2022 Fietsen naar Andalusië
2022 Fietsen naar Andalusië
Catalonië
0. Gerona
1. Taradell
2. Montserrat
3. Montblanc
4. Mora La Nova
Aragon
5. Fuentespalda
6. Cantavieja
7. Teruel
8. Albarracin
Castilië – La Mancha
9. Cuenca (rustdag)
10. Olmedilla
11. Barrax
12. Alcaraz
Andalusië
13. Siles
14. Cazorla
15. Alicun
16. Granada (rustdag)
17. Zarrafaya
18. Malaga
Zaterdag 10 september: Vliegreis Rotterdam - Girona
Eindelijk gaat het er van komen. Na een paar eerdere mislukte pogingen zal ik dit jaar dan toch naar Andalusië gaan fietsen, via de gelijknamige fietsroute van Paul Benjaminse. Die route begint in Girona en eindigt naar keuze in Malaga of Sevilla. Vier jaar geleden ben ik daar al eens aan begonnen, zij het in omgekeerde richting. Komend vanuit Sevilla ben ik toen echter vanwege extreme vermoeidheid in Granada gestopt, hoewel het eigenlijk de bedoeling was nog door te fietsen tot Barcelona. Sindsdien staat dat ontbrekende stuk hoog op mijn verlanglijstje. Twee jaar later leek dat rechtgezet te worden, ware het niet dat corona toen roet in het eten gooide. De vliegtickets waren al geboekt en het etappeschema was zelfs al tot in detail uitgewerkt. Twee weken voor vertrek werden onze vluchten echter geannuleerd. Ook vorig jaar was het vanwege de epidemische omstandigheden nog twijfelachtig of we naar Spanje konden afreizen. We hebben het daarom niet eens serieus overwogen. Dit jaar leek er echter meer mogelijk, vanwege de mildere omikronvariant en de daarmee samenhangende relaxtere omgang met corona. In maart boekten we daarom opnieuw de vliegtickets, met als gevolg dat ik vandaag vanaf Rotterdam naar Girona vlieg. Over een week vliegt Nanco naar Valencia en zal zich dan een paar dagen later bij me voegen voor het tweede deel. Over drie weken vliegen we dan samen weer terug vanaf Malaga.
Een half uur later dan gepland stap ik op de trein naar Rotterdam. Dat komt omdat ik nog even langs de fietsenmaker ben geweest voor een nieuw hangslot. Ondanks alle voorbereidingen de afgelopen dagen heb ik dat even over het hoofd gezien. Gelukkig heb ik voldoende speling ingebouwd, mede vanwege de recente spoorwegstakingen. Het zal je toch overkomen dat - wanneer eindelijk alle seinen op groen staan om naar Spanje af te reizen - je door een vertraging op het spoor het vliegtuig mist. Het is vrij druk in de trein, maar desondanks is het geen probleem een plaats te vinden. Ruim op tijd ben ik bij het vliegveld, zo vroeg zelfs dat reizigers naar Girona het luchthavengebouw nog niet naar binnen mogen. Geen probleem, het is mooi weer en zo kan ik ongehinderd door de nieuwsgierige blikken van andere reizigers rustig mijn fiets prepareren voor de vliegreis. Trappers eraf, stuur een kwart slag draaien, banden leeg laten lopen en daarna de fietshoes er overheen. Na het inchecken wordt de fiets door een behulpzame medewerker met de hand meegenomen. Over een paar uren hoop ik hem weer intact terug te zien op het vliegveld van Girona.
Afgelopen week heb ik twee AirTags gekocht om mijn fiets en bagage te kunnen volgen. Wanneer ik even later in de vertrekhal op mijn telefoon kijk, zie ik dat mijn fiets zich links van mij buiten op het platform bevindt. De bagage staat nog ergens in de catacomben van het luchthavengebouw. Hoewel het geen garantie is dat ze ook daadwerkelijk meegaan, stelt het me wel enigszins gerust. Ik weet in elk geval waar ze zich bevinden. Helemaal gerust ben ik pas als bij het taxiën fiets en bagage zich synchroon met mijn eigen locatie over het scherm bewegen. Het ultieme bewijs dat beide zich aan boord bevinden.
De vliegreis verloopt verder voorspoedig. De Zeeuwse delta is goed te zien vanuit de lucht, maar naarmate we hoger komen wordt het waziger. Na ruim een uur doemt in de verte een enorme wolkenband op. Zouden daar de Pyreneeën al liggen? Met de ondergaande zon erbij is het een prachtig gezicht. Het zijn inderdaad de Pyreneeën, want even later zet het vliegtuig de daling in naar Girona.
Het is al donker wanneer ik als laatste de aankomsthal verlaat. Het weer rijklaar maken van de fiets heeft de nodige tijd gekost. Op een verbogen spatbord en een defecte verlichting na heeft die de vliegreis goed doorstaan. Gelukkig is het vooraf geboekte hotel slechts een paar honderd meter van het vliegveld verwijderd. Dat bespaart me een gevaarlijk rit in het donker. Even voor halftien meld ik me bij de receptie. Hoewel Spanje erom bekend staat dat je er tot ’s avonds laat kunt eten, krijg ik bij de receptie te horen dat het restaurant al over enkele minuten dichtgaat. Nadat ik mijn fiets in een halletje naast de receptie heb gestald en mijn fietstassen naar mijn kamer heb gebracht, loop ik het restaurant binnen in de hoop toch nog iets eetbaars te kunnen krijgen. Gelukkig is het dienstdoend personeel bereid mij nog van een maaltijd te voorzien. Wanneer mijn bord leeg is vraagt een vrouw - die ik tot dusverre nog niet heb gezien maar blijkbaar al die tijd in de keuken heeft gestaan - vriendelijk of ik het restaurant wil verlaten. Morgenochtend is het namelijk voor hen al weer vroeg dag. Ik bedank haar en de man hartelijk voor het eten en wens ze een goede nacht.
Zondag 11 september: Girona - Taradell (79 km)
Vandaag is het nine-eleven. Wie staat daar tegenwoordig nog bij stil, in een tijd waarin internationale crises van velerlei aard zich aaneenrijgen. Ongevoelig voor al dat wereldse tumult fietst de fietser onverdroten voort. Deze fietser begint vandaag aan zijn fietstocht naar Andalusië.
Bij het ontbijt zie ik de mensen van gisteravond niet meer terug, wat hun verhaal van gisteren dat ze weer vroeg op moesten wat ongeloofwaardig maakt. Om een uur of negen ga ik pad. Ondanks de nabijheid van Girona met zijn beroemde hangende huizen bezoek ik die stad niet. In plaats daarvan zoek ik zo spoedig mogelijk de route op. Dat betekent dat ik eerst een stuk naar het noorden moet fietsen, wat een beetje vreemd aanvoelt als je eigenlijk naar het zuiden wil. Eenmaal op de route sla ik in Angles wat proviand in voor onderweg. Op het voorliggende stuk zal ik waarschijnlijk weinig meer tegenkomen, al helemaal omdat het zondag is en de meeste winkels gesloten zullen zijn.
Na Angles volgt een langdurige klim, die me uiteindelijk tot een hoogte van duizend meter brengt. De weg slingert zich door een prachtig schaduwrijk kloofdal. Van mooie vergezichten is helaas geen sprake, maar die zullen de komende weken ongetwijfeld nog ruimschoots aan bod komen. De meeste tijd rijd ik onder de bomen, met aan weerszijden steil oprijzende bergwanden en in de diepte het kabbelende water van de rivier. Af en toe wordt de monotonie onderbroken door fraaie dorpjes en verrassende doorkijkjes op plaatsen waar de bergwand terug wijkt.
In Sant Hilari, een kilometer of zes onder de top, geniet ik even van het Spaanse leven op een zomerse zondagmiddag. Het hele dorp lijkt zich verzameld te hebben onder de platanen op het centrale plein: gezinnen met spelende kinderen, vriendengroepen lurkend aan hun bier en bedaard met elkaar pratende oude mannen. Niemand die ervan opkijkt dat op één van de bankjes een fietser zijn broodje zit te eten.
Na de lange klim volgen er nog een paar kortere, waar ik aanzienlijk meer moeite mee heb. Kennelijk heb ik al mijn kruit verschoten op die eerste klim. Hier in Spanje is het kennelijk geen meter vlak. Ik moet er maar aan wennen, het zal de komende weken niet anders zijn. Vlak onder de top van de laatste klim en slechts luttele kilometers verwijderd van de camping bij Taradell wordt het me even teveel en neem ik badend in het zweet mijn toevlucht tot de berm. Een passerende motorrijder die me in deze deplorabele toestand aantreft vermindert vaart en informeert of alles okay is. Ik trek een niet geheel overtuigend ‘niets-aan-de-hand’ gezicht en gebaar dat hij door kan rijden.
Uitgeteld meld ik me even later bij de camping. Tijdens het inschrijven ga ik er bij zitten, omdat ik het gevoel heb ieder moment flauw te kunnen vallen. De receptionist is me even kwijt en staat op van haar stoel om te kijken waar ik gebleven ben. “I am tired”, voer ik als verklaring aan. Ik ben zelfs te moe om het Spaanse woord voor ‘moe’ op te zoeken, maar ondanks haar gebrekkige Engels begrijpt ze het wel.
