2019 Op herhaling
2019 Op herhaling
Hittegolf
0. Metz
1. Heudicourt
2. Domremy
3. Langres
Overgang
4. Beaune
5. Cluny
6. Villerest
Centraal Massief
7. Le Brugeron
8. Le Puy en Velay
9. Lac Naussac
Een koor van krekels
10. Saint-Ambroix
11. Brissac
12. Vias
Maandag 22 juli: Metz – Heudicourt (54 km)
De afgelopen week heb ik met aandacht de weersvooruitzichten voor Frankrijk gevolgd. Dit met het oog op de fietstocht die ik van plan ben te gaan maken. Het is min of meer dezelfde tocht die ik samen met Nanco in het begin van deze eeuw ook al eens hebt gemaakt, de route naar Barcelona van Paul Benjaminse. Qua weer was het toen geen onverdeeld succes geweest. In 2002, toen we het traject tot Beaune reden, hebben we haast elke dag wel regen gehad. Een jaar later, toen we het restant tot aan de Costa Brava reden, kregen we te maken met een serieuze hittegolf, met twee weken lang temperaturen van boven de vijfendertig graden. Vanwege die extreme weersomstandigheden hebben we er destijds maar beperkt van kunnen genieten. Al een tijdje stond daarom op ons verlanglijstje om die tocht nog eens over te doen, voordat we met fietspensioen zouden gaan. Dit jaar was een goed moment daarvoor. Omdat Nanco wegens een reorganisatie op zijn werk een riante afvloeiingsregeling had weten te treffen, wat erop neer kwam dat hij feitelijk op zijn 61ste al met pensioen ging, had hij genoeg tijd om de gehele tocht te rijden. Een aanzienlijk deel van het traject zou ik echter met hem meerijden. We hadden afgesproken dat we elkaar op vrijdag 26 juli zouden ontmoeten in Beaune.
Aanvankelijk gaven de weersvooruitzichten aan dat het de komende week ongeveer dertig graden zou worden in Noord-Frankrijk. Elke volgende dag dat ik het weerbericht checkte kwam daar een graad bij. Gisteravond gaf mijn weerapp aan dat het van dinsdag tot donderdag boven de vijfendertig graden zou worden, met als maximum negenendertig graden op donderdag. De hittegolf van 2003 dreigde overtroffen te worden! Vanmorgen heb ik nog niet weer durven kijken. Ik weet alleen dat het vanmiddag, wanneer ik met de trein aankom in Metz, dertig graden zal zijn. Ik kan het maar beter per dag gaan bekijken, anders zakt de moed me bij voorbaat al in de schoenen.
Ik zit nu in de trein naar Maastricht en we zijn station Roermond net gepasseerd. Straks in Maastricht zal ik overstappen op de boemel naar Luik en vervolgens wacht mij nog driemaal een overstap. En dan maar hopen dat ik geen aansluiting mis, want ik wil vanaf Metz nog wel een eindje fietsen om op schema te blijven. In geval dat door een vertraging of anderszins niet mocht lukken, dan kan ik nog altijd overwegen met de trein door te rijden naar Nancy. Ik laat het maar op me afkomen. Ik ben niet van plan mezelf doelen op te leggen die misschien toch niet haalbaar zijn. Het is tenslotte vakantie.
Om 14:14 uur precies rolt de trein het station van Metz binnen. Dat betekent dat de treinreis geheel conform planning is verlopen. In Arlon was het nog wel even spannend of ik de aansluitende trein naar Luxemburg zou halen, maar gelukkig bleef die even wachten om zo mij en een aantal medereizigers de gelegenheid te geven over te stappen. Onder hen een wat ouder echtpaar dat eveneens de fietsen bij zich had. De man hijgde nog wat na van het sjouwen met de fiets (inclusief bagage) over de trappen, terwijl zijn vrouw zat te mopperen dat het toch schandalig was dat hier geen liften waren. En dat terwijl zij het toch een stuk minder zwaar had gehad zonder fietstassen op haar fiets.
