2021 Een dagje naar het strand
2021 Een dagje naar het strand
België
0. Eindhoven
1. Tienen
2. Givet
Champagne-Ardennes
3. Charleville
4. Courmelois
5. Mery-sur-Seine
6. Ligny-le-Châtel
Bourgogne
7. Vezelay
8. Nevers
Auvergne
9. Villefranche-d’Allier
10. Miremont
11. St-Pierre-Colamine
12. Allanches
13. Nasbinals
Languedoc-Roussillion
14. Castelbouc
15. Les Rives
16. Fabrègues (rustdag)
17. Montpellier
Vorig jaar hebben Nanco en ik vanwege coronabeperkingen onze fietsplannen diverse keren moeten bijstellen. Uiteindelijk zijn we vanuit Nederland heen en weer naar het voormalige IJzeren Gordijn gereden. Het was weliswaar een mooie tocht, maar ondanks dat we na afloop ruim duizend kilometer op de teller hadden staan bleef het gevoel hangen dat we niet echt ver weg waren geweest. Voor een belangrijk deel had dat ermee te maken dat er onderweg weinig variatie was geweest in het landschap. Als we die duizend kilometer in rechte lijn naar het zuiden hadden afgelegd, dan was dat wel anders geweest en waren we zelfs in de buurt van de Middellandse Zee uitgekomen.
Het gevolg van al dat bijstellen was wel dat we een aantal min of meer uitgewerkte tochten op de plank hadden liggen. De initieel geplande tocht door Spanje kon echter ook dit voorjaar wegens corona niet doorgaan. Waarschijnlijk zou er in de zomer wel meer mogelijk zijn, maar dan zou het daar te warm zijn om te fietsen. Bleven over de opties Oostenrijk/Slovenië en Normandië/Bretagne. Beide hadden echter hetzelfde nadeel als de tocht van vorige jaar, namelijk dat het rondritten waren.
In mei, tijdens een gezamenlijke fietstocht over de Sallandse Heuvelrug, stelde ik Nanco voor om dwars door Frankrijk naar de Middellandse Zee te rijden. Dit keer niet via een bestaande route, want die hadden we eigenlijk allemaal wel eens gereden, maar via een nieuwe, door mijzelf uitgestippelde route. Die liep onder andere door het vulkaanlandschap van de Auvergne en over de hoogvlaktes van de Cevennen, twee gebieden die hoog op mijn verlanglijstje stonden. Maar ook gebieden die vanwege de zwaarte zorgvuldig gemeden werden door de bestaande langeafstandsroutes. Na een dagje aan het strand zouden we dan in Montpellier het vliegtuig terug naar Nederland kunnen pakken. Er was niet veel voor nodig om Nanco enthousiast te krijgen voor dit plan.
Volledigheidshalve zij opgemerkt dat ik bij het uitstippelen van de route deels wel gebruik gemaakt heb van bestaande routes. Het betreft het eerste deel tot aan Charleville, waar de Barcelona-route van onze favoriete routemaker Paul Benjaminse gevolgd wordt. En verder het stuk van Troyes naar Nevers, over de route ‘Langs Oude Wegen’ van Europafietsers.
Donderdag 22 juli: Eindhoven - Tienen (115 km)
Het is goed tien uur wanneer ik met volle bepakking het parkeerterrein achter ons appartement verlaat en door de brandgang naar voren rijd. Op het balkon staat Irina daar al klaar om mij uit te zwaaien. Hoewel ik gisteren ook al vrij had, heb ik mijn vertrek met een dag uitgesteld. Dat gaf me de gelegenheid nog wat boodschappen te doen en de laatste voorbereidingen te treffen. Verder hadden we nog een afspraak met de huisarts. In verband daarmee ben ik vanmorgen nog even naar de apotheek geweest om medicijnen voor haar op te halen.
Gisteren is Nanco al vertrokken, nadat hij de nacht ervoor bij ons heeft geslapen. Bij wijze van uitgeleide heb ik hem een stuk op weg geholpen. Hoewel we graag samen fietsen, vinden we het allebei ook wel prettig om alleen te reizen. Tegelijkertijd is het ook erg leuk om ergens in den vreemde af te spreken. In het verleden hebben we dat al diverse malen gedaan. Zo herinner ik me een afspraak in Wirtshaus Wuppke aan de Schlütterstrasse in Berlijn. Dat was in de tijd (1984) dat er nog geen mobiele telefoons bestonden, waardoor je tot op laatste moment onzeker was of je de ander op de afgesproken plaats en tijd zou aantreffen. Tegenwoordig is dat wel wat anders. Ook de andere keren dat we zo’n afspraak hadden kan ik me nog goed herinneren. Bijvoorbeeld in Pegli (vlakbij Genua), waar Nanco zich met een verhitte kop meldde aan de poort van de camping, net nadat hij komend vanaf het vliegveld een gevaarlijke tocht door het drukke stadsverkeer had overleeft. Of die keer in Wertheim (nabij Würzburg), waar ik hem niet herkende en aanzag voor een zwerver vanwege zijn onverzorgde baard. Deze keer hebben we met elkaar afgesproken de baardgroei onder controle te houden. En door elkaars locatie te delen op de mobiele telefoon kan er eigenlijk weinig meer misgaan. Met een dag achterstand begin ik dus aan de achtervolging. Uiterlijk over een week zal die weggewerkt zijn, wanneer hij volgens plan een rustdag neemt in Nevers.
De eerste dertig kilometer rijd ik op bekend terrein. Via Veldhoven en Dommelen gaat het door natuurgebied ‘De Malpie’ naar de Belgische grens. Daarna volgt een kilometers lang fietspad over een voormalige spoorlijn, nagenoeg kaarsrecht en grotendeels omzoomd door bomen. Alleen bij Neerpelt wordt de monotonie even kortstondig onderbroken. Bij Neerpelt ook verlaat ik mijn vaste trainingsrondje. Incidenteel ben wel eens verder geweest, maar die keren zijn op de vingers van een hand te tellen.
Op het punt waar ik het fietspad eindelijk weer verlaat neem ik een rustpauze, gezeten in het gras aan de rand van een akker. Nauwelijks gehinderd door bewolking zet de zon het omringende landschap in het volle licht. Het goudgele graan wuift zachtjes in de wind, met op de achtergrond een donkergroene bosrand. Boven het veld zweeft een roofvogel op zoek naar een prooi. Voor de rest vooral stilte. Genieten, en dat in de wetenschap dat de fietsvakantie pas net is begonnen en dat er overal van dit soort plekjes zijn. Je hoeft alleen maar om je heen te kijken om die te kunnen zien.
Beringen is een voormalige mijnstad aan het Albertkanaal. In het centrum zijn de schachtbokken en koeltorens nog prominent aanwezig. Tegenwoordig heeft dit beschermde industriële erfgoed nog slechts museale waarde. Na de mijnsluiting kwamen tal van andere industriële sectoren tot ontwikkeling, waardoor de stad belangrijk bleef voor de economie voor dit deel van België. Zoals op veel andere plaatsen bestond / bestaat een belangrijk deel van de industriële arbeidskrachten uit gastarbeiders. Met als gevolg dat je je in bepaalde straten van Beringen haast in Turkije waant, vanwege de vele Turkse winkels en eettentjes. Op de terrasjes zitten Turkse mannen gezellig met elkaar thee te drinken, onderwijl spelend met de kralenkettingen in hun handen.
Na het oversteken van het Albertkanaal zit ik ineens weer in België. Tot aan Diest volgt een wat minder interessant stuk. Het landschap is een stuk opener en met de fietspaden is het wel gedaan. Meestal rijd ik op van die typisch Vlaamse macadamwegen, door van die typisch Vlaamse lintdorpen, met van die typisch Vlaamse - en daarmee bedoel ik kitscherig aandoende - huizen. Kortom, niet iets om over naar huis te schrijven, laat staan om op te nemen in een reisverslag.
Diest daarentegen is de moeite van het bezoeken meer dan waard. Deze stad aan de Demer heeft een gezellig centrum, met tal van historische gebouwen, waaronder het beroemde Begijnhof. Dat schijnt zelfs één van de mooiste van heel België te zijn. Op de Grote Markt neem ik plaats op een terrasje. In tegenstelling tot mijn vorige bezoeken aan Diest is het plein deze keer niet volgestouwd met kermisattracties. Qua geluidsvolume is het echter niet veel anders. Boven de muziek van de omliggende terrasjes uit kan ik nog net de oubollige muziek ontwaren die op mijn eigen terras gedraaid wordt. Desondanks is het afdoende om uren later nog met een liedje van Neil Diamond in mijn hoofd te fietsen.
Want doorgefietst wordt er uiteraard. In tegenstelling tot Nanco, die hier gisteren is gestopt, wil ik nog doorrijden tot Tienen, ruim dertig kilometer verderop. Even voorbij Diest zijn de gevolgen van de hevige regenval van de laatste tijd goed zichtbaar. Over een traject van circa een kilometer staat het fietspad langs de Demer onder water. Aan het begin ervan zijn een paar Duitsers bezig hun fietsen en fietstassen schoon te maken. Ze zijn er net doorheen gefietst en raden me sterk af om dat ook te doen. Gelukkig kan ik een alternatieve route volgen, die me even later weer terug naar de Demer voert. Hier loopt het fietspad verder over een dijkje, zodat ik droge voeten kan houden. Vanaf de dijk is goed te zien dat de uiterwaarden helemaal zijn ondergelopen. Slechts de kruinen van de bomen steken nog boven het water uit.
Tot aan Tienen gaat het daarna weer over een voormalige spoorlijn. Ook deze is op een paar flauwe bochten na kaarsrecht en ook hier weer veel bomen aan weerszijden. Mooi en rustig uiteraard, maar op den duur ook wel wat saai. Ik ben dan ook blij dat ik aan het einde van de middag Tienen binnenrijd.