De camping wordt voornamelijk bevolkt door Spaanse gezinnen die hier het weekend in hun stacaravans hebben doorgebracht. Tussen de caravans door rijd ik helemaal naar het bovenste deel van de camping, dat gereserveerd is voor kampeerders. De weg er naar toe is zo steil dat ik moet afstappen. Bij het opzetten van de tent wordt ik iedere keer bij het opstaan draaierig en moet me ergens aan vast klampen om niet om te vallen. Onderwijl blijf ik enorm zweten. Ik zal toch geen zonnesteek hebben opgelopen? Behoudens in het hotel vanmorgen kan ik me niet herinneren dat ik onderweg ergens heb gepiest. Toch heb naar mijn doen wel voldoende gedronken (een kleine vier liter). Na een verkoelende duik in het zwembad gaat het gelukkig een stuk beter. Kennelijk ben ik toch oververhit geraakt.
Omdat zowel het campingrestaurant als de kampwinkel zijn gesloten, ben ik voor een warme hap aangewezen op een restaurant in Taradell, zo’n twintig minuten lopen hier vandaan. Met tegenzin begin ik aan de wandeling. Bij het passeren van de receptie vraag ik voor de zekerheid of ze wellicht campinggaz verkopen. Ik mocht dat om begrijpelijke redenen niet meenemen in het vliegtuig en vandaag ben ik nog niet in de gelegenheid geweest het ergens te kopen. Na een telefoontje met de baas, die in een stacaravan tegenover de receptie blijkt te zitten, komt er toestemming om de kampwinkel speciaal voor mij even open te doen. Met een gastankje en twee blikjes koud bier loop ik even later weer terug naar mijn tent. Tevreden trek ik daar het eerste blikje open. Voor dit soort gelegenheden heb ik altijd een noodmaaltijd bij me. Kokend water erbij en smullen maar.
Maandag 12 september: Taradell - Montserrat (63 km)
In deze tijd van het jaar beginnen de dagen al merkbaar korter te worden. ’s Ochtends om acht uur gaat de zon pas op, terwijl die twaalf uur later alweer ondergaat. Heel vroeg opstaan is er dus niet bij, maar dat is ook niet echt nodig omdat de zomerse hitte ook hier in Spanje wel voorbij is. Wanneer ik om een uur of negen op pad ga is het zelfs ronduit fris en hangen de nevelslierten nog over de velden. De druppels die van mijn helm naar beneden vallen komen deze keer niet van het zweet, maar van de condens. Al vrij snel echter breekt de zon weer door. Na een klim van ruim zes kilometer gaat het bijna dertig kilometer lang naar beneden. De gisteren met veel moeite gewonnen hoogtemeters worden zo weer grotendeels teniet gedaan. Maar het deert me niet, integendeel, ik kan er alleen maar van genieten. Grote delen kan ik de benen stilhouden, het is voldoende slechts af en toe wat bij te trappen om de vaart erin te houden. In tegenstelling tot gisteren kan ik nu wel ver kijken. Gaandeweg wordt het zicht op het massief van Montserrat steeds beter, hoewel het hemelsbreed nog tientallen kilometers verwijderd is.
Eenmaal beneden kom ik in de stedelijke zone rondom Manresa terecht. In het boekje wordt Manresa afgeschilderd als een drukke stad met enkele voor fietsers gevaarlijke passages. Thuis heb ik daarom een alternatieve route uitgezocht. Daarmee mis je echter ook het centrum en dat is dan wel weer jammer. Ik besluit om het eerst even aan te zien en dan pas te beslissen of ik van dat alternatief gebruik zal maken. De weg waarlangs ik Manresa binnen rijd is weliswaar druk, maar ook niet zo druk dat ik voor mijn leven zou moeten vrezen. Bovendien ligt er een brede vluchtstrook naast waar je betrekkelijk veilig kan fietsen.
In het centrum neem ik mijn lunchpauze in een parkje. Ik wordt daarbij aangesproken door een Spaanse man, die daar staat te wachten op zijn vrouw. Hoewel mijn Spaans ondanks een recent gevolgde online cursus nog bepaald niet vloeiend is, lukt het me een basaal gesprek te voeren. Het blijkt dat hij lang geleden vier jaar in Vlaanderen heeft gewoond. Desondanks spreekt hij slechts een paar woordjes Nederlands (“Goedendag meneer”). De man vertelt dat zijn kleinzoon (hijzelf is al tachtig) ook graag met de fiets op pad gaat, compleet met kampeer- en kookspullen. Wanneer zijn vrouw weer uit een winkel naar buiten komt, wenst hij me een goede reis: “buen viaje!”.
Na Manresa gaat de weg weer licht omhoog. Dat is wel weer even wennen na zo’n lange afdaling, temeer omdat de temperatuur inmiddels is opgelopen tot dertig graden. Een kilometer of twintig voorbij Manresa houd ik het voor gezien en strijk neer op camping Montserrat. Het is dan nog vroeg in de middag.
Vanaf de camping heb je een prachtig uitzicht op het nabij gelegen bergmassief van Montserrat, dat ik eerder vandaag nog slechts vanuit de verte heb gezien. Volgens de legende is hier ooit Maria verschenen, reden waarom deze berg tot op de dag van vandaag een belangrijk bedevaartsoord is. De rest van de dag vermaak ik me prima, afwisselend bij het zwembad, op het stoeltje naast mijn tent of op het terras van het restaurant. Voor het eerst in mijn leven drink ik een alcoholvrij bier dat niet van een echt bier is te onderscheiden, zo lekker. Het is Amstel Malta. Mijn exceptionele dorst zal daar wellicht mede debet aan zijn. Ik neem me voor om later, als ik weer thuis ben, de proef op de som te nemen. Zou die Amstel Malt in Nederland dan net zo lekker smaken? Ik kan het me nauwelijks voorstellen. Alleen op een warme dag na een flinke fietstocht misschien.
Dinsdag 13 september: Montserrat - Montblanc (83 km)
Om zeven uur is het nog schemerdonker. Het silhouet van de Montserrat tekent zich scherp af tegen de al iets lichter wordende ochtendhemel. Onderweg naar het toiletgebouw snuif ik de frisse geur van eucalyptus op. Waar zou die boom eigenlijk staan? Gisteravond heeft de campingbeheerder me gezegd dat ik vanmorgen brood kan krijgen. Als hij zich even na achten bij het restaurant meldt, heb ik net een paar Snelle Jelles achter de kiezen. Dat brood is dus niet echt meer nodig, ik zal onderweg wel wat kopen.
Bij het verlaten van de camping ga ik verder met de klim waar ik gisteren al mee ben begonnen. Het is erg rustig op de weg, het meeste autoverkeer maakt gebruik van de naast gelegen snelweg. Daar waar bij de snelweg steile stukken zoveel mogelijk zijn vermeden, kent de oude weg een veel grilliger verloop. Steile en minder steile stukken wisselen elkaar voortdurend af. Soms gaat het zelfs lichtjes naar beneden.
Na Igualada volgt een verlaten en bosrijk gebied. Dorpjes zijn hier nauwelijks, naaldbossen des te meer. Veel mooie plaatjes levert het niet op, maar desondanks kan ik er wel van genieten. Zoals bijvoorbeeld op een bankje langs de kant van de weg in één van de schaarse dorpjes onderweg, waar ik mijn lunchpauze neem.
De Spaanse zon laat zich vandaag in tegenstelling tot de vorige dagen niet zien. Naarmate de dag vordert begint de lucht steeds meer te betrekken en aan het einde van de middag vallen er zo nu en dan zelfs wat druppels uit.
Van enige afstand zie ik Montblanc al liggen, de beoogde bestemming van vandaag. De wolkenlucht die er boven hangt voorspelt niet veel goeds voor de rest van de dag. Bij het oprijden van het vakantiepark annex camping begint het hard en langdurig te regenen. Ik wacht daarom even met het opzetten van de tent en schuil in de tussentijd onder de luifel van het toiletgebouw. Ook de rest van de avond blijft het een komen en gaan van buien. Onder deze omstandigheden heb ik weinig zin om nog weer naar het centrum te gaan. Veel vertier op het park is er niet, ondanks de aanwezigheid van een zwemparadijs met glijbanen, watervallen en fonteinen. Voor zover er al gasten aanwezig zijn op het park, hebben die zich massaal teruggetrokken in hun chalets en caravans. Met die regen erbij maken de nutteloos geworden waterpartijen een wat troosteloze indruk. Zelfs het restaurant en de parkwinkel zijn gesloten. Het enig dat nog open blijkt is een kiosk, waar ze onder andere snacks en bier verkopen. Ik ben er de enige gast. Ruim voor sluitingstijd geeft die er echter ook al de brui aan. Nadat het personeel vertrokken is, haal ik mijn kookspullen op en bereid onder een partytent een eenvoudige pastahap. De aanwezigheid van een tafel en een stoel voelt aan als pure luxe.
Woensdag 14 september: Montblanc – Mora la Nova (98 km)
Afgelopen nacht zijn er nog weer een paar stevige onweersbuien voorbij getrokken. Gealarmeerd door het gedonder heb ik nog net op tijd mijn wasgoed binnen kunnen halen. Niet dat dat al droog was, maar een beetje nat is nog altijd beter dan kletsnat. ’s Ochtends bij het opstaan is het gelukkig droog. Wel is de tent nog nat, wat zo weer een paar kilo aan gewicht scheelt. En dan heb ik nog niet eens over het zand dat overal aan vastgeplakt zit. Al met al heb ik behoorlijk spijt dat ik op deze camping ben gaan staan, want voor een paar tientjes meer had ik ook een hotel in het centrum kunnen nemen.