Twee jaar geleden ben ik al eens in Metz geweest, dus ik verspil verder geen tijd aan het nemen van foto’s, hoewel er genoeg plekken zijn die het nemen van een foto waard zijn. Graag wil ik vandaag nog Lac de Madine bereiken, zo’n vijftig kilometer verderop. Het eerste stuk voert me langs de Moezel, over de Veloroute Charles le Témeraire. Van de Moezel zie ik overigens niet veel, omdat het fietspad grotendeels onder de bomen ligt. Voordeel daarvan is wel dat ik lekker in de schaduw kan blijven rijden.
Bij Pagny-sur-Moselle verlaat ik het Moezeldal en trek de heuvels in aan de westzijde daarvan. Hier is nauwelijks meer schaduw en met hellingen tot 10% is het best wel pittig, zeker voor een eerste dag. Onderweg geniet ik wel van de weidse uitzichten over de voor deze streek zo typerende graanvelden. Het meeste graan is al van het land gehaald, wat rest zijn nog de verspreid in het land liggende strobalen. Het levert prachtige plaatjes op, en hoewel ik hier al vaker foto’s van gemaakt heb kan ik het toch niet laten er weer een paar plaatjes van te schieten. Na het ronden van een heuveltop zie ik in de verte ineens een blauwe glinstering aan de horizon. Vermoedelijk is dat het Lac de Madine. Het einde van de tocht van vandaag is dus in zicht. Het valt me echter tegen hoe lang het nog duurt voordat ik daar eindelijk ben.
Eenmaal bij het meer aangekomen neem ik een korte drinkpauze op een terrasje. De camping ligt nog zo’n vijf kilometer verderop. Bij het afrekenen informeer ik naar mogelijkheden om hier in de buurt te eten. In het dorp waar ik me nu bevind zijn een paar restaurants, maar die zijn uitgerekend op maandag (vandaag dus) gesloten. Maar misschien dat er bij de camping nog wel iets is, zo oppert men voorzichtig. Volgens mijn informatie is er op de camping echter geen restaurant of iets wat daarop lijkt. Ik bereid me daarom alvast voor op een avondmaaltijd bestaande uit een paar Snelle Jelle’s en een bidon leidingwater.
Het laatste stuk tot aan de camping rijd ik op een soort dijk langs het meer. Het valt me op dat het land rechts van me een stuk lager ligt dan het meer. Het doet vermoeden dat het Lac de Madine geen natuurlijk meer is. Bij de camping is zoals verwacht geen winkel en ook geen restaurant. Gelukkig blijkt er net buiten de camping vlak aan het meer wel een snackbar te zijn. Noodgedwongen moet ik het vanavond doen met een hamburger, een bak frites en wat kleffe salade. De halve liter bier maakt echter veel goed.
Om acht uur al lig ik in mijn slaapzak. Vanmorgen was het erg vroeg (half zes) en bovendien heb ik afgelopen nacht slecht geslapen. Na een halve dag treinen en een halve dag fietsen heb ik wel even gehad. Als een blok val ik in slaap.
Dinsdag 23 juli: Heudicourt – Domremy (84 km)
Om half acht rijd ik van de camping. Ik heb besloten niet te wachten tot de bakker straks om acht uur langs komt. Volgens Google Maps is er in het nabij gelegen Heudicourt wel een kruidenier. Dan kan ik er gelijk wat broodbeleg bij kopen. Op het centrale kruispunt van het dorp zie ik alleen een kerk en een hotel. Met de telefoon in de hand navigeer ik naar de plek waar de kruidenier zou moeten zijn. Dat brengt me naar de rand van het dorp en laat me daar een onverharde zijweg in slaan. Ik begin sterk te twijfelen of de door Google Maps verstrekte informatie wel correct is. De onverharde weg eindigt na vijftig meter bij de achterkant van een paar huizen. Op het erf van één daarvan slaat een hond aan. Onverrichter zake keer ik maar weer om. Gealarmeerd door het geblaf zijn intussen een paar buurtbewoners naar buiten gekomen en vragen me verbaasd wat ik hier kom doen. Na mijn uitleg maken ze me duidelijk dat ik voor de dichtstbijzijnde supermarkt een dorp verderop moet zijn. Helaas blijkt dat niet op de route te liggen. Ik laat het er maar bij en ga er vanuit dat ik later vandaag wel iets tegen zal komen. Met de Snelle Jelle’s in mijn tas kan ik het nog wel een tijdje uithouden.