De camping ligt verscholen in een oude wijk vlakbij het centrum. Ik rijd er aanvankelijk nog aan voorbij, omdat uit niets blijkt dat hier ergens een camping is. Aan beide zijden van de straat bevindt zich namelijk een gesloten rij huizen. Uiteindelijk ontwaar ik een bordje, met daarop de mededeling dat ik bij één van die huizen aan moet bellen. Er komt een man naar buiten die een naastgelegen poort voor me opent. In de open ruimte achter de huizenrij ligt een grasveld, met daarop een stuk of tien tenten. De camping bestaat pas enkele jaren, vertelt de man. Dit speciaal voor de fietsers die hier op doorreis zijn naar Frankrijk. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat hier toch ook een portie eigen belang meespeelt. Zo’n camping in je achtertuin is natuurlijk een aardige bijverdienste, zeker in de zomermaanden. De man legt me de huisregels uit en dat zijn er nogal wat. Eén daarvan wist ik gelukkig al van tevoren, namelijk dat je gereserveerd moet hebben om hier te kunnen overnachten. Dat heb ik gisteren dus braaf gedaan. Verder de gebruikelijk coronamaatregelen, waaronder het dragen van een mondkapje in het toilethok (wel lastig bij het tandenpoetsen). Opmerkelijk is de regel dat van de beide douches er slechts één tegelijkertijd gebruikt mag worden. En dat terwijl beide douches met een hoge muur van elkaar zijn gescheiden.
Na de gebruikelijke rituelen als het opzetten van de tent, het douchen en het wassen van mijn fietskleren loop ik naar het centrum. In tegenstelling tot de rest van de stad blijkt dat wel bezienswaardig te zijn. Aan de Grote Markt geniet ik met uitzicht op de tegenoverliggende kerk van een heerlijke pastamaaltijd.
Terug op de camping zet ik een kop thee. Vorig jaar heb ik voor het eerst een gasbrander meegenomen en dat is me uitstekend bevallen. Niet zozeer om te koken, maar meer voor de koffie en thee. Tevreden kijk ik terug op de eerste dag. De kop is eraf. Elke dag zal me een stukje verder naar het zuiden brengen en als ik dat maar lang genoeg volhoud, dan kom ik vanzelf uit bij de Middellandse Zee. Maar zover is het gelukkig nog lang niet. Eerst maar eens slapen en daarna weer een nieuwe dag. Veel verder vooruitkijken heeft geen zin, dat leidt alleen maar af van het hier en nu. Want dat is waar het in een fietsvakantie om gaat. Leven bij de dag, genieten van alles wat je tegenkomt onderweg en voor de rest nergens aan denken.
Vrijdag 23 juli: Tienen - Givet (106 km)
Net buiten de bebouwde kom van Tienen pak ik de fietsroute over het voormalige spoorwegtracé weer op. Hier in Wallonië heet die RAVeL 5, waarbij de afkorting staat voor ‘Rèseau Autonome des Voies Lentes’ (‘autonoom netwerk voor langzaam verkeer’). Straks in Frankrijk worden dit soort fietsroutes aangeduid met ‘voie verde’, ook elk met hun eigen nummer. Even voorbij Hoegaarden passeer ik de taalgrens. Aan het omringende landschap is dat niet te merken, maar aan de plaatsnamen op de verkeersborden wel. Ook hier weer veel bomen naast het fietspad, maar toch is het een stuk mooier dan gisteren. Prachtige groene tunnels worden regelmatig afgewisseld met fraaie doorkijkjes naar het omringende glooiende landschap. De weg loopt geleidelijk omhoog, tot een hoogte van circa tweehonderd meter. Ik merk daar echter nauwelijks iets van. Dat heeft ermee te maken dat een trein slechts een hellingshoek van enkele procenten aan kan. Voorbij het hoogste punt neemt mijn snelheid echter aanzienlijk toe, omdat ik dan ineens een paar tandjes zwaarder kan trappen. Met een rotvaart rijd ik zo Namen binnen. Daar eindigt het fietspad abrupt in het drukke stadsverkeer.
Ik heb me voorgenomen om op het punt waar de Sambre zich bij de Maas voegt een rustpauze te houden, onder het toeziend oog van koning Leopold. Om de drukte in het centrum te vermijden navigeer ik via een paar fietstunnels en zelfs een trap naar de oever van de Sambre. Naast het grauwe water dokkert mijn fiets in slakkengang over de ongelijk liggende kasseien. Aan weerszijden grauwe gebouwen die nog het meest doen denken aan vervallen zeventiende-eeuwse pakhuizen. In misdaadseries vormt dit het ideale decor voor het plegen van een moord, zeker omdat er verder geen mens te bekennen is. Opmerkelijk dat er te midden van de drukte van de stad nog zulke verlaten plekjes zijn. Wanneer ik bij de Maas ben aangekomen, blijkt de plek met het standbeeld van Leopold niet bereikbaar vanwege wegwerkzaamheden. Ik stel mijn voorgenomen pauze daarom nog maar even uit tot ik de bebouwde kom achter me heb gelaten. Met uitzicht op de Maas neem ik daar plaats aan een picknicktafel.
Het jaagpad langs de Maas ligt op diverse plaatsen vol met opgedroogde modder. Kennelijk is het ook hier overstroomd geweest ten gevolge van de hevige regenval vorige week. In de Voerstreek en de Eifel heeft dat tot grote problemen geleid, waarbij zelfs doden zijn gevallen. Ook Zuid-Limburg heeft nogal wat wateroverlast gehad. Op diverse plekken liggen op de oever takken die door het water zijn meegevoerd. Er zitten zelfs ontwortelde bomen bij, deels ontdaan van hun bladeren en bast. Overal is men bezig de troep weer op te ruimen en schoon te spuiten. Gelukkig kan ik er nog wel langs, al is het soms wat glibberig.
Bij Dinant steek ik via een brug de Maas over. Zoals meestal in de zomermaanden is het hier een drukte van belang. Tot overmaat van ramp wordt er ook nog een rommelmarkt gehouden. Daar ben ik mijn hele leven al allergisch voor geweest. Met moeite wurm ik me door de mensenmassa heen. Van mijn voornemen om hier een terrasje te pakken komt niets terecht, daarvoor zoek ik liever een wat rustiger plekje op. Dat vind ik in Anseremme, enkele kilometers verderop.
Bij Anseremme steek ik andermaal de Maas over, deze keer via een smalle sluisdeur. Ik ben al even onderweg wanneer ik merk dat ik mijn net bijgevulde bidon op het terrasje heb laten staan. Ik sta in dubio. Zal ik terugrijden of koop ik vandaag of morgen wel weer ergens een nieuwe? In een flits weeg ik de argumenten tegen elkaar af (heb ik nog genoeg water voor de rest van de dag, wanneer kom ik een fietsenmaker tegen, zal een nieuwe bidon niet detoneren met mijn andere bidon en nieuwe fiets, wel zonde van die extra kilometers voor slechts een bidon, wat is eigenlijk belangrijker, de bidon of het water dat erin zit, een bidon van driekwart liter wordt niet door iedere fietsenmaker verkocht, hoe laat is het eigenlijk), maar keer dan om en rijd dezelfde weg weer terug. Als ik weer bij het terrasje ben loopt de serveerster net naar binnen met mijn bidon in haar hand. Met welgemeende dank neem ik die weer in ontvangst. Bij het passeren van het punt waar ik zojuist ben omgekeerd kijk ik op mijn fietscomputer. Dat akkefietje heeft me ongeveer tien kilometer en een half uur extra gekost.
Afwisselend aan de ene en de andere oever rijd ik verder langs de Maas. In vergelijking met het stuk voor Dinant liggen er hier meer bochten in. Het eindpunt voor vandaag ligt bij Givet, de eerste plaats die ik tegenkom na het passeren van de Franse grens. Gezien het vroege tijdstip overweeg ik even om nog verder te rijden. Bij het passeren van de camping zie ik daar echter toch maar vanaf. Het is welletjes geweest.
Tegenover de camping ligt één van de beroemde vestingwerken van Vauban. Op veel plaatsen in Frankrijk kom je die tegen, vooral als er ergens een grens in de buurt is. Deze ligt heel strategisch boven het Maasdal. Zonder permissie van de dienstdoende commandant zou je hier per schip niet hebben kunnen passeren. Ook lopend niet trouwens, of met andere in die tijd in zwang zijnde vervoersmiddelen. De enige permissie die ik nodig heb is die van de campingbaas, niet om te passeren, maar juist om hier te mogen blijven.
Aan het begin van avond loop ik terug naar Givet om te gaan eten. Het is ongeveer een half uur lopen. Ik kies een restaurant uit waar een maaltijdsalade op de menukaart staat, voor de broodnodige vezels en vitamines. Pasta’s en pizza’s zal ik deze vakantie nog genoeg eten. Wanneer de gerant een schaal voor me op tafel zet, blijkt het een stoofpotje te zijn met veel vlees (vooral worst) en weinig groente. Kennelijk laat mijn Frans toch nog te wensen over, zeker waar het de menukaart betreft. Ik laat de helft staan, maar zeg beleefdheidshalve dat het me gesmaakt heeft. Ik vermeld er echter niet bij dat dat alleen geldt voor de glazen bier. Met een onverzadigd gevoel verlaat ik het restaurant weer en ga op zoek naar een snackbar. Die blijken er helaas niet te zijn, althans geen geopende. Alleen bij een epicerie kan ik nog iets eetbaars kopen.
Zaterdag 24 juli: Givet - Charleville (77 km)
‘s Nachts lig ik een paar uur wakker. Op het tentdoek beweegt voortdurend een schaduw onrustig heen en weer. Het lijkt wel of er buiten een hond loopt te kwispelen met zijn staart. Ik sla eens op de binnentent om hem te verjagen, maar het helpt niet veel. Omdat het maar steeds doorgaat en honden naar ik aanneem toch ook wel eens slapen, zoek ik naar een andere verklaring. Ik kom tot de conclusie dat het de vlag moet zijn die bij de ingang van de camping staat te wapperen.