Vanwege de regen gisteravond heb ik het oude centrum van Montblanc, met zijn labyrint van smalle straatjes, nog niet kunnen bekijken. Daarom zet ik dat eerst recht. Voordeel is dat het nu redelijk rustig is. Tien kilometer verderop dient zich de volgende toeristische attractie alweer aan, het beroemde klooster van Poblet. Het is open voor bezoek, maar de buitenkant vind ik mooi genoeg. Vanuit de verte kun je klooster al zien liggen, half verscholen in het groen aan de voet van een heuvel.
Ook vandaag is het nog bewolkt, maar van regen is geen sprake meer. Ideale omstandigheden om eens flink door te fietsen. Links en rechts glijdt een reeks prachtige berglandschappen aan mij voorbij. Natuurlijk betekent dat ook weer langdurig klimmen. Hoewel korter van duur, maken de afdalingen dat echter meer dan goed. De laatste afdaling eindigt bij de Ebro, de belangrijkste rivier van Noord-Spanje. Zowaar kan ik hier een tiental kilometers over volkomen vlak terrein fietsen, de eerste keer in vier dagen dat mij dat overkomt.
Bij het plannen van de route dit voorjaar heb ik via mail contact gehad met een camping in Ginestar, een gehucht tien kilometer voorbij Mora d’Ebre. Bij die gelegenheid verzekerde de Nederlandse eigenaar me dat ik daar in september nog wel terecht kon. In het centrum van Mora d’Ebre bel ik hem voor de zekerheid toch nog maar eens op. Tot mijn verbazing vertelt hij mij dat de camping niet meer bestaat. Enkele weken terug heeft hij hem verkocht en inmiddels zit hij weer in Nederland. De nieuwe eigenaar gebruikt de grond nu voor andere doeleinden. Typisch een geval van ‘Ik vertrek’, maar dan in omgekeerde richting. Het zou een passende vervolgserie kunnen zijn van het zo populaire tv-programma, maar dan met de titel ‘Ik ga terug’.
Dan maar een hotel. Na wat gezoek kom ik uit bij hostel Fontdemora. Ik moet daarvoor terug de brug over naar Mora La Nova, de tweelingstad van Mora d’Ebre aan de noordoever van de Ebro. Voor slechts vierentwintig euro kan ik daar een kamer krijgen. Goedkoper dan die verschrikkelijke camping in Montblanc. Mijn fiets kan ik kwijt in de ruimte naast het hostel. Daar staan ook al een paar blinkende racefietsen.
Een paar uren later kom ik de eigenaren daarvan tegen op het terras van een restaurant. Het is een groep Belgen bestaande uit zeven mannen en een vrouw. De vergelijking met Sneeuwwitje en de zeven dwergen dringt zich op. Eerder vandaag zijn die me al eens voorbij gereden tijdens een beklimming. Toen bleef het contact beperkt tot een ‘buenos dias’, niet vermoedend dat we weleens dezelfde taal zouden kunnen spreken. Ze rijden van Lyon naar Alicante, met een volgbusje, die ze bij toerbeurt besturen.
Als aperitief bestel ik een flesje Amstel Malta. Bij nadere bestudering van het etiket blijkt die toch nog 5% alcohol te bevatten. Mijn euforie van een paar dagen geleden - over dat ik eindelijk een alcoholvrij bier gevonden had dat net zo lekker smaakt als gewoon bier - blijkt dus misplaatst. Het was eigenlijk ook te mooi om waar te zijn.
Donderdag 15 september: Mora - Fuentespalda (78 km)
Voor een stoplicht in het centrum van Mora La Nova kom ik de groep Belgische fietsers weer tegen. Dit keer zijn het er maar vier, waaronder Sneeuwwitje. De rest gaat vandaag vanwege buikloop met het busje. Ook één van de dwergen die wel zijn opgestapt klaagt dat hij om dezelfde reden vannacht bijna geen oog dicht gedaan heeft. Waarschijnlijk hebben ze iets verkeerds gegeten. Ik hoop niet dat dat in het restaurant van gisteravond was, want dan zou ik ook moeten vrezen. Voorlopig voel ik me echter nog kiplekker.
Na een paar uur fietsen krijg ik een bericht van het hostel dat ik mijn oplader ben vergeten. Of ik die bij gelegenheid weer kan komen ophalen. Daar kan natuurlijk geen sprake van zijn. In plaats daarvan vraag ik ze de oplader op te sturen naar mijn huisadres. Naar een hotel iets verder op de route is te link, omdat ik niet zeker weet welke hotels ik nog zal bezoeken en ook niet hoe lang de post erover zal doen. Gezien de aanschafprijs van de oplader (een snellader van Apple) kan terugsturen wel uit. Voor de rest van deze vakantie zal ik vandaag of morgen dan wel een goedkope vervanger kopen.
Andermaal krijg ik weer prachtige berglandschappen voorgeschoteld, waar bossen, olijfgaarden en woeste grond zich in steeds wisselende patronen aaneenrijgen. Ruim dertig kilometer lang gaat het over een Via Verde, een tot fietspad omgebouwde spoorlijn. Op een paar andere fietsers na kom ik hier niemand tegen. Vanwege de milde stijgingspercentages overwin ik hier met speels gemak de hoogteverschillen.
Op het traject liggen diverse spoortunnels, waarvan een deel onverlicht. In verband met die tunnels heb ik vanmorgen in Mora nog een poging ondernomen om mijn fietsverlichting te repareren, maar helaas is me dat niet gelukt. Het gevolg is dat ik nu zonder verlichting door die tunnels moet. Vooral bij de onverlichte tunnels is dat best link, want je ziet daar geen hand voor ogen. Met het lampje van mijn telefoon kan ik net een paar meter voor me uitkijken, voldoende om in het midden te kunnen blijven rijden en eventuele obstakels tijdig te detecteren. Het meest spannend is wel een onverlichte tunnel van ruim zevenhonderd meter, met een scherpe bocht vlak voor het einde. Het spreekwoordelijke licht aan het einde van de tunnel laat daar extra lang op zich wachten.
Halverwege de middag kom ik aan op de camping van Fuentespalda, een klein dorp midden tussen de bergen. De vliegen waar ik tijdens de beklimmingen regelmatig last van had blijken me tot hier te zijn gevolgd. Nadat de zon is ondergegaan worden ze afgewisseld door hordes muggen. Al vrij vroeg trek ik me daarom de terug in de tent. Onbereikbaar voor hun steekgrage snuitjes val ik daar vrijwel meteen in slaap.
Vrijdag 16 september: Fuentespalda - Cantavieja (76 km)
Het is nog donker wanneer ik vlakbij wat geritsel hoor. Meteen ben ik klaarwakker. Op het tentdoek van de buitentent tekent zich het silhouet af van wat verdacht veel op een vos lijkt. Het beest doet verwoede pogingen om de plastic zak met afval onder de tent vandaan te trekken. Waarschijnlijk is hij op de geur van etensresten afgekomen. Door hard op het tentdoek te slaan probeer ik hem weg te jagen. Pas nadat ik de tentrits heb open getrokken en hem recht in het gezicht kijk maakt hij zich uit de voeten. Het is maar een klein exemplaar, ik krijg haast medelijden dat hij het nu zonder ontbijt moet doen.
Bij het vertrek is het nog behoorlijk fris. Tijdens de eerste dalende kilometers moet ik daarom mijn jas erbij aanhouden. Die jas kan al snel weer uit wanneer de eerste klim zich aandient. Die voert me tot een hoogte van ruim twaalfhonderd meter. Zo hoog ben ik nog niet geweest tijdens deze fietsvakantie. De komende dagen zal het nog wel hoger worden. Door de bossen gaat het via een bochtige weg redelijk steil omhoog. Desondanks gaat het me redelijk af. Mijn conditie is merkbaar verbeterd sinds de eerste dag, waarop ik aan het einde helemaal gesloopt was. Dat geeft de burger moed met het oog op wat er nog komen gaat.
Tussen de bergen liggen regelmatig prachtige middeleeuwse stadjes verscholen. Morella is een imposante oude vestingstad, strategisch gelegen op een heuvel. Eenmaal binnen de stadsmuren ontvouwt zich een wirwar van steegjes, waarvan geen enkele horizontaal lijkt te lopen. Sommige zijn alleen via een trap toegankelijk. Net buiten de stadsmuur vind ik een bankje, waar ik met uitzicht op de omgeving een broodje eet.
Een eind verderop ligt het aanzienlijk kleinere Mirambel. Dit goed geconserveerde plaatsje heeft veel weg van een openluchtmuseum. Op een enkele toerist na lijkt het uitgestorven. Alleen op een terrasje is het wat levendiger vanwege een groep druk met elkaar pratende mannen. Door het staccato en snel uitgesproken Spaans doet het me af en toe denken aan het ritmische getik van flamencodansers.
Na Mirambel begint de slotklim naar Cantavieja, een adelaarsnest hoog in de bergen. Aanvankelijk loopt het geleidelijk door een rivierdal omhoog. Op een bergkam kun je het stadje daar al van verre zien liggen. De laatste kilometers zijn echter behoorlijk pittig, waardoor het toch nog wel een tijdje duurt voordat ik boven ben. Tot aan de laatste meters blijft het steil. Pas na het passeren van de stadspoort neemt de druk in mijn benen weer af. Het vooraf geselecteerde pension Julian is snel gevonden. Net op tijd, want vlak nadat ik me heb ingeschreven moet de receptionist ‘nee’ verkopen aan de volgende klant.