Het eerste stuk rijd ik langs de westkant van het meer, voor een deel over onverharde wegen. Zo vroeg op de ochtend lijkt het hier nog uitgestorven. Sowieso komen hier waarschijnlijk maar weinig mensen, want op sommige plaatsen is het pad nauwelijks meer begaanbaar. Op een gegeven moment wordt me de weg versperd door rood-wit hek. Daar achter zijn een paar mensen bezig een duiker aan te leggen. Geholpen door één van hen til ik de fiets over de uitgegraven geul en wurm me vervolgens langs hun even verderop geparkeerde vrachtauto. Bij Montsec aan de zuidkant van het Lac de Madine heb ik, met het stukje van gisteren meegeteld, ongeveer driekwart van het meer gerond. Ik rijd dan inmiddels weer op een normale asfaltweg.
Op de top van de heuvel bij Montsec staat de Butte de Montsec, een Amerikaans gedenkmonument uit de Eerste Wereldoorlog. Gisteren heb ik die in de verte al kunnen zien liggen en ook vandaag is die steeds prominent in beeld. Omdat ik nog een aantal kilometers voor de boeg heb, zie ik er echter maar van af het monument te bezoeken. De koele ochtenduren gebruik ik liever om even flink door te rijden, zodat ik vanmiddag bijtijds kan stoppen. Vandaag belooft het maar liefst vijfendertig graden te worden.
Even voorbij Montsec buigt de route weer af naar het zuiden. Ook hier rijd ik weer door de bossen en ook hier is het overal erg rustig. Bij Pagny-sur-Meuse (jawel, naast een Pagny-sur-Moselle bestaat er dus ook een Pagny-sur-Meuse) kom ik – de naam doet het al vermoeden – in het dal van de Maas terecht. Ook hier doe ik weer een poging een supermarkt te vinden. Een inwoner verwijst me desgevraagd naar Toul, zo’n twintig kilometer verderop. Dat winkels in dit deel van Frankrijk niet breed gezaaid waren wist ik wel, maar dat men voor de dagelijkse boodschappen zover moet rijden verbaast me. Hoe moeten mensen die geen auto hebben zich hier zien te redden? Ik hoop voor hen dat er regelmatig een rijdende winkel zal langskomen, het equivalent van de vroegere SRV-wagen. Gelukkig heb ik onderweg in een café nog een paar croissants bij de koffie kunnen krijgen, anders was ik nu toch wel door mijn voorraad Snelle Jelle’s heen geweest.
De rest van de dag rijd ik door het Maasdal. Zo halverwege gebeurt het dan opeens: ik kom een supermarkt tegen! Rekening houdend met de mogelijkheid dat er straks in Domremy (de beoogde bestemming voor vandaag) ook geen eten te koop zal zijn, sla ik extra brood en andere etenswaren in. Het fietsen door het Maasdal is wat saai. Vanwege het ontbreken van bomen rijd ik hier de meeste tijd in de volle zon en met die hitte is dat bepaald geen pretje. Het verlangen om in Domremy te zijn neemt dan ook toe met de minuut. Tien kilometer ervoor houd ik nog even een korte tussenstop en strek me languit in de berm van de weg, in de schaduw van een paar bomen. Dat is voldoende om weer wat energie en zin te verzamelen voor het laatste stuk.
Om één uur bereik ik de camping. Gelukkig blijkt die te bestaan, want nog eens veertig kilometer naar de volgende camping had ik niet gehaald. Het is een gemeentecamping, en dat wil over het algemeen zeggen dat er weinig voorzieningen zijn. Deze camping vormt daarop geen uitzondering. Vanavond zal er alleen iemand langskomen voor de registratie en het innen van het plaatsgeld. Na het opzetten van de tent lig ik een paar uren bij te komen in de schaduw van een boom. Het is veel te warm om iets te ondernemen. Aan het einde van de middag ben ik daar echter wel uitgekeken en begin ondanks de hitte toch maar aan een wandeling. In Domremy blijken, zoals ik al vreesde, geen winkels te zijn. Wel zijn er een paar restaurants, maar laten die nu uitgerekend op dinsdag (vandaag dus) gesloten zijn. Andermaal neem ik mijn toevlucht tot een soort snackbar. Ditmaal geen vette hamburger met frites, maar een opgewarmde pastaschotel. Bier wordt er niet geserveerd, want de uitbater van de snackbar is een moslim. Ook de rest van de avond is er nergens bier te krijgen, zodat ik het evenals de rest van de dag met water moet doen. Saaiheid troef dus.
