijk vooral door het prachtige heuvellandschap rondom de Kemmelberg. Dit is het decor van de wielerklassieker ‘Gent-Wevelgem’. Ook de gravelpaden (‘plug streets’) roepen associaties op met die wielerkoers. De route voert ook over de Kemmelberg, al blijft de beruchte kasseienstrook over de echte top me bespaard. De optrekkende nevelslierten, die op diverse plaatsen nog boven de velden hangen, worden toverachtig belicht door een steeds krachtiger wordende zon in het oosten.
Intussen ben ik de grens met Frankrijk overgestoken, niet ver van Roubaix, ook al zo’n naam die associaties oproept met een wielerklassieker. Van de stedelijke agglomeratie rondom Roubaix merk ik gelukkig weinig, evenmin van de kasseienwegen die hier afgaande op de beelden van Parijs – Roubaix toch in grote getale zouden moeten liggen. De routemakers verdienen hier een pluim.
Ook in deze regio zijn op diverse plaatsen militaire begraafplaatsen en oorlogsmonumenten te vinden. Behalve Fransen liggen er ook veel soldaten uit Angelsaksische landen, zoals Engeland en Amerika. Eén keer kom ik zelfs een monument tegen van een Australisch regiment. Op de begraafplaatsen zijn de grafzerken gerangschikt op datum van overlijden. Bijna elke dag was het wel raak, de meesten waren nog erg jong.
Iets verderop staat iets van de weg af een enorme zuil. Wanneer ik er via een toegangsweg naar toe rijd sommeert een bewaker mij af te stappen. Ook hier dus nog dat respect meer dan honderd jaar na dato. De aanwezigheid van een bewaker überhaupt, en dat die er vervolgens ook nog eens op toeziet dat mensen respectvol de plaats van het oorlogsmonument betreden. Ik voel me even die botte Nederlander die denkt zich alles maar te kunnen veroorloven. Ik heb het bord bij de ingang namelijk wel gezien, maar ben gewoon doorgefietst omdat er toch bijna niemand was. Eigenlijk ben ik hem daarom wel dankbaar voor de terechtwijzing.
De hele dag kijk ik al tegen een dreigende wolkenlucht in het westen aan. Aan het begin van die middag komt die eindelijk tot uitbarsting. Onder een afdak bij een gewone begraafplaats (die zijn er hier natuurlijk ook nog) kan ik gelukkig schuilen.
In deze streek werd vroeger steenkool gewonnen. Op diverse plaatsen zijn de herinneringen daaraan nog zichtbaar in de vorm van schachtbokken en grote hopen restafval. Met de herinneringen aan de oorlog, de grauwe steden en de slechte wegen lijken dat voldoende ingrediënten om deze streek als naargeestig te bestempelen. Voeg daar nog die onweersbui bij van daarnet en het plaatje is compleet. Toch ervaar ik dat niet zo. In tegendeel, ik onderga alles met interesse en geniet bij tijd en wijle. Niet onbelangrijk daarbij is uiteraard dat het vandaag - behoudens die onweersbui van daarnet - droog is en dat zelfs de zon zich regelmatig laat zien.
Langzamerhand wordt het landschap weer wat vriendelijker. Dit is de Artois, een landstreek die onderdeel uitmaakt van het departement Pas-de-Calais. In het midden hiervan ligt de stad Arras, in Nederland ook wel bekend onder de naam Atrecht. Aan het begin van de tachtigjarige oorlog (1579) werd hier de Unie van Atrecht getekend, een overeenkomst tussen een aantal Nederlandse gewesten waarin werd verklaard de Spanjaarden te verdrijven en waarin tevens een aantal staatkundig zaken werd geregeld. Door dat laatste wordt deze overeenkomst ook wel gezien als de eerste versie van onze latere grondwet. Het mag misschien bevreemding wekken dat de Unie van Atrecht buiten het grondgebied van de huidige Lage Landen werd opgericht. Destijds maakte echter ook dit stuk Frankrijk deel uit van de toen nog Spaanse Nederlanden. Tot op de dag van vandaag wordt hier zelfs nog Vlaams gesproken, al wordt dat wel steeds minder. Aan de architectuur van de Grande Place in Arras is de Vlaamse invloed nog wel af te lezen. Het doet sterk denken aan de Grote Markten in Vlaamse steden als Antwerpen en Brussel.