De kamer is klein en eenvoudig, maar nog altijd luxe voor een kampeerder. Ruim een uur later sta ik alweer buiten. Er zijn nogal wat mensen op de been en een deel van de straten is zelfs afgezet. Kennelijk is er één of andere festiviteit dit weekend. Dat verklaart dan tevens waarom het pension vol is. Op een bankje vlakbij de stadspoort zie ik steeds meer mensen naar boven komen. Er zijn zelfs enkele racefietsers bij. Iets verderop is men op een pleintje bezig een muziekpodium op te bouwen. Daar zal ik ongetwijfeld nog wel meer van horen vanavond.
Zaterdag 17 september: Cantavieja - Teruel (90 km)
Bij het ontwaken hoor ik tot mijn verbazing nog steeds de beat van de muziek door mijn oordopjes heen. Kennelijk is het de gehele nacht doorgegaan, maar gelukkig heb ik daar weinig van meegekregen. Bij het verlaten van Cantavieja kom ik een paar jongeren tegen die met een fles bier in de hand enigszins zwalkend over straat lopen. Ze komen uit de buurt van het muziekpodium en zoeken nu waarschijnlijk hun bed op.
Eenmaal buiten de bebouwde kom keert de stilte weer terug. In het strijklicht van de opkomende zon liggen de bergen er fantastisch bij. Ik moet gelijk flink aan de bak met een stevige beklimming. Het is de eerste in een reeks van vijf cols van boven de vijftienhonderd meter. De tweede in de rij markeert met zijn zeventienhonderd meter tevens het hoogste punt van de gehele route. De uitzichten zijn fabelachtig mooi, vooral bij die hoogste col. Tot aan de horizon lijkt het land gevuld met bergen. Slechts sporadisch is iets te zien wat op menselijke aanwezigheid duidt. Zo moet de aarde eruit hebben gezien in den beginne, woest en ledig. Dit is het ruige landschap van de Maestrazgo. Sinds de aanschaf van het routeboekje enkele jaren terug heb ik daar al naar uitgekeken. In het echt is het nog veel mooier dan in het boekje.
Na die tweede col volgen nog een paar minder zware beklimmingen. Het scheelt wel dat ik op hoogte blijf, waardoor de hoogteverschillen beperkt zijn. De uitzichten worden er niet minder om. Op één van die beklimmingen wordt het plotseling toch nog even zwaar, wanneer een roedel woest blaffende honden op mij afrent. Ik zie al voor me hoe ze me binnen luttele seconden in de kuiten zullen bijten. Snel schakel ik een paar tandjes zwaarder en begin onder intimiderend bedoeld geschreeuw uit alle macht te sprinten. Desondanks slagen ze erin me in te halen en hun prooi net als een roedel wolven in te sluiten. Honderd meter voorbij het boerenerf - waar ze daarnet nog rustig lagen te dommelen - haken ze echter af. Ze zijn in hun missie geslaagd, de indringer is verjaagd. Het duurt nog een tijdje voordat het kippenvel van mijn rug is verdwenen en mijn hartslag weer terug is op een acceptabel niveau.
Na de laatste beklimming volgt een lange afdaling naar Teruel. Pal in centrum vind ik daar een hostel. Als je daar het steegje uitloopt zit je meteen midden in het uitgaansleven. Zoals gebruikelijk in Spanje gaan de meeste restaurants pas om halfnegen open. Dat is best lastig als je een stevige honger hebt. Na wat zoeken vind ik een eetcafé waar de keuken al om acht uur open gaat. Aanvankelijk is het er redelijk rustig, maar al gauw vult het geroezemoes van de rest van het uitgaanspubliek de krappe ruimte. Ik merk dat ik daar slecht tegen kan en mis de stilte van het buitenleven.
Zondag 18 september: Teruel - Albarracin (42 km)
Op het plein vlakbij het hostel neem ik een ontbijt in één van de reeds geopende restaurants. Het is er nu een stuk rustiger dan gisteravond. Zonder al die mensen vallen de fraaie gevels van de gebouwen rondom des te meer op. Een uitgelezen moment om ook de rest van het centrum wat beter te bekijken. Teruel staat bekend om zijn mudéjarkunst, nog gemaakt in de tijd van de Moorse overheersing. Na de reconquista (de herovering van Spanje op de Moren door de Christenen) is veel daarvan helaas vernield, maar gelukkig niet alles zoals hier in Teruel. Voorbeelden zijn de fraai vormgegeven kathedraal en de oude minaret-achtige torens.
Na mijn stadswandeling keer ik terug naar het hostel voor het vervolg van mijn fietstocht. Vandaag zal het slechts een korte fietsdag worden. Na de vorige bergachtige dagen is dat echter meer dan welkom. Bij het verlaten van Teruel begint de weg weer licht te stijgen en met tussenpozen blijft dat tientallen kilometers lang doorgaan. Onderweg kom ik door een wonderbaarlijk landschap met grillige rode rotsformaties. Behoedzaam slingert de weg zich om de soms meters hoge rotsblokken heen. Op deze zondag zijn talloze Spanjaarden erop uitgetrokken om hier te wandelen in de uitgestrekte bossen.
Aan het begin van de middag draai ik de camping van Albarracin op en kan mijn halve rustdag beginnen. Rust is in deze een relatieve begrip, want een paar uur later begin ik aan een stevige wandeling naar het iets verderop gelegen stadje. Albarracin is een oude vestingstad met een paar imposante verdedigingsmuren. Ik ben er bepaald niet de enige toerist. Via de smalle tegen de helling gelegen straatjes zoeken we met zijn allen naarstig naar de leuke plekjes. Die blijken er in overvloed te zijn.
De avondmaaltijd geniet ik in het restaurant van de camping. Een tafeltje verderop zit een Nederlands echtpaar. Ze zijn op doorreis naar de kust en hebben vanmiddag uiteraard ook het stadje bekeken. Vol bewondering horen ze het verhaal van mijn fietstocht aan. Terloops vragen ze me hoeveel dagen ik in Malaga denk te blijven. Het is niet de eerste keer deze vakantie dat mij die vraag gesteld wordt. Het is voor veel buitenstaanders toch moeilijk om te begrijpen waarom iemand een fietstocht maakt.
Teruglopend naar mijn tent maak ik een praatje met een andere fietser. Het blijkt een Spanjaard die al een aantal jaren in België woont. Omdat hij aangeeft wel een beetje Nederlands te kunnen, zetten we ons gesprek voort in het Nederlands (van zijn kant is dat dan vooral Vlaams met een Spaans accent). Hij maakt een tocht met de mountainbike in het gebied tussen Valencia en Madrid en volgt daarbij vooral gravelpaden. Dat is nog eens wat anders dan het asfalt waarop ik me doorgaans bevind.
Maandag 19 september: Albarracin - Cuenca (107 km)
De eerste kilometers voorbij Albarracin gaan door een nauw kloofdal, dat op dit vroege tijdstip nog vol hangt met mistflarden. De weg loopt geleidelijk omhoog, waardoor het lijkt alsof de rotswanden steeds lager worden. Bij het bereiken van het plateau aan het einde van het dal breekt ook de zon weer door.
Aangezien er na Frias vijftig kilometer lang geen voorzieningen zullen zijn, adviseert het routeboekje voldoende proviand in te slaan. In de spaarzame dorpjes onderweg speur ik tevergeefs naar een winkel. Dan zie ik ineens een bestelauto langs de kant van de weg. Bij de geopende achterklep staat een man brood te verkopen aan enkele dorpsbewoners. Het is een godsgeschenk dat me zomaar in de schoot wordt geworpen.
Voorbij Frias begin ik aan het verlaten stuk door de bergen. Tijdens de eerste beklimming hoor ik beneden vanuit het dal opeens een luid grommend geluid. In eerste instantie denk ik aan iets mechanisch, bijvoorbeeld een motor of landbouwwerktuig. Maar als dat zo was, dan zou het wel wat langer duren, zo is mijn redenering. Bovendien is er van enige menselijke activiteit geen spoor te bekennen. De enige persoon die ik sinds Frias ben tegengekomen was een schaapherder met zijn kudde. Dan komt de gedachte bij me op dat het misschien een wild dier is geweest, bijvoorbeeld een beer of een wolf. Die schijnen wel voor te komen in Spanje. Verder klimmend denk ik na over scenario’s wat te doen wanneer plotseling een beer mijn pad zou kruisen. Sprintend verder klimmen - zoals ik een paar dagen geleden heb gedaan toen een roedel honden mij achtervolgde - is geen optie, gezien de steilte van de helling. Beter is het onmiddellijk rechtsomkeert te maken en vervolgens snel weer naar beneden te fietsen. Maar hoe dan verder, want ik zal toch die berg over moeten. Zal ik dat na zo’n tête-à-tête met een beer nog wel aandurven? Gelukkig kom ik de rest van de dag verder geen leeuwen of beren tegen.
Een tijdlang bevind ik me op een bosrijke hoogvlakte op ongeveer zestienhonderd meter. Het is er zoals verwacht erg rustig, slechts af en toe komt er een auto langs. De helft daarvan (een stuk of drie) staat op de parkeerplaats bij de bron van de Taag. Ondanks de droge zomer vloeit er toch nog wel water uit die bron, al is het niet veel. Wel een gaaf idee dat dit water over een tijdje bij Lissabon in de Atlantische Oceaan zal stromen. Het geeft ook aan dat ik inmiddels een flink stuk naar het zuidwesten ben opgeschoten.