De wind die gisteren nog uit het noorden kwam en die ik dus de afgelopen dagen in de rug had, is vandaag naar het westen gedraaid. Dat is meestal de voorbode van een weersverandering. Voor vandaag zijn dan ook perioden met regen voorspeld. De eerste periode begint net op het moment dat ik aanstalten maak om op te staan. Ik stel dat opstaan daarom nog maar even uit. Wel begin ik in de tent mijn spullen alvast in te pakken en eet daarna de laatste broodjes op die ik van huis heb meegenomen. Vandaag zal ik bij een bakker langs moeten en vanaf nu zal zich dat iedere dag gaan herhalen. Het echte Franse leven is begonnen! Na een bezoek aan het toiletgebouw wordt het zowaar droog. Nadat ik ook mijn bidons heb bijgevuld stap ik weer op de fiets en vervolg mijn tocht langs de Maas.
Bij een voormalige sluis houd ik een half uur pauze om het laatste stuk van de Olympische wegwedstrijd voor mannen (wielrennen) te bekijken op mijn telefoon. Ondanks dat Wout van Aert de sterkste man in koers is, weet hij slechts een zilveren medaille uit het vuur te slepen, achter de ontketende Carapaz. Onze Bauke Mollema wordt verdienstelijk vierde.
Niet toevallig sta ik uitgerekend bij die sluis stil. Een collega van mij is hier, in de tijd dat de sluis nog gewoon een sluis was, met gevaar voor eigen leven de Maas overgestoken, balancerend op de smalle loopplank boven op de sluisdeur, met slechts een kabel boven zijn hoofd als houvast. Ik heb beloofd er een foto van te maken als ik er langs kom. Van de sluisdeur zelf is niets meer te zien, wat rest zijn alleen nog de betonnen muren waartussen die sluisdeur heeft gestaan. Vandaag heb ik meer van dat soort voormalige sluisjes gezien. Na de aanleg van enkele grotere sluizen zijn die kennelijk overbodig geworden. Mogelijk heeft het er ook mee te maken dat er in het verleden wel eens een wandelaar is verongelukt, in een poging de Maas via zo’n sluisdeur over te steken.
Wonderwel blijft het redelijk droog. Die paar spetters mogen geen naam hebben. Ondanks de grijze lucht geniet ik optimaal van de steeds wisselende uitzichten. Naarmate ik zuidelijker kom wordt het steeds mooier. De Maas baant zich hier een weg dwars door de Franse Ardennen. De meanders worden talrijker, de heuvels hoger en de dalen smaller. Van achter de bochten in de rivier verschijnen regelmatig pittoreske stadjes.
Charleville vormt een tweelingstad met Mézières. De officiële naam van deze tweelingstad is dan ook Charleville-Mézières. Aan het begin van de middag kom ik aan op de camping van Charleville, in een meander van de Maas en op loopafstand van het centrum. Evenals gisteren zou ik ook nu nog wel verder kunnen rijden, maar ik heb me voorgenomen vanavond het centrum van Charleville te bekijken, en met name dan het fameuze Place Ducale. Voor het zover is moet ik echter nog even wachten, want om een uur of vier barst er een enorm onweer los, dat maar liefst drie uren aanhoudt. Ik kan niet veel anders dan rustig in de tent blijven zitten tot het voorbij is.
Wanneer het tikken van de druppels tegen het tentdoek is opgehouden wordt het tijd om naar het centrum te gaan. Het Place Ducale is overweldigend, mooier zelfs dan wat ik me er van tevoren van had voorgesteld. Het vierkante plein wordt aan alle zijden omsloten door een rij gebouwen in allemaal dezelfde bouwstijl. Op het plein zelf bevinden zich op diverse plaatsen grote terrassen. Vanwege de net opgehouden regen zijn de meeste nog vrijwel leeg. De meeste bezoekers zitten binnen in de restaurants, of op de overdekte terrasgedeeltes vlak daarvoor. Met moeite vind ik nog een plekje. Dit keer bestudeer ik zorgvuldig de menukaart en bestel een echte maaltijdsalade. Heerlijk, gezond en genoeg.
Zondag 25 juli: Charleville – Courmelois (94 km)
Op mijn nieuwsapp lees ik horrorverhalen over nieuwe wateroverlast in Dinant gisteravond, waarbij de auto’s zelfs door de straten dreven. Waarschijnlijk was dat dezelfde bui die ik over me heen heb gekregen, maar dan wat later. Ook zijn er een paar bezorgde appjes binnengekomen. Ik kan de afzenders geruststellen, hier in Charleville valt het allemaal nog wel mee. Ik had echter geen dag later van huis moeten vertrekken, anders had ik er nu midden in gezeten.
Bij het inpakken voel ik me af en toe duizelig worden, zo erg zelfs dat er ik soms bij moet gaan zitten. Als dat maar goed gaat vandaag. Omdat ik vandaag weinig winkels zal tegenkomen, zoek ik eerst een supermarkt op. In het centrum heb ik er een paar gelokaliseerd met behulp van Google Maps, maar die zijn allemaal nog gesloten. Daarom rijd ik door naar de Lidl even buiten dat centrum, die is al wel open. Bij het afrekenen gutst ondanks de ochtendkilte het zweet me al van het gezicht. Ik zal toch niets onder de leden hebben? De afgelopen dagen heb ik niet erg gezond gegeten, met uitzondering dan van gisteravond. Met een baguette, een zak vol vruchten en een liter melk verlaat ik weer de winkel.
Met wat eten in de maag gaat het onderweg gelukkig een stuk beter. Om de drukke weg door de stad te vermijden volg ik eerst een onverharde pad langs de oever van de Maas. Op een gegeven moment is het pad nauwelijks meer te onderscheiden van het omringende grasland. Eenmaal terug bij de doorgaande weg blijkt die deze zondagmorgen er bijzonder rustig bij te liggen.
Na dagenlang tussen de bomen en de heuvels te hebben gefietst, is het open Noord-Franse platteland wel een verademing. In het begin is het nog wat heuvelachtig, uitlopers van de Franse Ardennen. Verder naar het zuiden wordt het echter steeds vlakker, al blijft het landschap licht glooien. Over lange rechte wegen maal ik de kilometers weg, daarbij behoorlijk tegengewerkt door een stevige zuidenwind. Je zou het saai kunnen noemen, en dat is het eigenlijk ook wel, maar toch kan ik er wel van genieten. Door het nagenoeg ontbreken van bomen kun je oneindig ver kijken (nou ja, tot aan de horizon dan), met boven de lege velden prachtige, steeds wisselend wolkenluchten.
Een tijdje terug werd er in de ‘De Wereldfietser’ (het tijdschrift van de gelijknamig vereniging van fietsreizigers) een oproep gedaan om verhalen in te sturen over het thema ‘Noord-Frankrijk’. Eerder deze maand verscheen dat themanummer en daarin was ook mijn verhaal ‘Waar is de champagne?’ opgenomen. Indirect is dat verhaal ook de reden dat ik hier nu fiets (en Nanco gisteren). In dat verhaal fietsen Nanco en ik door de Champagne zonder ook maar ergens een wijngaard tegen te komen. Dat was zeven jaar geleden. Bij het uitstippelen van de fietstocht van dit jaar heb ik willen voorkomen dat ons dat nog een keer zou overkomen. De lange rechte wegen van vandaag voeren me daarom rechtstreeks naar de beroemde wijngaarden rondom Epernay, de informele hoofdstad van de Champagne.
Aan het einde van de middag gloren in de verte weer wat heuvels. Eenmaal dichterbij blijken er wijngaarden tegen de hellingen aan te liggen. ‘Daar is de Champagne!’. Voordat ik de heuvels bereik houd ik het echter gezien voor vandaag en zoek de camping op van Courmelois. Die wijngaarden komen morgen wel aan de beurt.
Courmelois is een dorpje van niks, waar dus ook niks te beleven valt. Het door Nanco aanbevolen restaurant een dorpje verderop blijkt vandaag gesloten te zijn. De afhaalpizzeria ligt me net iets te ver weg, bovendien heb ik daar niet echt zin in. Daarom maar het eerste van huis meegebrachte noodrantsoen aangesproken: kip met curry in poedervorm uit een zakje, kokend water erbij en smullen maar. Vanwege een geweldige dorst rijd ik even later toch maar even heen en weer naar de afhaalpizzeria voor een paar flesjes bier.
Maandag 26 juli: Courmelois – Mery-sur-Seine (94 km)
De dag begint druilerig en grijs. Zonder ontbijt ga ik op weg, onderweg zal ik wel ergens aanleggen bij een supermarkt. Het is maar even of ik bevind me te midden van de wijngaarden, die ik gisteren bij aankomst al in de verte heb zien liggen. Ondanks de grijze luchten is het een prachtig gezicht. Vanaf een lichte verhoging in het landschap krijg ik een goed overzicht van de uitgestrektheid van dit gebied. In alle richtingen strekken de wijngaarden zich uit, zover het oog kan reiken. Indrukwekkend.
Wanneer ik via een onverhard pad weer naar beneden afdaal rijd ik bijna een wandelaar van de sokken, die plotseling als vanuit het niets de weg oversteekt. Aan zijn uiterlijk te oordelen lijkt het wel een pelgrim, die zo uit de Middeleeuwen is gestapt. Ik mompel een excuus, maar hij is te verbouwereerd om daarop te reageren. Ik krijg een déjà vu en heb het idee dat dit mij al eens eerder is overkomen. Of is dat maar verbeelding? Niettemin ben ik benieuwd of deze toevallige ontmoeting nog een vervolg gaat krijgen. De ervaring leert dat de combinatie fietsen, druiven en pelgrims soms tot bizarre situaties kan leiden.