Vanaf hier zal ik de komende dagen verder in oostelijke richting rijden. Daarmee wordt ook de Frontlinieroute weer verlaten, die in Diksmuide tijdelijk is ingewisseld voor de Groene Valleienroute. Ik verwacht dan ook dat het vanaf nu wel gedaan zal zijn met oorlogsherinneringen. Door een groene vallei rijd ik nog zo’n vijftien kilometer door tot de eerstvolgende camping.
Dinsdag 28 juni: Boiry-Notre-Dame - Semeries (105 km)
Om bij de volgende vallei te geraken, fiets ik eerst nog door een licht glooiend gebied. Zwaar is het niet, wel landelijk en rustig. Het is weer het vertrouwde coulisselandschap van Noord-Frankrijk, met uitgestrekte graanvelden en hier en daar plukjes bos. Die volgende vallei voert door een moerassig en waterrijk gebied, doorsneden door een kanaal waar af en toe een schip langs komt. Op diverse plaatsen hebben sportvissers hier hun hengels uitgeworpen. Aan weerszijden van het kanaal liggen campings met uitsluitend stacaravans en vakantiehuisjes. Het doet me sterk denken aan de volkstuintjes bij grote steden, waar ook hele volksstammen een semi-permanent onderkomen hebben gevonden. In dit geval zijn dat dan waarschijnlijk vooral vissers in plaats van tuinders. Diverse campings geven op hun website zelfs expliciet aan dat passanten daar niet welkom zijn. Dat was bij het plannen van deze fietstocht een belangrijke motivatie om te voorkomen dat ik hier ergens zou moeten overnachten, nog even afgezien van de muggen die hier ongetwijfeld in grote getale aanwezig zullen zijn.
Na het kanaal rijd ik weer door een glooiende landschap. Gaandeweg en haast ongemerkt transformeren de glooiingen in heuvels en de bosschages in bossen. De Artois heeft plaatsgemaakt voor de Avesnois. Avesnois is behalve de naam van een arrondissement ook de naam van een regionaal park. De belangrijkste stad van dit gebied is Avesne-sur-Helpes. Daar doe ik inkopen voor vanavond, want vanavond zal ik op de camping andermaal zelf mijn potje moeten koken.
Woensdag 29 juni: Semeries – Attigny (120 km)
De afgelopen dagen heb ik gefietst in een voor mij onbekend gedeelte van Frankrijk. Vandaag zal het niet veel anders zijn. Dit vlak over de grens met België gelegen gebied is absoluut niet toeristisch en op doorreis naar het zuiden kom je hier ook niet echt langs. De trend van gisteren dat het verder naar het oosten steeds heuvelachtiger en bosrijker wordt zet zich vandaag door. Het zijn de uitlopers van de Franse Ardennen. Overigens loopt de route vandaag wat meer naar het zuidoosten, wat dieper Frankrijk in.
Het begin is meteen al mooi, met een paar fietspaden door de bossen over voormalige spoorlijnen. Eén daarvan voert zelfs kortstondig over Belgisch grondgebied, nabij het stadje Chimay. Het is een dunbevolkt gebied met weinig dorpen en dus ook weinig horeca gelegenheden. Pas na een uur of drie neem ik plaats op het terras van een bar tabac in Signy-le-Petit. Helaas laat de dubbele espresso even op zich wachten, omdat er problemen zijn met het espressoapparaat. Wanneer ze na tien minuten nog aan het prutsen zijn houd ik het voor gezien en installeer me op het terras van het iets verderop gelegen restaurant. Dat blijkt helaas nog niet te zijn geopend. In plaats van een dubbele espresso neem ik een paar slokken water uit mijn bidon en eet de croissant op die ik bij een nabij gelegen bakker heb gekocht.