In stapjes gaat het daarna weer geleidelijk naar beneden. Dat schiet wel lekker op. Toch duurt het nog lang voor ik in de buurt van Cuenca kom. De camping ligt iets ten noorden daarvan. Cuenca zelf zal ik dus pas morgen te zien krijgen. Daar is ruim de tijd voor, want voor morgen heb ik een rustdag gepland. Na negen fietsdagen en ruim zevenhonderd kilometer is het daar zo onderhand wel tijd voor.
Dinsdag 20 september: Rustdag Cuenca (21 km)
Wat doet een renner op een rustdag? Beetje luieren, kleren eens een keer goed wassen, kort ritje maken in de omgeving en interviews geven aan de internationale sportpers. Behalve dat laatste is alles vandaag op mij van toepassing.
Ik heb mijn pas gewassen kleren nog niet opgehangen of het begint te regenen. Snel haal ik de boel weer binnen en trek me ijlings terug in de tent. Op de buienradar is de bui goed te volgen en zo te zien zal die nog wel even duren. Ik maak van de gelegenheid gebruik om nog een tukje te doen.
Aan het begin van de middag breekt eindelijk de zon weer door, sein om naar het acht kilometer verderop gelegen Cuenca te fietsen. Cuenca bestaat uit een historische bovenstad - gelegen op een rots tussen twee rivierdalen - en een veel grotere benedenstad. Vooral in de bovenstad is het een drukte van belang, alsof het geen doordeweekse dag buiten het hoogseizoen is. Tussen de vele toeristen lopen verschillende groepen jongeren in uniforme T-shirts rond, elke groep in zijn eigen kleur. Het doet me sterk denken aan een introductieweek voor eerstejaarsstudenten. Mij gaat het vooral om de bekende bezienswaardigheden, te weten de kathedraal en de zogenaamd hangende huizen. Het is nog een heel gezoek om die laatste te vinden, want veel straten zijn afgezet of anderszins niet toegankelijk voor fietsers. De hangende huizen vallen me nogal tegen. In de eerste plaats omdat het er maar een handjevol zijn. Daarnaast is het niet geheel duidelijk waar het adjectief ‘hangend’ op slaat, want ogenschijnlijk staan de huizen op de rotswand en hangen ze er niet aan. Misschien dat de gevels iets voorover hangen, maar dat is dan vanaf de plek waar ik sta niet goed zichtbaar.
Oorspronkelijk was het de bedoeling dat Nanco en ik elkaar vandaag in Cuenca zouden ontmoeten. Afgelopen zondag is hij met het vliegtuig aangekomen in Valencia en gisteren heeft hij die stad bekeken. Omdat er vanuit Valencia tijdelijk geen treinen rijden naar Cuenca, zal ik hem nu pas morgen ontmoeten in Olmedilla. Vanuit Valencia zal hij daartoe vandaag eerst de trein nemen tot Utiel, het verste punt waar de trein nog wel komen. Morgen fietst hij dan door naar Olmedilla.
Nadat hij vanmorgen de trein heeft gemist, is hij toch maar op de fiets gestapt. Wanneer ik terug ben op de camping check ik uit nieuwsgierigheid zijn locatie. Zo te zien is hij nog lang niet in Utiel. Op mijn vraag hoe het gaat meldt hij er aardig doorheen te zitten. Dat komt mede omdat Google Maps hem langs allerlei onverharde en steile weggetjes stuurt. Het zal nog spannend worden of hij voor donker binnen is.
Woensdag 21 september: Cuenca – Olmedilla (73 km)
Langs dezelfde weg als gisteren rijd ik weer naar Cuenca. Dit keer blijft mijn bezoek beperkt tot de benedenstad. Die blijkt een stuk groter te zijn dan wat ik er gisteren van heb gezien. Het duurt dan ook wel even voordat ik het drukke stadsverkeer achter me heb gelaten.
Ten zuiden van Cuenca verandert het landschap drastisch. In vergelijking met de dagen hiervoor is het een stuk minder bergachtig, al blijf je wel op hoogte. Het is het begin van de uitgestrekte hoogvlakte van Castilië – La Mancha. Helemaal vlak is het overigens niet, je kunt het eigenlijk het beste vergelijken met een heuvellandschap op duizend meter hoogte. Ook is er veel meer agrarisch grondgebruik. Opvallend zijn de velden met verdorde zonnebloemen. Die heb ik al meer gezien deze vakantie. Tot nu toe heb ik steeds gedacht dat het te maken heeft met de extreme droogte deze zomer, die ook Spanje in zijn greep heeft gehouden. Midden in zo’n veld met zonnebloemen staat een tractor, met pal ernaast een soort dorsmachine. Wellicht is het nu pas de tijd om te oogsten en is het dus heel normaal dat zonnebloemen er in september verdord bij staan. Ik besluit de proef op de som te nemen en stap af om het eens van dichtbij te bekijken. De zonnebloemen blijken volgroeide pitten te bevatten die prima te eten zijn.
Op een bankje in één van de dorpjes onderweg houd ik mijn lunchpauze. Rondom de drooggevallen fontein zitten diverse andere gepensioneerden, waaronder enkele met een rollator. Als vroeg-gepensioneerde voel ik me in dit gezelschap haast een jong veulen. Met één van hen maak ik een praatje. Vanwege mijn nog steeds beperkte spreekvaardigheid blijft het gesprek steken op een nogal basaal niveau. Desondanks weet hij me met een armgebaar duidelijk te maken in welke richting Olmedilla zich bevindt. Niet dat ik die aanwijzing echt nodig had, maar het gebaar wordt gewaardeerd.
Olmedilla de Alarcón is een onooglijk dorpje vlakbij een enorm stuwmeer. Dat laatste verklaart wellicht de aanwezigheid van een camping. Het wordt gerund door een wat ouder echtpaar, geholpen door enkele ook niet meer zo piepjonge medewerkers. Inschrijven doe ik aan de bar, tussen de uitgestalde gerechten en bierdrinkende barbezoekers in. De Spaanse middagmaaltijd is in volle gang. Zoals de recensies op Google Maps al aangegeven, ligt de camping er wat haveloos bij. Wel fijn is dat de percelen bedekt zijn met polyester doeken, waardoor je minder last hebt van de zanderige bodem. Het is geen probleem om de tentharingen er dwars doorheen te slaan. Daarnaast hangt boven veel percelen een soort gaasdoek, als bescherming tegen de zon. Geen overbodige luxe tijdens de hete Spaanse zomer.
Pepe, de campingbaas, begeleidt me persoonlijk naar het perceel waar ik mijn tent op kan zetten. Hij praat daarbij honderduit, waarbij het meeste me ontgaat. Op een gegeven moment wordt me echter duidelijk dat er vanavond zwaar weer op komst is. In verband daarmee stelt hij voor één van die met gaasdoek afgedekte percelen te nemen. Er staan daar weliswaar ook al een paar caravans, maar die zal hij zolang wel wat aan de kant zetten. Uiteraard neem ik daar geen genoegen mee en geef aan dat het open en geheel vrije perceel daar tegenover mijn voorkeur heeft. Als het echt noodweer wordt, dan kunnen we nog altijd aan de overkant gaan zitten.
Een kwartier later komt ook Nanco eraan gelopen, begeleidt door één van de barbezoekers. Als de tenten zijn opgezet en we ons hebben gedoucht, lopen we terug naar de bar. Onder het genot van een glas bier wisselen we onze reiservaringen uit. Na de zware dag van gisteren, waarbij hij pas om tien uur ’s avonds aankwam in Utiel, is het hem vandaag een stuk gemakkelijker afgegaan.
De sombere voorspellingen ten spijt blijft het de hele avond droog. Om een uur of acht lopen we andermaal naar de bar, nu voor een avondmaaltijd. We hebben weinig te kiezen, het is eten wat de pot schaft. Desondanks laten we het ons smaken.
Donderdag 22 september: Olmedilla - Barrax (95 km)
De velden rondom Olmedilla staan vol met zonnepanelen. Je kunt dat mooi vinden of niet, feit is wel dat hier de energietransitie voortvarend ter hand is genomen. Ook de vele windmolens in de rest van Spanje zijn daar getuige van. Daar kunnen veel andere landen, waaronder Nederland, nog een voorbeeld aan nemen.
Na een bezoek aan het pittoreske Alarcón duiken we de vlakte van La Mancha in. Vlak is dit keer ook echt vlak, om niet te zeggen biljartvlak. Het is dat de omgeving er wat anders uitziet, anders zou je je haast in Nederland wanen. Ook hier weer veel akkers met verdroogde zonnebloemen, later gevolgd door uitgestrekte wijngaarden. De vlakte van La Mancha staat bekend om zijn karakteristieke witte molens. De romanfiguur Don Quichot zag deze aan voor reuzen en bond vergeefs de strijd met ze aan. Witte molens zijn helaas nergens te bekennen, wel de ook hier alom aanwezige modernere variant.