Nadat ik de Marne ben overgestoken verlaat ik de doorgaande weg en neem een onverhard pad dwars door de graanvelden. Na ruim een kilometer begint het wat drassig te worden, maar daar laat ik me niet door afschrikken. Zolang ik kan blijven fietsen is er niets aan de hand. Gaandeweg worden de plassen echter steeds dieper en talrijker, tot op een gegeven moment het pad geheel onder water verdwenen is. Op een kruising stap ik af om te kijken hoe ik nu het beste verder kan rijden. Ik sta meteen tot mijn enkels in het water. Even verderop lijkt het alleen maar erger te worden. Daar kun je slechts vermoeden dat er nog een pad loopt, omdat daar ook de naastgelegen velden geheel onder water staan. Naar links ontvouwt zich eenzelfde tafereel. Omdat rechtsaf mij te ver van de route zal afvoeren besluit ik om te keren. Hier is geen doorkomen aan. Wanneer ik het asfalt weer heb bereikt, laat ik het water uit mijn schoenen lopen. Hopelijk drogen ze in de loop van de dag weer wat op.
Iets verderop verlaat ik opnieuw de doorgaande weg, maar deze keer kan ik gelukkig op asfalt blijven rijden. Omdat het land hier wat hoger ligt, hoeft ik niet bang te zijn voor nog een waterballet. Ook de wijngaarden zijn weer terug. Bij sommige ervan staan bordjes die aangeven tot welk wijnhuis ze behoren, waaronder enkele bekende namen (‘Moet et Chandon’). Na een kilometer of tien verlaat ik ook dit tweede wijngebied. Meer zal ik er vandaag niet meer tegengekomen, maar dat hoeft ook niet. Het gemis van enkele jaren terug is ruimschoots gecompenseerd.
Het tweede deel van de dag voert weer door een open en leeg landschap, enigszins vergelijkbaar met dat van gisteren. Na het spectaculaire eerste deel is dat wel weer even wennen. Maar ook van zogenaamde saaie landschappen kan een zekere bekoring uitgaan, dat merkte ik al eerder op. Bovendien zorgt de afwisseling er juist voor dat het niet saai wordt. Alleen maar wijngaarden zou ook snel gaan vervelen.
Aan het einde van de middag kom ik aan in Mery-sur-Seine. De naam zegt het al, een stadje aan de Seine. De plaatselijke camping is net als gisteren gesloten (Nanco had me al ingeseind), maar naast het gesloten hek is er nog voldoende ruimte om met de fiets het terrein op te rijden. Voorbij het toiletgebouw zet ik mijn tent op, waarbij ik ervoor zorg dat die vanaf de ingang niet zichtbaar is. Desondanks komt er, nog voordat ik me goed en wel heb geïnstalleerd, een mevrouw de camping oplopen, die duidelijk haar nieuwsgierigheid niet kan onderdrukken. Ze vertelt me dat de camping al het gehele jaar is gesloten wegens gebrek aan personeel, maar dat kampeerders hier nog wel kunnen staan. Zelfs het toiletgebouw wordt nog iedere dag schoongemaakt.
Ondanks dat het maandag is (en de meeste restaurants in Frankrijk zijn gesloten), vind ik nog een geopend Thais restaurant. Voor de rest is ook hier weinig te beleven.
Dinsdag 27 juli: Mery-sur-Seine – Ligny-sur-Châtel (95 km)
Vergeleken met de brede rivier die door Parijs stroomt is de Seine hier maar een betrekkelijk smal en bochtig stroompje. Ten behoeve van de scheepvaart is daarom in de negentiende eeuw op enige afstand van de rivier een kanaal gegraven, het ‘Canal du Haute Seine’. Langs het kanaal ligt een geasfalteerd jaagpad dat ik tot aan Troyes kan blijven volgen. Van de Seine zelf zie ik nauwelijks iets vanwege de vele bomen. Ik moet helaas het fietspad vroegtijdig verlaten, omdat er vlak voor Troyes een tunnel onder water staat. Nanco heeft me daar al voor gewaarschuwd, dus ik sla op tijd rechtsaf. Het laatste stuk rijd ik daarom door de stad.
Op de bewuste fietstocht waar we eerder de Champagne aandeden zijn we ook in Troyes geweest. We hebben daar toen zelfs overnacht. Ik herinner me Troyes als een mooie stad met veel kerken en vakwerkhuizen en een gezellig uitgaanscentrum. Door het drukke verkeer krijg ik er deze keer maar weinig van mee. Bovendien wordt de relatieve rust op het door mij uitverkozen terras onaangenaam verstoord door een paar op hetzelfde plein geparkeerde vrachtauto’s, die om onduidelijke redenen voortdurend hun motoren stationair laten draaien. Het is dat ik de koffie al voor me heb staan, anders zou ik wel een ander plekje opzoeken.
Het duurt even voor ik de stad weer uit ben, maar daarna volgt weer een golvend, overwegend agrarische landschap. Niet zo weids en open als de vorige dagen overigens. Onderweg zijn er meer dorpjes en meer bomen, waardoor het toch net weer iets anders is.
Het fietsen gaat goed vandaag. De vorm is duidelijk groeiende en dat mag ook wel, want het zwaarste deel van deze fietstocht moet nog komen. Maar zover is het nog niet, eerst moet ik Nanco maar eens zien in te halen, die rijdt nog steeds een dag voor me uit. Op de eerste twee dagen na overnachten we steeds op dezelfde camping. Omdat het fietsen zo goed gaat, speel ik even met de gedachte om vandaag nog door te rijden naar Auxerre. Ik realiseer me echter dat me dat geen dag eerder in Nevers zal brengen, tenzij ik morgen honderdvijftig kilometer ga fietsen. De eventuele rustdag die me dat gaat opleveren ruil ik echter liever in voor elke dag een paar uren eerder stoppen.
Bij het oprijden van de camping van Ligny-sur-Châtel word ik door de campingbaas begroet met: “Monsieur Boev?”. Hij vertelt me dat een andere campinggast, eveneens een fietser, mijn komst gisteren al had aangekondigd. Ik antwoord zijn vraag bevestigend en verstrek hem tevens de andere lettergrepen van mijn achternaam: “Boevméstèr”. Nadat ik me geïnstalleerd heb ga ik op het terras zitten en bestel een glas bier. Wanneer ik hem vraag naar restaurants in de buurt adviseert hij me om een pizza te reserveren bij het enige afhaalrestaurant dat het dorp rijk is. En ik kan dat beter maar nu meteen doen, want anders moet ik misschien lang wachten. Hij duwt me alvast het foldertje van het restaurant onder mijn neus. Ik zeg dat ik er nog even over na wil denken, op dit moment heb ik nog helemaal geen trek. Even later loop ik naar het dorp om wat rond te kijken. Andermaal ben ik in een gat terechtgekomen waar niets te beleven valt. Bij een supermarkt kan ik wat eten en drinken kopen waar ik de rest van de avond en ook morgenochtend mee toe kan. Ik kook vandaag weer mijn eigen potje en houd die afhaalpizza verder voor gezien.
Woensdag 28 juli: Ligny-sur-Châtel - Vezelay (80 km)
Over het weer tijdens deze vakantie heb ik tot dusverre weinig te klagen. Alleen de derde dag heb ik wat regen van betekenis gehad, voor de rest is het vrijwel droog gebleven. En belangrijker nog, ook hete dagen zijn me bespaard gebleven. Dat was een paar jaar geleden wel anders, toen de temperatuur opliep tot bijna veertig graden. Ook vandaag is het weer ideaal fietsweer: droog, half bewolkt en een graadje of twintig.
Bij het verlaten van de camping zwaai ik nog even naar de campingbaas, die ondanks het vroege uur alweer druk in de weer is: “Au revoir et bon voyage!”. Tot aan Auxerre zet het glooiende landschap van de vorige dag zich voort. De wijngaarden hier zijn bekend vanwege de Chablis, genoemd naar een gelijknamig dorpje hier vlak in de buurt. Dat betekent dus dat ik de Bourgogne ben binnen gereden. Met de zon erbij is het uitzicht over de met wijnranken bezaaide heuvels fantastisch.
Na een lange afdaling rijd ik Auxerre binnen. Het centrum van Auxerre bezoek ik echter met opzet niet. Mooier dan het uitzicht vanaf de brug over de Yonne zal het waarschijnlijk niet worden. Het felle wit van de plezierjachten en de kerken vormen een fraai contrast met het blauw van de lucht en het water.
Daarna volgt een geweldig mooi fietspad langs de Yonne. Of eigenlijk langs het Canal du Nivernais, dat er vlak naast ligt. In de negentiende eeuw is dit kanaal aangelegd om het hout uit de Morvan af te voeren naar Parijs. Tegenwoordig dient het vooral als vaarverbinding voor de (plezier)scheepvaart. Als zodanig is het een belangrijke verbinding tussen het stroomgebied van de Seine en dat van de Loire. Ruim veertig kilometer lang kan ik dit fietspad blijven volgen. Onderweg passeer ik vele sluisjes, elk met hun eigen nummer, dat op de gevel van het naastgelegen sluiswachtershuisje prijkt.
Het laatste stuk tot aan Vezelay gaat weer door de heuvels. Eigenlijk gaat het na het verlaten van het dal van de Yonne voortdurend lichtjes omhoog, slechts zo nu en dan onderbroken door een korte afdaling. Vanuit de verte zie ik het op een heuvel gebouwde Vezelay al liggen.
Aan de voet van die heuvel ligt de camping. Het is dezelfde camping waar Nanco en ik al eens eerder zijn geweest. Toen hebben we ’s avonds koffie gedronken in de caravan van een voormalig docent van het Geografisch Instituut in Groningen. Hij was daar docent in de periode dat ik daar student was, dus ik zou les van hem gehad kunnen hebben. Pijnlijk voor hem was de constatering dat zijn naam mij niet bekend voorkwam. Gisteren berichtte Nanco mij via Whatsapp dat diezelfde man er weer stond. Om herhaling te voorkomen installeer ik me op een veld dat alleen voor tenten is bedoeld, zover mogelijk verwijderd van de aanwezige caravans en campers.
Omdat het nog vrij vroeg is, kan ik het rustig aan doen. Tegen het einde van de middag loop ik naar het centrum. Dat is nog een hele klauterpartij, want het straatje naar de top van de heuvel is behoorlijk steil. Daar op de top ligt de kathedraal, de belangrijkste trekpleister van de stad. Vezelay is van oudsher een verzamelpunt voor pelgrims, die vanuit hier gezamenlijk verder trokken naar Santiago de Compostella. Tegenwoordig komen er vooral dagjesmensen op af. De enige persoon die nog enigszins het predicaat pelgrim verdient ben ik wellicht, al reis ik dan niet naar de kathedraal van Santiago de Compostella, maar naar een strand in de buurt van Montpellier.