Ook de rest van de dag is het landschap de moeite waard, al wordt het nergens spectaculair. Het is een lange aaneenschakeling van graanvelden, weilanden en bossen, met daartussen zo nu en dan een armoedig en verlaten boerendorp.
Omdat ook campings hier dun gezaaid zijn ben ik genoodzaakt iets verder door te rijden dan normaal. Ik kom uit op de camping van Attigny, in de hoop daar vanavond voor de eerste keer deze vakantie in een restaurant te kunnen eten. Helaas blijken de schaarse restaurants in het centrum al een tijd te zijn gesloten. Bij één ervan is zelfs de voorpui al dichtgetimmerd, al blijft Google Maps volhouden dat hier een restaurant is. Wel kan ik een meeneempizza kopen bij een pizzawagen op het plein. Zittend op de grond in een muziekpaviljoen werk ik die vervolgens naar binnen, te midden van een kermis in opbouw. Zodra de pizza op is verlaat ik de herrie en loop terug naar de camping, waar ik in alle rust de rest van de avond doorbreng. Zolang is die avond overigens niet meer, want om een uur of negen lig ik al in mijn slaapzak.
Donderdag 30 juni: Attigny - Montmédy (100 km)
Voor vandaag is er regen voorspeld. Raadpleging van de buienradar leert me dat vanuit het zuidwesten over een breed front een regenzone nadert. In de loop van de dag zal die langzaam verder naar het noordoosten opschuiven. Het zal er om spannen of ik de regen voor kan blijven. Hoe verder ik vandaag naar het oosten kom, hoe minder kans dat ik ermee te maken krijg. Even overweeg ik om de route, die vanaf Attigny eerst nog veertig kilometer naar het zuidoosten voert, te verlaten en rechtstreeks naar het oosten te rijden, naar Montmédy. Dat scheelt me bovendien een hoop kilometers, waardoor ik er vandaag een halve rustdag van kan maken. Maar dan roep ik weer in herinnering dat het er bij fietsen niet om gaat zo snel mogelijk van A naar B te komen, maar dat je plezier ontleent aan het fietsen zelf en alles onbevangen en met interesse op je af laat komen. Als daar dan een regenbui bij zit, dan zij dat maar zo. Sommigen hebben er een cursus mindfullness voor nodig om in die gemoedstoestand te geraken, maar uit eigen ervaring kan ik melden dat een meerdaagse fietstocht daar veel beter geschikt voor is. Kortom, ik verkies de oorspronkelijk route.
Eenmaal onderweg heb ik daar geen seconde spijt van. De omgeving is schitterend. Wat dat betreft is het de mooiste dag tot nu toe. Hoewel de zon nog volop schijnt, is in het westen de naderende regenzone al goed te zien. Het levert prachtige plaatjes op, met een fel verlicht landschap tegen de achtergrond van een massief donkere wolkenlucht.
Via het dal van de Aisne bereik ik Grandpré, één van die typische verstilde dorpen onderweg. Tijd voor een koffiepauze. Omdat ook hier het espressoapparaat kapot is, moet ik genoegen nemen met een bakje filterkoffie dat al een tijdje heeft staan indampen op het warmhoudplaatje. Maar ook dit hoort erbij, dus ook dit ondermaatse bakkie treed ik zonder vooroordeel tegemoet. Met genoeg melk erbij blijkt het toch nog wel drinkbaar.
Vanaf Grandpré gaat het weer in oostelijke richting. Het zuidelijkste punt van deze fietsroute heb ik daarmee gehad. Intussen is de hemel boven me helemaal bewolkt geraakt. Soms meen ik zelfs al een druppel te voelen, al zou dat ook van het zweet kunnen zijn. Het is duidelijk, er moet doorgefietst worden. Met de wind in de rug schiet het gelukkig lekker op.