Ruim veertig kilometer volgen we een jaagpad langs een kanaal. Eigenlijk is het helemaal geen kanaal, maar een aquaduct. Schepen kunnen er niet varen, zelfs geen roeibootjes. Om de zoveel kilometer ligt er een ketting in het water om dat te verhinderen. In de jaren zeventig is dit aquaduct aangelegd om het droge zuidoosten van Spanje van water te voorzien. In totaal is het bijna driehonderd kilometer lang, van de bovenloop van de Taag naar de Segura.
In Barrax betrekken we een kamer boven een chauffeurscafé. In het café is het nog niet erg druk, waarschijnlijk zijn de meeste chauffeurs nog onderweg. Omdat het nog te vroeg is om te eten, lopen we wat rond in het stadje. Veel stelt het niet voor, daar zijn we dus al snel weer klaar mee. Tot ons genoegen blijkt er al een tapasbar te zijn geopend. Vol enthousiasme kiezen we een paar gerechten uit, waaronder enkele met groenten. We moeten namelijk wel zorgen dat we voldoende vitaminen binnen krijgen. Even later zet de ober twee flinke borden met stukjes vlees op ons tafeltje, het één gedrenkt in een rode en het ander in een wat onbestemde bruine saus. In afwachting van de groente beginnen we alvast te eten. Halverwege worden er nog twee borden met vlees naast gezet, deze keer zonder saus. Waar blijven nou die groenten? Dan bespeuren we in het bord met de rode saus wat restanten van tomaten en realiseren ons dat we die zogenaamde groentegerechten al gekregen hebben. Zoveel vlees heb ik deze reis tot nu toe nog niet bij elkaar gegeten. Het mag geen verbazing wekken dat een deel van het eten onaangeroerd blijft staan.
Omdat we geen zin hebben om met de airco aan te gaan slapen, zetten we het raam van onze kamer op een kier. Het gevolg is dat het megalawaai van de airco van de buren nu ongefilterd naar binnen dringt. Het is wat dat betreft kiezen tussen stilte en frisse lucht. We wisselen het daarom wat af.
Vrijdag 23 september: Barrax - Alcaraz (69 km)
Gisteravond heeft de barman ons gezegd dat we hier kunnen ontbijten. Nu blijkt hij ons niet meer te kunnen bieden dan een kop koffie met een kleffe donut. Het café zit vol met chauffeurs die ongeveer hetzelfde naar binnen werken, alleen laten die een flinke scheut likeur door hun koffie schenken. Geen prettig idee in de wetenschap dat we dergelijke chauffeurs later vandaag mogelijk weer tegen zullen komen. Gisteren vroegen we ons na het bier drinken af hoe de barkeeper onze consumpties zou kunnen onthouden. Vandaag komt bij het afrekenen het antwoord: niet dus. In plaats daarvan krijgen we een ongespecificeerde rekening met daarop een afgerond bedrag van zeventig euro. Gezien het geboden comfort en in vergelijking met andere hotels vinden we dat wat aan de hoge kant, maar waarschijnlijk hanteert hij een standaardtarief voor al zijn gasten, ongeacht of ze nu bij hem de avondmaaltijd hebben genuttigd of niet. We laten het er maar bij, voor Nederlandse begrippen is het nog steeds goedkoop.
Over de doorgaande weg verlaten we Barrax weer en vervolgen onze weg over de vlakte van La Mancha. Vanwege de mist blijft het zicht beperkt tot hooguit een paar honderd meter. Nadat de mist is opgetrokken verschijnen er ineens weer heuvels aan de horizon. Met de nog laagstaande zon is het een prachtig gezicht. Langzaam komen de heuvels steeds dichterbij en niet veel later zitten we er alweer middenin. Via een voormalige spoorlijn met de nodige tunnels winnen we geleidelijk aan hoogte. Dat gaat zo tientallen kilometers door. Mooi, maar op den duur ook wel wat saai. Het laatste stuk tot aan Alcaraz nemen we daarom de doorgaande weg. Een stuk korter en bovendien in dalende lijn.
Alcaraz is tegen een heuvel aangebouwd. Ons hostel ligt helemaal bovenaan, in de historische bovenstad. Tot onze teleurstelling is daar niets te beleven, geen geopende terrasjes en nauwelijks mensen op straat. Daarom kopen we zelf maar een paar blikjes bier en nemen plaats aan een tafeltje op het Plaza Mayor.
Volgens de receptie van het hotel zal het nabij gelegen restaurant om halfacht open gaan, een uur eerder dan we gewend zijn. Opgetogen lopen we er even na halfacht heen, maar dan blijkt dat het toch een uur later is. Omdat we honger hebben en eigenlijk ook al dat vlees van de Spaanse keuken wel zat zijn, besluiten we op het balkon van onze kamer zelf een potje pasta te bereiden. Met uitzicht op de ondergaande zon smaakt het ons voortreffelijk.
Zaterdag 24 september: Alcaraz – Siles (65 km)
De ochtendstond heeft goud in de mond. Dat gezegde wordt ook deze ochtend weer bewaarheid. We zijn Alcaraz nog niet uit, of we worden getrakteerd op prachtige uitzichten op de door de ochtendzon beschenen bergen.
Vanuit Alcaraz zijn er verschillende manieren om verder naar het zuiden te rijden. Verreweg de gemakkelijkste manier is om weer tientallen kilometers over een Via Verde te fietsen, waarbij de weg voor het grootste deel licht naar beneden loopt. Bovendien is die variant een stuk korter dan de andere twee. Gezien onze ervaring van gisteren hebben we echter geen zin in weer zo’n lang en saai stuk. De andere twee varianten gaan allebei door de Sierra de Alcaraz. Van die twee kiezen we de minst zware, met slechts één col van dertienhonderd meter.
Voordat we daaraan beginnen gaat het eerst een tiental kilometers bergafwaarts. Op het grote blad kunnen we hier flink snelheid maken. Daarna is het echter snel gedaan met de pret. Over maar liefst twintig kilometer gaat het ruim vijfhonderd meter omhoog. Steil is het bijna nergens, maar door de lange duur en het gebrek aan uitzicht is het wel wat eentonig. Hadden we toch maar voor de zwaarste variant moeten kiezen, dan hadden we volgens het boekje vanaf de top een mooi uitzicht gehad op de bergen van Andalusië.
Na Riopar breekt het landschap weer open, wat prachtige vergezichten over de met olijfbomen bezaaide berghellingen oplevert. Hier ook ergens rijden we Andalusië binnen. Na Catalonië, Aragon en Castilië – La Mancha is de vierde Spaanse autonome regio bereikt. Als we Valencia - waar Nanco wel, maar ik niet ben geweest - ook meetellen, dan is het zelfs de vijfde.
Op een terrasje in Siles beraadslagen we of we hier op de camping zullen blijven of nog veertig kilometer door zullen rijden naar de volgende camping. Ondanks het nog vroege tijdstip besluiten we om te blijven. Intussen hebben de wespen zich ontfermt over het bordje met varkensvlees dat de ober ongevraagd met de cola heeft uitgeserveerd. Het zijn er zoveel, dat het vlees nauwelijks meer zichtbaar is. We schuiven het zo ver mogelijk bij ons vandaan, met het vaste voornemen de rest van deze vakantie geen vlees meer te eten.
Die avond genieten we in het campingrestaurant van een heerlijke visschotel. We verbazen ons over een paar andere gasten die vanaf het moment dat we hier zijn aangekomen al alcohol aan het drinken zijn. Al helemaal wanneer één van hen in het schemerdonker doodgemoedereerd achter het stuur van zijn auto kruipt en wegrijdt. Met een andere gast raken we even in gesprek. Het is een Fransman die met zijn mountainbike ongeveer dezelfde route volgt als wij, maar dan over gravelpaden. Hij maakt een wat warrige indruk, maar dat kan ook aan zijn gebrekkige Engels liggen.
Zondag 25 september: Siles - Cazorla (106 km)
Het eerste stuk tot aan Tranco blijkt pittiger dan gedacht. Goed dat we dat er gistermiddag niet bij gedaan hebben, want dat was afzien geworden. Nu in de koele ochtenduren is het een stuk beter te verteren. Onderweg genieten we van prachtige uitzichten, met andermaal berghellingen vol olijfbomen en een enkel daartussen verscholen dorpje. De witte huizen vormen een mooi contrast met het alom aanwezige groen.
Tranco blijkt niet meer te zijn dan een handvol restaurants nabij de stuwdam van het langgerekte Embalse de Tranco, volledig ingericht op dagjesmensen. Die zijn er op deze zondag dan ook in grote getale. Die stuwdam ligt anders dan je zou verwachten niet aan één van de uiteinden, maar ongeveer halverwege aan de zijkant van het meer. De meeste tijd rijden we door de naaldbossen aan de westkant. De bochtige weg gaat voortdurend op en neer, waarbij we soms tientallen meters boven en dan weer pal naast het meer rijden. Er lijkt maar geen einde aan te komen, in totaal is het meer maar liefst veertig kilometer lang. Vanwege de droogte staat het water een stuk lager dan normaal. Dat is vooral goed merkbaar bij de uiteinden. Waar volgens de kaart nog water zou moeten staan, is nu slechts een drooggevallen bedding zichtbaar. Ook voorbij het stuwmeer blijven we nog een tijd door de bossen rijden. Onvoorstelbaar eigenlijk hoe groen het nog is hier in het zuiden van Spanje.
Na een korte pauze in het toeristische Arroyo Frio beginnen we aan het zwaarste deel van de dag: een beklimming van ruim vijftien kilometer met een gemiddeld stijgingspercentage van acht procent. Eenmaal boven wacht ons als beloning een weids uitzicht over het dal waarlangs we gekomen zijn. Van het stuwmeer is echter niets meer te zien.