Donderdag 29 juli: Vezelay - Nevers (97 km)
Vanavond zal ik Nanco ontmoeten op de camping van Nevers. Dat wordt tijd ook, want de dag achterstand waarmee ik een week geleden aan deze fietstocht begon heb ik nog voor geen meter ingelopen, ondanks aansporingen op Strava aan zowel mij (zet hem op, of iets van die strekking) als Nanco (doe het eens wat rustiger aan). Er waren momenten dat ik dacht dat het Nevers nooit niet zou lukken. Vandaag zal hij echter een rustdag houden. Gelukkig voor hem is dat niet in zo’n uitgestorven gat is als waar we de afgelopen week regelmatig hebben overnacht.
Het eerste stuk gaat door de uitlopers van de Morvan. Met de zon erbij ziet het er een stuk mooier uit dan toen we hier zeven jaar geleden reden. Vrijwel de gehele dag gaat het op en af, waarmee dit de zwaarste dag is tot nu toe.
Het tweede deel is minder fraai. Het is het bekende verhaal van een leeglopend platteland. Ergens in een dorpje neem ik gezeten op een bankje een lunchpauze. In het kleine half uur dat ik er zit komen er welgeteld twee auto’s, een fietser en een spelend jongetje voorbij.
Om drie uur kom ik aan op de camping, waar Nanco mij al opwacht. Het duurt even voordat de koude biertjes voor ons staan, maar dan kunnen we eindelijk het glas heffen. We wisselen onze ervaringen van de afgelopen week met elkaar uit, al hebben we dat deels ook al via Whatsapp gedaan. De wateroverlast die we onderweg op verschillende plaatsen hebben ervaren blijft uiteraard niet onbesproken. Wanneer ik hem meld dat ik in Vezelay de voormalige docent van het Geografisch Instituut van Groningen niet meer ben tegengekomen, verbaast hem dat niks. Het was namelijk een gefingeerd verhaal.
De camping ligt in de uiterwaarden van de Loire. Onze tenten staan echter hoog genoeg om geen natte voeten te krijgen. Aan het begin van de avond lopen we over de brug naar het centrum toe. Voordat we gaan eten kijken we eerst wat rond en komen daarbij tal van historische gebouwen tegen, waaronder de prominent kathedraal die we vanaf de camping al hebben zien liggen. Ook zijn er genoeg restaurants. We verkiezen een Italiaans restaurant in één van de wat rustiger straatjes. Tijdens het eten wordt ik opgebeld door Alex, mijn kleinzoon. Hij vraagt waar ik ben (“in een ander land”), waar ik dan slaap (“tent”) en of hij die dan kan zien (“lukt niet, want ik zit nu in een restaurant, maar ik stuur straks wel een foto”). Langs een andere route lopen we weer terug naar de brug. In het strijklicht van de nu laagstaande zon ligt die er schitterend bij. Nevers is lang geleden gesticht door de Romeinen en het zou best eens kunnen dat deze brug uit die tijd stamt.
Vrijdag 30 juli: Nevers – Villefranche-d’Allier (89 km)
Vanaf Nevers volgen we een tijdlang de Allier, één van de grootste zijrivieren van de Loire. Even ten westen van Nevers mondt die daarin uit. Vlakbij de monding ligt er een aquaduct waarmee een kanaal over de Allier heen geleid wordt. Met een lengte van 343 meter is het één van de grotere aquaducten van Frankrijk. Inclusief de daaraan vastliggende sluis is die zelfs 470 meter lang. Omdat de sluis tien meter hoogteverschil moet overbruggen, verloopt die in twee stappen. Eigenlijk zijn het dus twee sluizen, waarbij de middelste sluisdeuren gemeenschappelijk zijn.
Voor de rest zien we nog maar weinig van de rivier. Door een vlak landschap vervolgen we onze weg naar het zuiden. Alleen wanneer we na dertig kilometer via een brug naar de andere oever oversteken zien we haar weer even. Daarna wordt het landschap wat glooiender. We komen weinig dorpen tegen, laat staan steden. Het eerste terrasje zien we pas na ruim vijftig kilometer, net nadat we in een weiland onze lunch hebben genoten. Dat terrasje laten we daarom maar ongebruikt liggen.
In dit verlaten gebied zijn de campings niet breed gezaaid. Ik heb er eentje gevonden een paar kilometer ten zuiden van Villefranche-d’Allier. Waarom dit dorp de toevoeging Allier heeft gekregen is ons overigens een raadsel. De rivier ligt hier inmiddels tientallen kilometers uit de buurt. Wellicht refereert het naar de gelijknamige regio. In een dorp eerder bel ik de camping op met de vraag of ze plaats hebben en zo ja, of we daar vanavond ook eten kunnen krijgen. Het antwoord op de eerste vraag is bevestigend, op de tweede helaas niet. We zullen vanavond dus ons eigen potje moeten koken.
Bij de camping worden we verwelkomd door een Nederlandse man. Hij verbaast zich erover dat zijn vrouw tijdens het eerder gevoerde telefoongesprek ons niet heeft aangeboden om vanavond mee te eten. Vanavond zal hij namelijk koken voor de gasten. We zeggen hem dat we zojuist inkopen hebben gedaan bij de plaatselijke supermarkt. Maar graag maken we gebruik van zijn aanbod om de eveneens ingekochte flessen bier in de koelkast te leggen. Nadat we klaar zijn met tent opzetten en douchen kunnen we die dan gezeten op onze stoeltjes naast de tent opdrinken.
Het is een kleine camping met slechts een beperkt aantal gasten. Naast een kampeerveld verhuren ze ook enkele huisjes. Het nog jonge stel runt deze camping pas sinds dit voorjaar, toen ze het hebben overgenomen van een ander Nederlands stel. Het klinkt als het klassieke verhaal uit een willekeurige aflevering van het programma ‘Ik vertrek’. Me bewust van eventuele gevoeligheden informeer ik voorzichtig of de zaken naar wens gaan. Ze mogen niet klagen, er zijn zelfs uitbreidingsplannen. Hoewel dit bepaald geen toeristisch gebied is, is er kennelijk toch voldoende belangstelling. De mensen komen hier dan ook vooral voor de rust. Rustig is het inderdaad, helemaal als na zonsondergang ook het getok van de kippen naast onze tent is verstomd.
Zaterdag 31 juli: Villefranche-d’Allier - Miremont (74 km)
Om de camping te bereiken zijn we gisteren iets van de route afgeweken. Via een onverhard pad dwars door de velden proberen we daar zo snel mogelijk weer op terug te komen. Na een paar honderd meter blijkt dat helaas dood te lopen, zodat we genoodzaakt zijn op onze schreden terug te keren (spreekwoordelijk dan, want we kunnen gelukkig wel blijven fietsen) en alsnog de omweg te nemen.
Vandaag zullen we dan eindelijk de bergen van het Centraal Massief bereiken, al zijn die hier nog niet zo hoog. Vanaf een hoogte van driehonderd meter stijgt het gedurende de dag tot uiteindelijk zo’n zevenhonderd meter. Dat gaat heel geleidelijk, al loopt de weg regelmatig ook weer een stukje naar beneden. Het hoogteprofiel van vandaag vertoont daarom de gelijkenis met een zaagblad. Heel geleidelijk ook ondergaan we zo de metamorfose van een licht glooiend agrarisch landschap naar een bergachtig natuurgebied. Na het ronden van de zoveelste heuveltop verschijnen aan de horizon donkere contouren. De eerste echte bergen! Als we iets dichterbij komen herkennen we daarin de karakteristieke vorm van vulkanen. Eén daarvan springt er wel heel erg in het oog. Zou dat al die Puy de Dôme zijn? Naarmate we dichterbij komen wordt het steeds mooier. Vooralsnog blijft het echter nog steeds vanuit de verte. Pas morgen zullen we daar echt in de buurt komen, dus voor de meest spectaculaire plaatjes zullen we nog tot morgen moeten wachten.
We eindigen in Miremont. Volgens de kaart ligt dat vlak bij een stuwmeer. Helaas blijkt er een bergwand te liggen tussen het dorp en het meer, zodat we daar niets van mee krijgen. Bij de plaatselijke supermarkt moeten we ons inschrijven voor de camping. Daar kunnen we ook inkopen doen voor het avondeten, want van het enige restaurant in het dorp blijkt het eetgedeelte te zijn gesloten. Wel kunnen we er nog een glas bier krijgen. Het dorp blijkt vol poppen te staan. Fietsers naast hun met planten beladen fietsen, een visser op een krukje aan het water met een hengel in zijn hand, een ouder echtpaar op een bankje onbewogen kijkend naar het weinige verkeer dat voorbij komt. Er lijken zelfs meer poppen te zijn dan mensen. Wellicht zijn die er speciaal neergezet om de leegheid van het dorp te maskeren.
Zondag 1 augustus: Miremont – St-Pierre-Colamine (77 km)
Vanwege de regen blijven we langer liggen dan gebruikelijk. Na anderhalf uur lijkt het eindelijk droog te worden, sein om op te breken en in te pakken. Bij de supermarkt kopen we vers brood en beleg. De winkeljuffrouw is verrast ons weer te zien, nadat we gisteravond hebben aangegeven vroeg te willen vertrekken en daarom niet wilden wachten tot de winkel om halfnegen open zou gaan. Op een bankje naast de winkel nemen we ons ontbijt. Intussen is het weer gaan miezeren, dus we houden de regenjassen erbij aan.
De rest van de dag blijft het gelukkig redelijk droog. Vandaag is het de eerste echte bergrit, met een aantal forse beklimmingen. Maar de uitzichten onderweg vergoeden veel, ondanks het grijze wolkendek. Direct buiten Miremont beginnen we al aan de eerste beklimming. Tijdens de afdaling zien we een glimp van het stuwmeer, te weinig echter om er een mooie foto van te maken.