Het dal van de Maas is nu niet ver meer. Ook de Maas lag tijdens de Eerste Wereldoorlog in de frontlinie. Daarom zijn ook hier weer tal van oorlogsmonumenten en militaire begraafplaatsen te vinden. In de Romagne-sous-Montfaucon kom ik langs een begraafplaats voor gesneuvelde Amerikaanse militairen. Het ziet er verzorgd uit, met strak gemaaide gazons en keurig aangeveegde paden. Andermaal zeer indrukwekkend.
Bij Dun-sur-Meuse steek ik de Maas over. Het brengt me op bekend terrein. In omgekeerde richting heb ik het stuk tot aan Montmédy al enkele malen eerder afgelegd. De herinnering die ik hieraan heb wordt geenszins aangetast, het is minstens even mooi als die eerder keren.
Reeds om halfdrie kom ik aan op de camping van Montmédy. Die ligt bovenop een heuvel naast de citadel. Ook deze camping is al vaker door mij bezocht. De laatste keer, nu toch al weer acht jaar geleden, heb ik hier lopen zoeken naar Nanco, die een dag eerder was aangekomen. Op deze camping zouden we elkaar ontmoeten. Voor de zekerheid kijk ik even rond of ik ergens zijn tentje zie staan. Ook nu echter is die nergens te vinden. Niet verwonderlijk, want we hebben daar deze keer ook niets over afgesproken.
Wanneer ik enkele uren later afdaal naar het centrum begint het te regenen. Net op tijd bereik ik een PMU-bar. Binnen zitten een paar oude mensen met elkaar te praten aan de stamtafel. In een hoek hangt een groot televisiescherm waarop paardenraces worden vertoond. Naarmate de paarden dichter bij de finish komen raakt de verslaggever steeds meer opgewonden, om pas na de finish weer geleidelijk tot rust te komen. Bij elke nieuwe race herhaalt zich dit, het is een soort golfbeweging. Hoewel er toch flinke bedragen kunnen worden gewonnen met die paardenraces toont niemand enige interesse. Zelf houd ik het na een paar rondjes ook wel voor gezien. Aan het begin van de avond wordt het gelukkig weer droog. Ik loop terug naar boven en doe en passant wat inkopen.
Vrijdag 1 juli: Montmédy - Hesperange (90 km)
Volgens de buienradar zal het nog de gehele ochtend blijven miezeren. De donkere wolkenlucht doet vermoeden dat het niet slechts bij miezeren zal blijven. Uit voorzorg neem ik daarom mijn ontbijt onder het afdak van het sanitair gebouw.
De eerste kilometers gaan in dalende lijn. Wel fris zo vroeg in de ochtend, maar met de regenjas aan blijf ik voldoende warm. Die regenjas kan daarna al snel weer uit, want regen in wat voor vorm dan ook blijft achterwege. Gaandeweg begint het zelfs op te klaren, al zijn de wolken nooit ver weg. Al snel steek ik de Belgische grens over. Het voelt bijna als thuiskomen, al zal de rit van vandaag me hemelsbreed gemeten niets dichter bij huis brengen.
Het stuk door België blijkt langer dan gedacht. Het is niet het meest enerverende deel van de fietstocht. Aan bossen geen gebrek, maar hierdoor is het zicht op de omgeving nogal beperkt. Bovendien gaat het grotendeels over doorgaande wegen, weliswaar niet heel druk, maar het weinige verkeer scheurt me wel met een rotgang voorbij.
Ik ben dan ook blij dat ik na zestig kilometer Luxemburg binnenrijd. De bossen maken plaats voor een parkachtig landschap, waarin agrarische grondgebruik en stedelijke gebieden elkaar afwisselen. Ook ziet het er een stuk welvarender uit dan aan de andere kant van de grens. De route volgt hier veel kleine weggetjes, vaak aangeduid als ‘piste cyclable’. Ondanks de suggestie die hiervan uitgaat valt er vanwege de loeisteile hellingen nauwelijks normaal te fietsen.