Eén pluspunt kan ik nog wel noemen over dit verder troosteloze oord. In Domremy staat namelijk het geboortehuis van Jeanne d’Arc, die hier ruim zeshonderd jaar geleden (in 1412) is geboren. Als jong meisje van eenvoudige afkomst speelde ze op nog jeugdige leeftijd een beslissende rol in de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk, wat haar de bijnaam ‘Maagd van Orléans’ opleverde. Op negentienjarige leeftijd werd ze door een kerkelijke rechtbank veroordeeld tot de brandstapel wegens vermeende hekserij en ketterij. Vijfentwintig jaar later werd ze gerehabiliteerd, maar daar had ze natuurlijk weinig meer aan. In 1920 is ze door de Katholieke Kerk heilig verklaard. Haar heldendaden speelden zich destijds af op ruime afstand van haar geboortestreek. Desondanks trekt haar geboortehuis kennelijk toch nog de nodige bezoekers. Naast het huis is een bezoekerscentrum ingericht, er is een hotel en kerk naar haar vernoemd en even verderop staat er zelfs een standbeeld van deze moedige vrouw. Die bezoekers komen waarschijnlijk vooral overdag, want nu ligt de parkeerplaats naast het bezoekerscentrum er nogal verlaten bij.
Woensdag 24 juli: Domremy - Langres (99 km)
Vandaag belooft het nog weer warmer te worden dan gisteren. Om vijf uur sta ik al op, om zo voor de ergste hitte binnen te kunnen zijn. Het is dan nog schemerdonker. Een uur later, net na zonsopgang, rijd ik weg van de camping. Mijn fietscomputer geeft op dat moment aan dat het slechts twaalf graden is. Lekker fris dus. Ik neem me om voor de eerste rustpauze eerst een flink stuk te fietsen. De route voert me in eerste instantie door de heuvels ten westen van de Maas. Het fietsen gaat me gemakkelijk af en ik geniet volop van de prachtige omgeving. Dit is waarschijnlijk het stuk waar Nanco twee dagen terug zo zat af te zien. Daarbij zij opgemerkt dat hij hier ‘s middags reed, toen hij er al een halve dag op had zitten en het een stuk warmer was. Dat maakt wel even wat uit voor de beleving. Naarmate de zon hoger aan de hemel komt te staan, kruipt ook de thermometer op mijn fietscomputer langzaam omhoog. Vooralsnog blijft het allemaal nog wel binnen de perken.
Nog voor negenen ben ik in Andelot, zo’n veertig kilometer verderop. Tijd voor een eerste rustpauze. Omdat ik zo vroeg ben, moet ik een kwartier wachten totdat de supermarkt open gaat. Inclusief het doen van de boodschappen en het gedeeltelijk consumeren ervan kost het oponthoud me ongeveer drie kwartier. Kostbare tijd waarin ik de temperatuur weer een paar graden zie oplopen.
Na Andelot neem ik op advies van Nanco een alternatieve route, waarmee ik een aantal kilometers kan afsnijden. Gisteren heeft hij daar ook gereden. Een deel van die route is onverhard en loopt steil omhoog. Door de regen is de grond op het pad in de loop der tijd grotendeels weggespoeld, waardoor de stenige ondergrond aan de oppervlakte is komen te liggen. Fietsen is daardoor vrijwel onmogelijk, maar daarvoor was ik gewaarschuwd. Na tien minuten lopen stap ik weer op en vervolg mijn weg door een prachtig dal. De vrijwel verlaten weg golft heftig op en neer, omdat de weg beurtelings over de dalbodem en de naast gelegen heuvels voert. Hoewel de omgeving inspirerend is, gaat het fietsen toch niet meer zo gemakkelijk als eerder vanochtend.
Na elf uur komt er de klad in. De dertig graden grens is dan inmiddels gepasseerd. Steeds vaker las ik een korte pauze in, de ene keer bij een winkel of terrasje om iets kouds te drinken, dan weer op een schaduwplek langs de kant van de weg om even af te koelen. Vlak voordat ik het dal van de Marne bereik moet ik nog een steile heuvel over. Het lijkt de nekslag te zijn, daarna is de puf er definitief uit.