Vlak voor Pontgibaud zijn ineens de vulkanen weer terug, maar nu veel dichterbij dan gisteren. De grootste is de Puy de Dôme, dat is nu wel duidelijk. De ligging komt overeen met de plek waar die volgens de kaart zou moeten liggen. Met zijn 1464 meter reikt die als enige van het stel tot in de wolken. In totaal liggen hier enige tientallen vulkanen in een betrekkelijk klein gebied. Bij het uitstippelen van de route heb ik een variant gemaakt die over de Puy de Dôme zou voeren. Nu we er vlakbij zijn zien we daar echter toch maar van af. Waarschijnlijk hebben we er vanaf een afstand veel beter zicht op dan wanneer we tussen de bomen de berg zelf zouden beklimmen, temidden van de dagjesmensen die daar ook allemaal naar boven willen. Lange tijd houden we zicht op de reeks vulkanen, al moeten we gaandeweg steeds meer achterom kijken om ze nog te zien. Onveranderd levert het prachtige plaatjes op.
Op de camping van Saint-Pierre-Colamine wordt ons een modderige plekje toebedeeld onder de bomen. Helaas is het de enige nog beschikbare plaats. Helaas ook blijkt het naastgelegen restaurant niet meer in bedrijf te zijn, zodat we andermaal worden gedwongen ons eigen potje te koken. Voor de derde dag op rij is het macaroni bolognese, doorgaans het enige dat er in campingwinkels te krijgen is. Tijdens het koken begint het weer langdurig te regenen. Gelukkig is het terras waar we zitten overdekt.
Maandag 2 augustus: St-Pierre-Colamine - Allanche (72 km)
De hele nacht heb ik het koud gehad, ondanks de jas en lange broek. Daardoor heb ik ook niet echt goed geslapen. Om zes uur ben ik het zat en pak mijn spullen in. Met de bagage op de fiets verlaat ik modderpoel waar mijn tent heeft gestaan en loop naar het overdekte terras waar we gisteravond hebben gezeten. Gelukkig is de deur naar de verblijfsruimte ernaast gewoon open, zodat ik daar weer een beetje op temperatuur kan komen. Wanneer even na achten de broodjes arriveren heeft inmiddels ook Nanco zich bij het terras gemeld.
Meteen vanuit de start krijgen we een stevige beklimming voor de kiezen, waarvan de top op circa twaalfhonderd meter ligt. Ook als je in aanmerking neemt dat we gestart zijn op achthonderd meter is dat nog een behoorlijk hoogteverschil. Eenmaal boven worden we getrakteerd op prachtige uitzichten. Na die eerste beklimming volgen er nog een paar, waarvan sommige zelfs tot nog iets grotere hoogte.
Ondanks de inspanningen genieten we volop. Wat ons nog het meest treft is de verlatenheid hier boven in de bergen. Als we al levende wezens tegenkomen, dan zijn dat vooral de koeien die tevreden lopen te grazen in de wei. Dorpjes zijn hier niet, hooguit een gehucht bestaande uit enkele boerderijen. In één daarvan kunnen we onze bidons bijvullen met water. Zo langzamerhand raken we echter ook door onze voedselvoorraad heen. Een hongerklop dreigt vlak voordat we aan weer een volgende beklimming beginnen. We vlooien onze fietstassen nog eens na en stuiten daarbij op de laatste overgebleven energierepen. Die zijn voldoende om ons over de top te helpen.
Na een lange afdaling bereiken we Allanche. Hier willen we inkopen doen voor het geval we vanavond weer zelf zullen moeten koken. Dat is niet denkbeeldig, want het is vandaag maandag en dan zijn de meeste restaurants gesloten. Vandaag blijken hier echter ook de winkels gesloten te zijn. Bij de iets verderop gelegen camping beraadslagen we wat te doen. Hier blijven of nog doorrijden naar Neussargues, de beoogde bestemming voor vandaag? Ik loop de receptie binnen en vraag de beheerder of de winkels in Neussargues wellicht wel open zijn. En of daar nog steeds een camping is. Een eerdere poging om die telefonisch te bereiken is namelijk niet gelukt. Op beide vragen moet ze het antwoord schuldig blijven. Een blik op het beperkte assortiment etenswaren in de vitrinekast leert me dat ook hier bier en pasta zijn te krijgen. Kortom, aan de basisbehoeften om te overleven kan worden voldaan. De beslissing is snel genomen: we zullen hier overnachten.
Zowaar komen we op de camping een andere fietser tegen. Na Nevers is ons dat niet meer overkomen. Het is een jongeman die in zijn eentje een mountainbikeroute volgt dwars door het Centraal Massief. Een aantal dagen terug is hij in Clermont-Ferrand begonnen. Waarschijnlijk is dit ook voor hem de eerste keer sinds lange tijd dat die fietsers tegenkomt. Verschillende keren spreekt hij ons dan ook aan om een praatje te maken.
Dan loopt er ook een nogal neurotisch figuur rond. Toen we bij aankomst voor de receptie bier zaten te drinken, ging hij al een paar maal naar binnen met vragen over de kampeerplaats die hem was toebedeeld. Uren later heeft hij zijn tent nog steeds niet opgezet en loopt voortdurend heen en weer, alsof hij nog op zoek is naar een andere plaats. Omdat de receptie allang gesloten is, stelt hij zijn vragen nu kennelijk telefonisch, daarbij al ijsberend zijn telefoon op speakerstand een armlengte voor zich uit houdend.
Dinsdag 3 augustus: Allanche - Nasbinals (85 km)
Onder een grijs wolkendek verlaten we de camping. De weersvooruitzichten zijn niet al te best voor de komende dagen, voor vanmiddag is zelfs langdurige regen voorspeld. Na het vele klimmen van gisteren hebben we besloten het vandaag wat rustiger aan te doen. Omdat de vooraf uitgestippelde route minstens zoveel bergen als gisteren in petto heeft, zoeken we daarom naar alternatieven. Het betekent wel dat we meer over doorgaande wegen zullen rijden en dat de uitzichten onderweg waarschijnlijk minder mooi zullen zijn. Maar vanwege het zwaarbewolkte weer zouden die sowieso al wat minder fraai zijn dan gisteren, toen de zon er nog regelmatig doorkwam.
Na een paar kilometer al zeggen we onze route op de Garmin gedag en blijven de doorgaande weg naar Neussargues volgen. Dat gaat lekker snel, want de weg loopt voortdurend lichtjes naar beneden. Tijdens het ontbijt op een overdekt terras in het centrum van Neussargues begint het te regenen. Gelukkig is dat van korte duur, maar eenmaal weer onderweg zijn de dreigende luchten nooit ver weg.
Al een paar dagen kijken we er naar uit om Saint-Flour te bereiken. Niet dat dat nou zo’n mooie stad is, maar op dat punt kruist onze de route de fietstocht die we zes jaar geleden hebben gereden, van Bergerac naar Genève. We hebben er toen zelfs overnacht. Saint-Flour zullen we echter vandaag niet bereiken, omdat onze gewijzigde route die links laat liggen.
Even ten zuiden van de stad komen we op een drukke doorgaande weg terecht. Noodgedwongen blijven we hier een tijdje op rijden, in de hoop dat het vanzelf minder druk zal worden naarmate we verder van Saint-Flour verwijderd raken. Die hoop blijkt echter ijdel te zijn. Daarom nemen we de eerste de beste weg rechtsaf en rijden verder over rustige landwegen. Spectaculair is het allemaal niet, maar dat hoeft ook niet. We zijn allang bij dat we van die auto’s verlost zijn en qua klimmen valt het ook reuze mee. De laatste kilometers naar Chaude-Aigues gaat zelfs weer een heel stuk naar beneden.
De naam Chaude-Aigues is afgeleid van het Latijnse Caldaguès, wat ‘heet water’ betekent. Het staat bekend om zijn warmwaterbron, die met zijn tweeëntachtig graden de warmste van Europa is. Na een korte rustpauze verlaten we het stadje weer via een aantal haarspeldbochten, tot we een hoogvlakte bereiken op ruim duizend meter hoogte. Gaandeweg gaan de druppels die we tijdens de beklimming al voelden (al zouden het ook zweetdruppels geweest kunnen zijn) over in gestage regen. Het ziet er naar uit dat het vandaag ook niet meer droog zal worden. Met het verstand op nul en de blik op oneindig malen we de kilometers weg, slechts af en toe onderbroken voor een korte stop. Enkele kilometers voor Nasbinals maken we vanaf een brug een foto van het beekje dat ons al een tijdje vergezeld. Bij het opstappen zien we aan de andere kant van de brug een hotel-restaurant liggen. Lang hoeven we er niet over na te denken. Hier kunnen we droog de nacht doorbrengen en na vier dagen zelfbereide pasta eindelijk weer eens normaal eten.
Na het douchen liggen we eerst een tijdlang in bed na te genieten van de luxe waarin we plots verzeild zijn geraakt. Met tevredenheid stellen we vast dat het buiten nog steeds stevig doorregent. Het bevestigt de keuze om hier te blijven alleen maar. Even later krijgen we in het restaurant een driegangendiner voorgeschoteld. Hoewel we beiden geen uitgesproken vleeseters zijn, laten we ons de biefstuk goed smaken.
Woensdag 4 augustus: Nasbinals - Castelbouc (87 km)
De gehele nacht is het blijven regenen en dat doet het nog steeds wanneer we na een vorstelijk ontbijt in de eetzaal weer op de fiets stappen. We bevinden ons nog steeds op de hoogvlakte. Door nevelen omhuld stijgen we geleidelijk tot ruim dertienhonderd meter, het hoogste punt van de gehele route. Onderweg komen we op een eenzame automobilist na niemand tegen. Vlak onder de top treffen we midden in deze grijze en verlaten wereld opeens een berghut aan. Het lijkt wel alsof alle bergwandelaars uit de omgeving zich in deze berghut verzameld hebben om te schuilen voor de regen. Ook wij komen hier met een kop koffie weer wat op temperatuur.