Daarna duiken we een totaal ander landschap in. Geen naaldbossen meer, maar olijfgaarden tot aan de horizon. Na een zinderende afdaling bereiken we uiteindelijk Cazorla. De camping ligt iets ten zuiden daarvan, vanuit het centrum slechts via een enorm steil weggetje bereikbaar. Het is een terrassencamping. Ook daar is het erg steil, zo steil zelfs dat het verboden is om er met een caravan te rijden. Dat is voorbehouden aan het campingpersoneel, dat met een trekker de caravans naar hun plaats sleept. Om bij de receptie te komen moeten we eerst helemaal naar het bovenste terras. Ik maak van de gelegenheid gebruik meteen wat inkopen te doen, zodat we vanavond niet weer naar het centrum hoeven.
Maandag 26 september: Cazorla – Alicun (88 km)
Wat zich gisteren al openbaarde zet zich nu door. Op elk stukje grond dat geschikt is voor de landbouw staan hier olijfbomen, in strakke rijen en op regelmatige afstand van elkaar.
Na een koffiestop in Huesa duiken we een onherbergzaam gebied in. De komende veertig kilometer zullen we hier geen dorp of zelfs huis meer tegenkomen. Deels gaat het over gravelpaden, die vooral in het begin erg steil en slecht zijn. Ondanks de zware omstandigheden genieten we enorm van de surrealistische berglandschappen om ons heen, steeds wisselend van aard en het ene nog mooier dan het andere. We kunnen dan ook niet ophouden om er foto’s van te maken. Al vier jaar kijk ik ernaar uit om dit stuk te rijden, nadat ik komend vanuit Sevilla in Granada vroegtijdig mijn fietstocht naar het noorden heb moeten afbreken. Vaak is het zo dat wanneer de verwachtingen hooggespannen zijn, de praktijk alleen maar tegen kan vallen. Dit keer is dat echter geenszins het geval. Sterker nog, deze wondere wereld overtreft alle verwachtingen.
Eenmaal boven en weer op asfalt nemen we een lunchpauze tussen de olijfbomen. Met slechts het geruis van de wind heerst er een weldadige rust. In de verte zijn de contouren van de Sierra Nevada duidelijk zichtbaar. Van eeuwige sneeuw is echter niets te bekennen, dus zo eeuwig is die sneeuw kennelijk niet
Door andere betoverende landschappen dalen we weer af naar de bewoonde wereld. Die bestaat vooralsnog uit een viertal dorpen. In de derde heb ik een bar gevonden waarboven ze kamers verhuren. Daar aangekomen blijkt de bar permanent gesloten te zijn. In het volgende dorp, negen kilometer verderop, kunnen we gelukkig terecht in een kuurhotel. Het blijkt een schot in de roos, voor een bedrag van honderd euro kunnen we hier eten en slapen. Dat de rest van de gasten overwegend uit senioren bestaat deert ons niet. Wel beschouwd behoren we zelf ook tot die groep, al ervaren we dat vaak niet zo, al helemaal niet tijdens fietsvakanties.
Dinsdag 27 september: Alicun - Granada (83 km)
Het kuurhotel ligt op een heuvel iets naast de route. De eerste kilometers gaan daarom naar beneden. Tot aan Purullena volgen we een rivierdal. Die rivier blijkt slechts een miezerig stroompje, maar desondanks slingert het dal zich als een groen lint tussen de kale bergen door. Kennelijk weet men het water hier goed vast te houden. Dat groene lint bestaat deels uit populieren, een in Nederland veel voorkomende boomsoort die je nou niet direct zou verwachten in een subtropisch klimaat. Het is eens een keer wat anders dan olijfbomen, al staan die hier ook in grote getale.
Voor ons uit komen de contouren van de Sierra Nevada steeds dichterbij. Het is het laatste obstakel dat ons nog scheidt van de Middellandse Zee. Voorbij Purullena buigt de route naar het westen af, zodat we nu evenwijdig aan bergmassief rijden. Desondanks is het klimmen geblazen. Via een kloofdal stijgen we door naar een hoogte van zo’n dertienhonderd meter. Onderweg zien we een paar maal een groep Indiërs. Op racefietsen en zonder bagage rijden die ongeveer even langzaam als wij naar boven. Regelmatig lassen ze een rustpauze in, daarbij als een kudde schapen samendrommend in de schaduw van de bomen aan de kant van de weg. Op de top staat een busje hen op te wachten. Terwijl de Indiërs één voor één zwoegend boven komen, maak ik een praatje met een paar van hen. Het is een groep expats, afkomstig uit verschillende Europese landen. Ook zij maken een meerdaagse fietstocht. Vlak voor de laatste Indiër meldt ook Nanco zich op de top. Ook hij heeft onderweg een rustpauze genomen.
De laatste vijfentwintig kilometer naar Granada gaan vrijwel continu naar beneden. Naarmate we dichterbij de stad komen neemt het autoverkeer toe. Via een onverhard jaagpad langs de Rio Genil weten we echter toch nog redelijk autovrij het centrum te bereiken. Even nog lijkt het erop dat het pad doodloopt en worden we gedwongen een stuk terug te rijden. Via een bruggetje kunnen we daar oversteken en onze weg vervolgen langs de andere oever.
De camping ligt iets ten zuiden van de stad. Daardoor komen we alsnog in het drukke stadsverkeer terecht. Gelukkig zijn haast overal wel fietspaden. Bij de camping wacht ons een onaangename verrassing: de camping is helemaal vol. De campingbeheerder kan ons slechts een plaats aanbieden op de paar vierkante meter tegenover de receptie, een plek waar je je hond nog niet zou willen achterlaten. Een meeluisterende Nederlandse vrouw komt met de suggestie dat we wellicht een chalet kunnen huren. Er blijkt er zowaar nog één vrij. Het beschikt over maar liefst twee slaapkamers. Nanco mag in die met het tweepersoonsbed, zelf ben ik veroordeeld tot het wat krappe stapelbed in de andere kamer.
De rest van de dag blijven we op de camping. Morgen zullen we tijdens onze rustdag nog genoeg gelegenheid krijgen om Granada te bekijken. Omdat de vakantie bijna ten einde is, maken we de laatste in onze fietstassen aanwezige noodmaaltijden op. Dan hoeven die tenminste niet meer mee het vliegtuig in. Met de fles wijn uit de kampwinkel erbij smaakt het ons prima.
Woensdag 28 september: Rustdag Granada (0 km)
Gisteravond hebben we bedongen dat we vandaag naar een kampeerplaats kunnen verhuizen. Ondanks dat ik vannacht een paar maal mijn hoofd heb gestoten aan het stapelbed, verkiezen we het om in het chalet te blijven. Dat scheelt weer een hoop gedoe. In alle rust beginnen we daarom aan onze rustdag. Ondanks dat het maar een kleine camping is beschikt het over een eigen zwembad. Na de koffie brengen we een deel van de ochtend door langs en in het water.
Aan het begin van de middag rijden we met de bus naar het centrum. Onze stadswandeling voert ons onder andere langs de kathedraal en een paar gezellige pleinen. Op één daarvan nemen we plaats op een terras en bestellen allebei een pizza.
Hoofddoel van ons bezoek aan Granada is het Alhambra. Tweemaal eerder heb ik een poging ondernomen om dat te bezoeken. De eerste keer, bijna twintig jaar geleden, was op een maandag. Omdat in Spanje op maandag alle musea zijn gesloten, bleef mijn bezoek toen beperkt tot de tuinen. De tweede keer was vier jaar geleden. Bij de kassa kreeg ik toen te horen dat de tickets waren uitverkocht. Het schijnt dat je die al ver van tevoren moet bestellen. Gisteravond is het ons na lang zoeken gelukt om kaartjes voor vandaag te kopen, al moesten we daarvoor wel de hoofdprijs betalen (ruim vijftig euro per persoon).
Voordat we naar het Alhambra gaan, lopen we eerst naar een uitzichtpunt op een heuvel daar tegenover. Dat ligt in Albaicín, de oude Arabische wijk. Via een wirwar van steegjes en trappen klimmen we naar boven. In tegenstelling tot de benedenstad is het hier erg rustig, behalve dan bij het uitzichtpunt zelf. Eenmaal daar aangekomen worden we getrakteerd op het klassieke plaatje van het Alhambra, met op de achtergrond de Sierra Nevada. Zeer de moeite waard.
Dat geldt uiteraard ook voor het Alhambra zelf. We lopen onder begeleiding van een gids mee met een groep Poolse dames. De gids weet ons een hoop te vertellen over allerlei details, die je anders als argeloze toeschouwer zouden ontgaan. Uit haar betoog spreekt een hoop bewondering voor de Arabische cultuur, waaraan dit prachtige complex te danken is. Overal zit een gedachte achter, gebaseerd op religieuze en mathematische principes. Dat geldt zowel voor de architectuur als de vele kunstschatten die het herbergt. Helaas werden die principes niet altijd begrepen en/of gewaardeerd nadat de Moren verdreven waren, waardoor een deel van dit cultureel erfgoed verloren is gegaan.