Het eindpunt van vandaag ligt in Hesperange, iets ten zuiden van de stad Luxemburg. Omdat het nog vroeg is, heb ik voldoende tijd om mijn gisteren verregende wasgoed alsnog droog te krijgen. Dat geldt ook voor mijn tent. Tevens kan ik gezeten op mijn campingstoeltje in alle rust de start van de Tour de France meemaken, een tijdrit in het centrum van Kopenhagen.
Naast me staat een andere fietser. Hij volgt de route ‘Groene Weg naar de Middellandse Zee’ en is nu op de terugweg naar Nederland. Wellicht is het daarom beter om te spreken van de ‘Groene weg naar Nederland’. Even denkt hij dat ik dezelfde route rijd, omdat die ook met het woord ‘groene’ begint.
’s Avonds eet ik voor het eerst deze fietsvakantie dan eindelijk in een restaurant. Ik laat het me goed smaken, al ben ik van mening dat mijn zelf bereide pasta’s minstens zo lekker zijn. Ondanks de herrie van een openluchtconcert pal naast de camping slaap ik al voor tien uur in. Oordopjes zijn onmisbaar als je gaat kamperen.
Zaterdag 2 juli: Hesperange – Bleialf (111 km)
Via een fietspad op de bodem van het diep uitgesneden dal van de Alzette meander ik Luxemburg-Stad binnen. Van het centrum is maar weinig te zien, omdat dat zich op het plateau zeventig meter hoger bevindt. Met een glazen lift ga ik even verderop overigens wel naar boven. Voor mensen met hoogtevrees is dat geen onverdeeld genoegen. Eenmaal op het plateau steek ik via een enorme hangbrug het dal van de Alzette over. Pas vanachter de veilige spijlen van de brug durf ik van het panorama genieten. Diep beneden mij kronkelt de nu haast onzichtbare rivier.
Door een buitenwijk vol met kantoorgebouwen verlaat ik de stad weer. Al snel volgt de route weer een fietspad. In vergelijking met gisteren is dit deel van Luxemburg veel bosrijker. Wat dat betreft doet het al veel meer aan de Ardennen denken.
Bij Junglinster verlaat ik tijdelijk de Groene Valleienroute. Door het Müllerthal daal ik kilometers lang af naar uiteindelijk de Our, een riviertje op de grens van Luxemburg en Duitsland. Dit deel van Luxemburg wordt ook wel Klein-Zwitserland genoemd vanwege zijn zandsteenformaties en watervallen. Overigens krijg ik daar weinig van mee vanwege de hoge snelheid en het autoverkeer waarmee ik de weg moet delen.
Bij Bollendorf steek ik de Our over en daarmee dus de grens met Duitsland. Na Nederland, Frankrijk, België en Luxemburg is dit alweer het vijfde land tijdens deze fietsvakantie. Langs een rustige weg win ik geleidelijk weer aan hoogte. Met een uitbundig schijnende zon aan een strakblauwe hemel begint het aardig warm te worden. Ondanks dat het niet al te steil is, gutst het zweet me van het gezicht. Halverwege de helling gaat mijn telefoon. Omdat je nooit kan weten wie het is en waarvoor die belt stop ik toch maar even. Het is Rudy en hij vraagt hoe het met me gaat. En hoe het staat met mijn fietsplannen voor Spanje later deze zomer. Wellicht kunnen we iets met elkaar afspreken. Ik leg hem de situatie uit en zeg dat ik hem later nog wel zal terugbellen.
Na een korte tussenstop bij een bakker pak ik de Groene Valleienroute weer op. Tientallen kilometers lang volgt die hier een voormalige spoorlijn door de bossen, eerst nog geleidelijk doorstijgend tot ruim vijfhonderd meter en daarna weer in dalende lijn. Erg mooi, maar op den duur ook wel een beetje saai, temeer omdat het fietspad de weinige dorpjes onderweg links en rechts laat liggen. Pas bij Bleialf verlaat ik het fietspad om even later mijn tent op te zetten op de plaatselijke camping.