Als we weer naar buiten gaan lijkt het na bijna een etmaal eindelijk droog te zijn geworden, al druppelt het nog wel wat na. Tijdens de afdaling blijven de uitzichten vooralsnog beperkt vanwege de nog overal aanwezige nevelslierten. In feite zijn het gewoon wolken waar we tussen door rijden. Ook in het achthonderd meter lager gelegen Banassac is het nog zwaar bewolkt. Toch hebben we het idee dat we in een andere klimaatzone zijn terecht gekomen, vanwege het geluid van krekels en bomen die aan platanen doen denken.
Na Banassac gaat het andermaal omhoog. Vlak voor de top hoor ik opeens Nanco hard op zijn vingers fluiten, een paar honderd meter achter mij en net verscholen achter een bocht. Ik bel hem op en hoor dat er iets mis is met zijn fiets. Als ik weer bij hem ben blijkt hij zijn zadel te zijn verloren. Hij speurt de berm af of die daar soms ligt. Ik neem de schade op bij zijn fiets en vis daar het zadel tussen het frame en het achterspatbord vandaan. “Bedoel je deze?”. Terugzetten gaat echter niet, want de bout waarmee dat moet gebeuren blijkt te zijn gebroken. En een reservebout van deze omvang hebben we helaas niet bij ons. Wat te doen? Een fietsenmaker is hier boven op de berg natuurlijk niet te vinden en ook niet in het eerstvolgende dorp in het dal. Maar misschien is daar wel een garage die de gewenste bout op voorraad heeft. Of anders een particulier die ergens een doos met overgebleven ijzerwaren in de schuur heeft liggen. Om daar te komen zullen we echter eerst naar beneden moeten. Nanco probeert of hij wellicht toch nog kan fietsen, waarbij hij plaatsneemt op de bagagezak achter op zijn fiets. Zowaar lukt hem dat. Het scheelt een stuk dat het naar beneden gaat, dan hoeft hij niet zoveel te trappen.
La Malène is een toeristisch dorp gelegen aan de beroemde Gorges du Tarn. Vooralsnog hebben we echter weinig oog daarvoor, al was de afdaling naar het kloofdal wel spectaculair. In onze zoektocht worden we van het kastje naar de muur gestuurd. Als we weer terug zijn bij het eerste adres waar we het gevraagd hebben geven we het op. Misschien moeten we hier maar op de camping blijven en de rest van de dag benutten om elders nog iets te vinden. Desnoods nemen we een taxi naar het veertig kilometer verderop gelegen Millau. De camping blijkt helaas vol te zitten. Gezeten op de bank voor de receptie bellen we nog een paar adressen af, waarvan we vermoeden dat ze ons mogelijk kunnen helpen. Daaronder een fietsenverhuurbedrijf vijfentwintig kilometer stroomopwaarts. Na de eerste zin stelt de man aan de andere kant van de lijn voor het gesprek verder in het Engels te voeren. Dat praat een stuk makkelijker, maar desondanks is het even zoeken naar het Engelse woord voor bout. Maar gelukkig weet Nanco het zo-even opgezochte Franse woord nog wel (‘boulon’). Zowaar blijkt de man wel mogelijkheden te zien ons van dienst te zijn. Hij kan echter niet beloven iemand langs te sturen met het benodigde onderdeel. Maar we zijn natuurlijk van harte welkom om zelf langs te komen. Er zal niets anders op zitten. Nanco neemt zijn plek bovenop zijn bagagezak weer in en zet zich in gang.
We maken van de nood een deugd en genieten onderweg van de geweldige uitzichten over het kloofdal. Als Nanco zijn zadel niet was afgebroken, dan waren we nu hard aan het zwoegen geweest om vanuit het dal weer omhoog te klimmen. Dus eigenlijk mogen we zelfs van geluk spreken, al geldt dat wellicht meer voor mij dan voor Nanco.
Het dorp waar de fietsenverhuurder gevestigd is blijkt in tegenstelling tot La Malène absoluut niet toeristisch te zijn. Vanaf de doorgaande weg moeten we via een steil pad naar beneden om er te komen. Daar worden we verwelkomd door het echtpaar dat het fietsenverhuurbedrijf runt. Hij blijkt afkomstig uit Engeland, zij uit Australië. Jaren terug hebben ze zich hier gevestigd en hun bedrijf geleidelijk met succes uitgebouwd. Momenteel hebben ze een fietsenpark van ongeveer tachtig fietsen. Pijnlijk wordt het even wanneer ik opmerk dat hun dochter kennelijk ook al bezig is het vak te leren. “She is not our daughter”, zegt de vrouw kortaf. Het blijkt een stagiair te zijn, die hier in de zomermaanden komt helpen. De bout waar de man in eerste instantie mee komt aanzetten blijkt niet de juiste schroefdraad te hebben. Daarom stelt hij voor gelijk maar de gehele zadelpen te vervangen, inclusief bevestigingsmateriaal. In een rustig tempo gaat hij aan de slag, onderwijl informerend naar onze fietstocht. Zijn vrouw zet een kop thee en beveelt ons de even verderop gelegen camping van Castelbouc aan. Redelijk rustig en met een goed restaurant in de buurt. Ook heeft ze wat tips voor de dag van morgen, wanneer we de Causse Méjean zullen oversteken naar Meyrueis. Al met al zijn we zeker een uur bezig voordat de fiets gerepareerd is. Als het op betaling aankomt ontspint zich een omgekeerd spel van loven en bieden. De man vraagt slechts twintig euro voor de materiaalkosten, terwijl Nanco het dubbele biedt vanwege de tijd die hij er ook aan besteed heeft. “This unique experience is worth more than twenty euro”, antwoordt de man.
De camping van Castelbouc is snel gevonden. Ook hier moeten we vanaf de doorgaande weg eerst een stuk naar beneden. Voor het restaurant moeten we echter later in de avond weer naar boven. Het betreft een klein restaurant met slechts een handvol gasten, dat gerund wordt door een broer en zus van onze leeftijd. De vrouw staat in de keuken, terwijl de man de gasten bediend. Overal hangen foto’s van een besnorde man met pijp aan de muur. Voortdurend klinkt er de muziek van eenzelfde artiest, die met simpele melodieën en minimale muzikale begeleiding een enorme hoeveelheid tekst over zijn toehoorders uitstort. Wanneer we de ober vragen of er een verband is tussen de foto’s en de muziek, vraagt hij verbaasd of wij die zanger dan niet kennen. Het is George Brassens, één van de beroemdste Franse chansonniers uit de jaren vijftig en zestig. Zijn zus is helemaal idolaat van hem. Tot onze schande moeten we bekennen nog nooit van deze George Brassens gehoord te hebben.
Donderdag 5 augustus: Castelbouc – Les Rives (102 km)
Vanwege het akkefietje met het zadel zijn we gisteren een eind van de route afgeweken. Daarom zullen we nu langs een iets andere route dan gepland de Causse Méjean oversteken. Via een steile weg met veel haarspeldbochten zien we langzaam de Gorges du Tarn in de diepte wegzakken. Naarmate we hoger komen wordt het uitzicht steeds spectaculairder. Na de zoveelste haardspeldbocht is het dal definitief uit zicht verdwenen.
Een opstekende wind doet vermoeden dat we bijna op de hoogvlakte zijn aangekomen. Die ligt op circa duizend meter hoogte, vijfhonderd meter hoger dan het dal. Wij kennen de Causse Méjean vooral uit ‘De renner’, een boek van Tim Krabbé over een wielerwedstrijd met start- en eindpunt in Meyrueis. Net zoals de renners in het boek krijgen wij hier boven ook te maken met een stevige tegenwind. Omdat het bovendien niet al te warm is, noopt het ons de jassen erbij aan te houden. Op wat paarden en koeien na is er geen sterveling te bekennen. Ook bebouwing is nagenoeg afwezig. Temidden van deze verlatenheid zien we ineens het busje van de fietsenverhuurder staan. De man heeft net een aantal klanten naar boven gebracht en geeft ze nu instructies. Hij herkent ons nog van gisteren en informeert hoe het met het zadel van Nanco gaat. Ook geeft hij ons nog een paar tips over hoe we verder naar Meyrueis kunnen rijden, min of meer overeenkomend met wat zijn vrouw ons gisteren al verteld heeft.
De afdaling naar het kloofdal bij Meyrueis is fabelachtig. Ondanks de hoge snelheid knijpen we een paar keer in de remmen om er foto’s van te maken. Eenmaal in Meyrueis nemen we plaats op een bankje in het centrum voor de lunch. We kijken naar de mensen die voorbij komen. ‘Niet wielrenners’, om met Tim Krabbé te spreken. Eigenlijk zijn wij dat zelf ook niet, al hebben we dan fietsen bij ons en dragen we fietskleding.
Na onze bandjes te hebben schoongeveegd stappen we weer op de fiets. Bij het uitrijden van Meyrueis begint de weg al meteen weer te stijgen, op weg naar de volgende hoogvlakte. De beklimming van deze Causse Noir is gelukkig minder lang als die van de Causse Méjean, maar minstens zo steil. Eenmaal boven proberen we een glimp op te vangen van de Mont Aigoual, die zich ergens aan onze linkerkant zou moeten bevinden. Het zicht wordt ons echter ontnomen door de bergen die daar kennelijk nog tussen liggen. Aan de andere kant van de Causse Noir dalen we af naar het volgende kloofdal.
Daar kunnen we een tijdje in het dal blijven rijden. Voor de verandering eens geen weidse vergezichten, maar steile bergwanden aan weerszijden. Beneden ons is af en toe de glinstering van het riviertje te zien, dat er in de loop der eeuwen voor gezorgd heeft dat het dal zo diep uitgeslepen kon worden. Wanneer het dal zich verbreedt, begint het toeristischer te worden. Regelmatig dient zich een camping aan, maar we vinden het nog te vroeg om te stoppen. Willen we - voordat we zondag terugvliegen - nog een rustdag aan de kust doorbrengen, dan zullen we vandaag nog iets verder moeten zien te komen. Dat betekent wel dat we nog een keer omhoog moeten, naar de Causse du Larzac. Ook hier ligt het land er verlaten bij. Opvallend zijn de rotsblokken die overal in het veld liggen.