Terwijl de Poolse dames met een touringcar worden opgehaald, gaan wij te voet weer naar beneden. Daar staat de volgende culturele activiteit alweer op het programma: een flamencoconcert. Het kan niet op vandaag. We krijgen er ook een hapje en een drankje bij, al stelt dat niet al teveel voor. Na afloop spreken we de eerste de beste taxichauffeur aan. We hebben namelijk geen zin meer om naar de bushalte te lopen. Met ruim zestienduizend stappen op de stappenteller hebben we dat vandaag wel genoeg gedaan.
Donderdag 29 september: Granada – Zafarraya (87 km)
Via dezelfde drukke weg als eergisteren rijden we weer terug naar het centrum, om daar te route weer op te pakken. Over een fietspad langs de Rio Genil rijden we zo de stad weer uit. Toch duurt het nog lang voordat we de stedelijke zone ten westen van Granada achter ons hebben gelaten. Pas na een kilometer of twintig wordt het weer vertrouwd rustig, groen en bergachtig.
Na de rustdag van gisteren valt het niet mee om het juiste ritme weer te vinden. Dat we eerst weer vierhonderd meter omhoog moeten helpt daar ook niet echt bij. Na die eerste lange beklimming volgen nog een paar bergen, maar omdat we op hoogte blijven vallen de hoogteverschillen daar wel mee. Tussendoor houden we tweemaal een korte pauze, eenmaal in Pantano en eenmaal in Alhama de Granada. Pantano is een in dit jaargetijde verlaten toeristisch dorp aan een stuwmeer, Alhama een voor deze streek zo typerende ‘pueblo blanco’. Van enige afstand bezien ligt het fraai tegen de bergwand aangeplakt.
Overal waar we komen is de berm bezaaid met zwerfafval: blikjes, plastic flessen en ander verpakkingsmateriaal, vaak zelfs met een deel van de inhoud er nog in. Niet alleen vandaag, maar eigenlijk de gehele vakantie al, zelfs op de meest afgelegen plekken. In Nederland zie je dat natuurlijk ook wel, maar dan toch meestal bij stoplichten en parkeerplaatsen.
Net voorbij Alhama zien we het vlak voor ons gebeuren. Vanuit een stilstaande auto aan de kant van de weg wordt een leeg flesje door een al wat ouder echtpaar pardoes dwars over de weg naar de overkant gegooid. We staan op het punt er iets van te zeggen, maar doen het uiteindelijk toch niet. Je weet maar nooit hoe mensen daarop zullen reageren. Tenslotte zijn we te gast in dit land en willen we niet beticht worden van inmenging in binnenlandse aangelegenheden. Nederlanders zijn sowieso niet erg populair in veel landen vanwege hun voortdurend opgestoken vingertje.
Gisteren hebben we in Ventas de Zafarraya een appartement gereserveerd. We willen namelijk niet het risico lopen weer ergens voor een gesloten bar of volle camping te staan, vooral niet in deze contreien waar de overnachtingsmogelijkheden beperkt zijn. Het appartement blijkt van een jongedame te zijn, luisterend naar de naam Estrela. Zelf is ze voor de gelegenheid uitgeweken naar het appartement boven ons, dat eveneens in haar bezit is. Het is allemaal goed verzorgd, uitstekende bedden, een moderne badkamer en zelfs een mand vol fruit. ’s Avonds eten we op haar aanraden in het restaurant om de hoek, dat van haar broer blijkt te zijn. Op weg daar naar toe maken we een korte omweg om van het uitzicht te genieten. Daar in de verte zien we voor het eerst de Middellandse Zee. Het einde van de fietsvakantie komt nu letterlijk in zicht.
Vrijdag 30 september: Zafarraya - Malaga (74 km)
Al vroeg hoor ik iemand de trap aflopen en een deur dichtslaan. Waarschijnlijk is het Estrela, die in een bakkerswinkel werkt. Gisteren heeft ze ons beloofd vanmorgen brood te brengen. Wanneer ik een half uur later de voordeur open doe, hangt daar inderdaad een zak met brood aan de deurklink.
Vandaag staat er een stevige noordenwind. Wat dat betreft doet Ventas de Zafarraya (‘Winden van Zafarraya’) zijn naam eer aan. Net als gisteren op weg hier naar toe rijden we op een soort hoogvlakte, aan beide zijden geflankeerd door bergketens. Het blijkt een waar tuinbouwgebied, waar velden met kool, tomaten en andere groenten elkaar afwisselen. Na een kilometer of tien begint de weg weer licht te stijgen. Aanvankelijk rijden we een stuk in noordwestelijke richting, dus met de wind schuin tegen. Na het hoogste punt slaan we linksaf richting kust. Met de wind in de rug schiet het daar flink op. Vanaf de licht golvende weg op circa negenhonderd meter hoogte krijgen we zo nu en dan prachtige doorkijkjes naar de Middellandse Zee. Naarmate we dichterbij Malaga komen worden die steeds mooier. Na de laatste serieuze beklimming krijgen we dan eindelijk ook Malaga in het vizier. Er volgt een sensationele afdaling, die ons van negenhonderd meter terugbrengt naar zeeniveau. Na drie weken fietsen (voor Nanco twee weken) is onze eindbestemming bereikt!
Ons hotel ligt vlakbij het centrum. Nadat we ons hebben opgefrist kunnen we daar lopend naar toe. En passant verkennen we alvast het treinstation, waarvandaan morgenochtend de trein naar het vliegveld vertrekt. Dat voorkomt dat we morgen lopen te zoeken. Op ons gemak slenteren we wat rond langs de haven en door het uitgaanscentrum. Overal is het gezellig druk. Ik koop wat souvenirs voor het thuisfront en een nieuw T-shirt voor in het vliegtuig. Ook Nanco koopt een paar T-shirts. Op deze laatste dag in Spanje komen we er eindelijk aan toe een keer paella te eten. Op de een of andere manier is het daar tot nu toe nog niet van gekomen.
Zaterdag 1 oktober: Vliegreis Malaga - Eindhoven
Omdat de ontbijtzaal pas om zeven uur opengaat, hebben we de receptie gisteravond gevraagd ons ontbijt al eerder voor ons in te pakken. We zullen dat dan wel op het vliegveld opeten. We doen het rustig aan, maar desondanks halen we nog net de trein van een paar minuten over zeven. De verkenning van gistermiddag betaalt zich uit. Een half uur later was overigens ook geen probleem geweest.
In de rij voor de incheckbalie krijgen we te horen dat het vliegtuig een uur vertraging heeft. Desondanks gaat men gelukkig wel door met het inchecken. Een vrouw uit Valkenswaard, waar we even mee aan de praat raken, laten we beleefdheidshalve voor. Voor haar maar goed ook, want als wij aan de beurt zijn stokt de rij. De baliemedewerkster weigert namelijk onze fietsen in te checken, omdat ze niet in een fietsdoos zitten. Ook na consultatie van haar collega achter de balie naast haar, waardoor nu ook de andere rij moet wachten, en een paar telefoontjes blijft ze bij dat standpunt. We moeten ons maar wenden tot haar chef. Het reeds geprinte label moet Nanco weer van zijn fietshoes halen.
Met de fiets aan de hand verlaten we de rij wachtenden, die ons nakijken met een mengeling van ergernis en opluchting. De cheffin is duidelijk al geïnformeerd over de situatie en ontvangt ons met een norse onwelwillende blik. Pas wanneer ik erop aandring de vervoersvoorwaarden van Transavia erop na te lezen, waarin toch duidelijk staat dat ook een fietshoes is toegestaan, gaat ze overstag, al is het niet van harte. Ze sommeert ons bij balie één te wachten totdat iemand ons komt ophalen. Intussen verstrijkt de tijd. We mogen ons gelukkig prijzen dat het vliegtuig vertraging heeft, anders zou het wel heel spannend worden die nog te halen. Na enige tijd komt een jonge vrouw aangelopen, die ons vraagt in de lift mee naar beneden te gaan. Met een pasje ontgrendelt ze elke deur waar we doorheen moeten. Het is de bedoeling dat daar in ons bijzijn de fietsen door de scanner gehaald worden. Daartoe moeten we wel eerst de voorwielen eruit halen, anders passen ze er niet in. Ik heb wat moeite mijn voorwiel er weer in te krijgen. In de consternatie hebben we blijkbaar onze wielen verwisseld. Overigens is het Nanco wel gelukt mijn voorwiel in zijn fiets te zetten. Pas wanneer de fietsen door twee sjouwers worden afgevoerd mogen we de ruimte verlaten. De jonge vrouw begeleidt ons weer naar boven, waar we eindelijk naar de gates mogen. De balies van de vlucht naar Eindhoven liggen er nu verlaten bij. Ondanks het gedoe met de fietsen hoeft dus niemand het vliegtuig te missen.
Uiteindelijk vertrekt het vliegtuig pas om één uur, bijna twee uur later dan gepland. Eenmaal in de lucht legt de piloot uit dat er vanmorgen problemen waren op het vliegveld van Eindhoven, waardoor ze pas laat konden vertrekken. Hij zal proberen extra snel te vliegen om de opgelopen vertraging te beperken. Anderhalf uur later staan we alweer op de grond in Eindhoven. De piloot herneemt het woord en meldt dat we nog minstens een uur in het vliegtuig moeten wachten, omdat de problemen met de bagageafhandeling nog steeds niet zijn opgelost. Met een totale vertraging van bijna drie uur kunnen we dan eindelijk na een uur het vliegtuig verlaten. Dankzij onze AirTags hebben we dan al geconstateerd dat ook onze bagage, inclusief de fietsen, in Eindhoven is aangekomen.