Zondag 3 juli: Bleialf – Aken (111 km)
Zoals elke dag begint ook deze dag al vroeg met een vogelconcert. Nadat bij het eerste ochtendgloren de eerste vogel zijn riedeltje heeft gefloten volgen er al snel een paar anderen en binnen de kortste keren is de lucht vol met vogelengezang. Het zorgt ervoor dat ook ik weer vroeg in de veren ben.
Bij het ontbijt reken ik uit hoeveel kilometer het nog is tot Heerlen en hoeveel korter het is wanneer ik een stuk afsnijd via de Romeroute van Benjaminse. In beide gevallen zal ik nog een flink eind moeten fietsen, een beetje teveel eigenlijk voor één dag. Het ziet er daarom naar uit dat ik vanavond nog eens mijn tent zal moeten opzetten, bijvoorbeeld op de stadscamping van Aken. Dan kom ik op het idee dat ik natuurlijk ook in Aken in plaats van in Heerlen op de trein kan stappen.
In de wetenschap dat dit waarschijnlijk mijn laatste fietsdag zal zijn, stap ik met frisse moed op de fiets. Fietsvakanties zijn over het algemeen erg leuk, maar tegen het einde neemt het verlangen om naar huis te gaan meestal sterk toe, niet in de laatste plaats door het vooruitzicht weer in mijn eigen bed te kunnen slapen. Overigens staat dat verlangen los van de duur van de fietstocht. Bij een fietstocht van een week heb ik dat meestal tegen het einde van de week, bij een fietstocht van twee maanden tegen het einde van de tweede maand.
Op hetzelfde punt waar ik gisteren het fietspad verliet pak ik hem vandaag weer op. Al vrij snel duik ik een honderden meters lange voormalige spoortunnel in. Gelukkig is die verlicht, al kan het voor mijn eigen zichtbaarheid geen kwaad ook mijn fietslamp aan te zetten. Zo ongeveer op de grens met België ligt hoog boven het dal een viaduct. Enkele weken geleden ben ik daar nog met de auto over gereden, op de terugweg van onze vakantie in Saarburg.
Ook de rest van de dag zal ik over voormalige spoorlijnen rijden. Vanaf Sankt Vith is dat de Vennbahn, populair bij veel fietsers vanwege zijn milde stijgingen. Na mijn ervaring van gisteren heb ik even getwijfeld wellicht toch maar de Romeroute zal nemen. Eenmaal onderweg besluit ik door te rijden, want het is hier geweldig mooi. In vergelijking met gisteren is het meer open, waardoor je meer zicht hebt op de omgeving. Op sommige plekken liggen nog stukjes hoogveen, zorgvuldig geconserveerde restanten van de eens zo uitgestrekte Haute Fagnes.
Net als gisteren kom ik onderweg ook nu vrijwel geen stadjes tegen. Na een paar uur fietsen begin ik echter wel trek te krijgen in koffie. Ook zal ik wat te eten moeten zien te krijgen, want de resterende broodjes in mijn fietstas lijken niet genoeg voor de rest van de dag. Pas in de buurt van Monschau dient zich een geopende terrasje aan. Niet in het stadje zelf, maar aan het een stuk hoger gelegen fietspad. Daar zit ook een andere fietser, een Nederlander die uit Aken is komen fietsen. Zijn geografische kennis blijkt niet al te groot, want hij heeft het erover dat hij na de Vennbahn vanaf Baraque Fraiture lang de Rur terug naar Eindhoven zal fietsen. Voorzichtig opper ik of hij wellicht Baraque Michel en Roermond bedoelt, maar hij houdt voet bij stuk. Ik hoop voor hem dat hij de juiste tracks in zijn fietscomputer heeft geladen.
Het restant tot aan Aken loopt vrijwel voortdurend licht naar beneden. Dat schiet wel lekker op. Naarmate ik dichter bij Aken kom wordt het steeds drukker op het fietspad. Op deze mooie zondag hebben kennelijk veel mensen het plan opgevat een eindje gaan fietsen. De Vennbahn loopt door tot aan het centrum van Aken. Het station is vervolgens snel gevonden.