Op deze hoogvlakte ligt volgens Google Maps een camping, even voorbij Les Rives. Het duurt even voordat we die gevonden hebben, op een gegeven moment twijfelen we zelfs of die camping überhaupt nog wel bestaat. Pas vlak voor de camping zien we een bordje staan. Het blijkt een camping met vrijwel alleen Nederlandse gasten te zijn, een enkele (Vlaamstalige) Belg uitgezonderd. Ook de eigenaars zijn Nederlanders. Gelukkig kunnen we er bier en pizza krijgen, want we hebben absoluut geen zin meer om nog naar het dorp terug te fietsen.
Vrijdag 6 augustus: Les Rives – Fabrègues (102 km)
Vandaag hopen we dan eindelijk de kust te bereiken. Hoewel we enige achterstand hebben opgelopen ten opzichte van het geplande schema, moet dat toch wel lukken. Na een geweldig afdaling rijden we Lodève binnen, een vrij grote stad die ingeklemd ligt tussen de bergen. In het betrekkelijk smalle dal is zo weinig ruimte, dat de snelweg het zelfs hogerop heeft moeten zoeken. Op een paralelweg laveren we tussen het drukke verkeer door.
Na Lodève lijkt het erop dat we definitief de bergen hebben verlaten. Het is ook meteen een stuk warmer. Het Lac du Salagou is nu niet ver meer. Ik herken het landschap van eerdere bezoeken aan deze streek, met zijn rossige heuvels en daartussen overal waar het maar even kan uitgestrekte wijngaarden. In ons oorspronkelijke schema hadden we afgelopen nacht op de camping van Octon willen staan, aan de zuidwestkant van het Lac du Salagou. Via de zuidkant van het meer zouden we dan verder zijn gereden naar Clermont l’Herault en daarna naar de kust. Omdat Octon niet meer aan de orde is, besluiten we via de noordkant van het meer te rijden. Dat blijkt een gouden greep. Vanaf een onverhard pad door de heuvels hebben we prachtige uitzichten op het meer en de heuvels daarachter.
Bij het verlaten van het pad rijden we een stadje binnen waarvan we denken dat het Clermont l’Herault is, al hadden we wel gedacht dat dat wat groter zou zijn. Het blijkt dan ook een ander stadje te zijn, Clermont ligt tien kilometer zuidelijker. Een blik op de kaart leert dat we vanuit hier beter verder naar het zuidoosten kunnen rijden om zo weer op de oorspronkelijke route terecht te komen. Na Octon laten we dus ook Clermont aan ons voorbij gaan.
Om de drukke kustzone te vermijden proberen we vooralsnog daar zoveel mogelijk uit de buurt blijven. Maar als je naar de Middellandse Zee wilt fietsen, dan ontkom je daar uiteindelijk niet aan. De laatste tien kilometer gaan daarom langs een drukke weg naar Vic-la-Gardiole. Daar hopen we onze tent op één van de vele campings op te kunnen zetten. Helaas blijkt alles ‘complete’ te zijn. Na een uur vruchteloos bellen naar andere campings in de omgeving (tot aan het dertig kilometer verderop gelegen Montpellier toe) vinden we uiteindelijk een camping tien kilometer terug het binnenland in. Een paar uur geleden zijn we daar al langs gereden, maar toen gingen we er nog vanuit iets dichter bij de kust te kunnen vinden. Er zit helaas niets anders op dan die drukke weg weer terug te rijden.
Op de camping moeten we voor het eerst deze vakantie de QR-code van onze coronatoegangspas laten zien. We krijgen een ruime plaats toebedeeld, inclusief elektriciteit. De voorzieningen zijn uitstekend en het personeel is vriendelijk. We weten het meisje achter de bar zelfs zover te krijgen dat ze speciaal voor ons extra grote glazen bier tapt. Eind goed, al goed. We kunnen hier twee nachten blijven staan en het strand is slechts tien kilometer verderop.
Zaterdag 7 augustus: Naar het strand (40 km)
Na zestien dagen fietsen is dit pas mijn eerste rustdag. Nog nooit eerder heb ik zoveel dagen achter elkaar gefietst. Ik ben er zo onderhand ook wel aan toe. Dat laatste geldt eveneens voor Nanco, al heeft die ruim een week geleden in Nevers ook al een rustdag gehad. De afgelopen week door de bergen zijn dan ook bijzonder zwaar geweest.
De ochtend gebruiken we om uit te slapen en rustig te ontbijten. Bij het toiletgebouw staan een paar wasmachines waar we onze kleren eens goed kunnen wassen. Ondanks de dagelijkse handwasjes beginnen die behoorlijk te stinken. Zo kunnen we morgen natuurlijk niet het vliegtuig in.
Tegen de middag zijn we er wel weer aan toe om op de fiets te stappen, dit keer zonder bagage uiteraard. Om de drukke weg naar Vic-la-Gardiole te vermijden, heb ik een alternatieve route naar het vliegveld uitgestippeld, die ook nog eens een stuk korter is. Om te voorkomen dat we morgenochtend voor verrassingen komen te staan, besluiten we het eerste deel van die route alvast te verkennen. Daarbij komen we langs Fabrègues, een paar kilometer verderop. Op een terrasje drinken we een kop koffie en reserveren gelijk ook een tafel voor het avondeten. We volgen de alternatieve route tot het punt waar die de oorspronkelijke route weer bereikt. Daarna geloven we het wel, het is namelijk niet de bedoeling dat we vandaag al naar het vliegveld rijden.
We slaan rechtsaf en rijden min of meer parallel aan de kustlijn naar Vic-la-Gardiole. Om bij het strand te komen moeten we nog een stuk doorrijden, dwars door de lagunes naar een landtong. De uitzichten over de lagunes zijn fantastisch. Aan het eind ervan is nog net het reepje grond te zien dat de lagune scheidt van de zee. Daarboven gaat het blauwgrijs van het water over in het net iets andere blauwgrijs van de zwaarbewolkte lucht.
Op de landtong parkeren onze fietsen tegen een hek en klimmen bij een houten trap de lage dijk over. Achter een smal kiezelstrand ligt die daar dan, de Middellandse Zee. Vanwege het frisse weer ligt het strand er verlaten bij. Ook wij hebben geen behoefte het water in te gaan, het zien ervan is voldoende. Hier zijn we dan toch maar mooi helemaal vanuit Nederland naar toe gereden. Het vervult ons met gepaste trots. Maar indachtig de bekende pelgrims wijsheid gaat het ons natuurlijk niet zozeer om het bereiken van de Middellandse Zee, maar vooral om de weg ernaar toe. Een weg die ons door drie landen en veel verschillende landschappen heeft gevoerd, het ene nog mooier dan het andere.
In het centrum van Vic-la-Gardiole nemen we plaats op een terrasje. Ook hier is het vrij rustig. We vragen ons af waar al die gasten van de overvolle campings in de omgeving zijn gebleven. Zouden die soms gewoon met zijn allen op de camping zitten? Via dezelfde drukke weg als gisteren rijden we weer terug naar onze camping. Misschien dat het gewenning is, maar het lijkt nu veel minder druk als de eerste keer.
‘s Avonds rijden we weer naar Fabrègues, nu voor het avondeten. Het is maar goed dat we vanmorgen een plaats gereserveerd hebben, want het terras zit afgeladen vol. Ook hier weinig toeristen, de meeste mensen zijn (lokale?) Fransen. Aan het tafeltje naast ons zit een oudere man met alleen een glas pastiche voor zich. Om het kwartier roept hij de serveerster bij zich om dat weer bij te laten vullen. Wij houden het bij een glas bier en een fles wijn.
Zondag 8 augustus: Fabrègues - Montpellier (31 km)
We zijn vroeg opgestaan om straks om acht uur als eerste de bestelde broodjes in ontvangst te kunnen nemen. Wanneer we bepakt en bezakt bij het terrasje zitten te wachten, meldt de vrouw van de camping dat het nog wel een half uur kan duren. Daar willen we niet meer op wachten, we kopen straks wel brood bij een bakker in Fabrègues.
Op het terras van een bar tabac eten we dat vervolgens weer op. Dat is heel gebruikelijk in Frankrijk, zolang je er ook maar iets bij besteld. Op deze zondagochtend hebben we daar gezelschap van diverse mannen op leeftijd, elk met een café noir, croissant en Midi Libre voor zich. Ze komen hier vooral voor de gezelligheid. Het gezelschap slaat steil achterover wanneer we vertellen dat we helemaal uit Nederland zijn komen fietsen. Elk nieuwe bezoeker wordt hier bij aankomst onmiddellijk van op de hoogte gesteld, waardoor het complimenten blijft regenen.
Daarna gaan we op weg voor de laatste etappe van deze fietstocht, dit keer een korte. Onderweg passeren we nog weer een aantal lagunes. Op diverse plaatsen foerageren daar groepen flamingo’s. Omdat we veel te vroeg zijn (ons vliegtuig vertrekt pas om halfdrie), nemen we in de buurt van Montpellier nog een uitbreide pauze op een terrasje vlak aan het strand. Dit keer is het in tegenstelling tot gisteren een zandstrand. Vanwege het betere weer nodigt het dan ook wat meer uit om een duik in het water te nemen. Ook vandaag echter blijven onze zwembroeken in de fietstas zitten.
Vanaf het terras is het nog een kilometer of tien naar het vliegveld. Om een uur of elf komen we daar aan. Dat geeft ons ruim de tijd om onze fietsen en bagage klaar te maken voor de vliegreis.
Aan het einde van de middag nemen we onze fietsen weer in ontvangst in de bagagehal van Rotterdam-The Hague Airport. Nadat we de bagage hebben opgeladen en de banden hebben opgepompt, rijden we naar het centraal station. Nanco kan daar nog net de trein van halfzes naar Groningen pakken, een half uur later neem ik de trein naar Eindhoven.