Ten behoeve van de scheepvaart is er ruim een eeuw geleden naast de Marne een kanaal aangelegd. Voorheen heette dat het Marne-Saônekanaal, omdat het kanaal beide rivieren met elkaar verbindt en aldus de bekkens van de Noordzee en de Middellandse Zee. Ter hoogte van de waterscheiding bij Langres ligt er als sluitstuk van deze verbinding een vijf kilometer lange scheepstunnel. Tegenwoordig heet het ‘Canal entre Champagne et Bourgogne’. Mogelijk heeft dat ermee te maken dat de prominente rol die de scheepvaart in het verleden innam is overgenomen door het toerisme. Waar vroeger vrachtschepen over het kanaal voeren, komen er nu slechts plezierjachten voorbij.
Langs het kanaal ligt een jaagpad, dat ik tot aan Langres kan blijven volgen, twintig kilometer verderop. Omdat het vrijwel vlak is, zou het fietsen me hier een stuk gemakkelijker af moeten gaan. Het tegendeel is echter het geval. Op mijn fietscomputer kijk ik afwisselend naar de afgelegde kilometers en de temperatuur. Die kilometers tellen slechts tergend langzaam af naar Langres, terwijl de thermometer oploopt tot ver boven de veertig graden (uiteraard is dat vertekende weergave, maar volgens mijn weerapp is het nog altijd negenendertig graden). Tweemaal neem ik nog een korte pauze. Eén keer aan de oever van de Marne, in de hoop daar een verfrissende duik in te kunnen nemen, maar daarin gehinderd wordt door een ondoordringbaar woud van brandnetels. Een andere keer op het enige terrasje dat ik onderweg tegenkom en waarvan de aantrekkingskracht moeilijk is te weerstaan. In Langres wacht me als uitsmijter nog een steile klim over een drukke weg naar het centrum. Daar blijkt namelijk ook de camping te liggen. Ik troost me met de gedachte dat ik, wanneer ik later vandaag dat centrum wil bezoeken, dan in elk geval niet meer hoef te klimmen.
Eenmaal op de camping aangekomen lig ik het eerste uur uitgeteld op de grond. Pas daarna begin ik langzaam mijn tent op te zetten. Naast me staat een groep van ongeveer twintig luidruchtige Duitse pubers. Dat merk ik pas nadat de groep van een wandeling is teruggekeerd, anders zou ik wel een ander plekje hebben uitgekozen. Er zijn ook een paar volwassen begeleiders bij, maar die doen weinig moeite de losgeslagen bende in het gareel te houden. Om de drukte even te ontvluchten loop ik een rondje over de camping. Die ligt tegen de westelijke stadsmuur aan. Via een opening is het mogelijk om aan de andere kant van de muur te komen. Van daar heb je een mooi uitzicht over het lager gelegen gebied ten westen van de stad. Wanneer ik via een andere opening in de muur weer terug loop naar de camping, wordt ik bijna van de sokken gereden door een treintje vol met toeristen. Die rijdt hier nota bene gewoon dwars over de camping heen.
Aan het einde van de middag loop ik ondanks de hitte naar het centrum. Waar tijdens deze fietsvakantie de terrasjes tot dusverre met een lantaarntje gezocht moesten worden, struikel ik er nu haast over. Ik neem plaats op een schaduwrijk terras en bestel een halve liter bier. Daar ben ik wel even aan toe, water heb ik vandaag al genoeg gehad. En gisteren ook trouwens, toen ik zelfs helemaal geen bier gedronken heb. Ik geniet met volle teugen en al snel is de bodem van het glas in zicht. Ik weet me echter te beheersen en laat het voorlopig bij dat ene glas. Ik wil het centrum ook nog wat bekijken. Langres blijkt een alleraardigst stadje te zijn. Het langwerpige en geheel ommuurde centrum ligt op een heuvel, die honderd meter boven de directe omgeving uitsteekt. Het openbare leven speelt zich voornamelijk af in de centrale winkelstraat, die in de lengterichting van de heuvel loopt. In een supermarkt doe ik wat boodschappen en even later neem ik plaats op het terras van een pizzeria. Of het door de warmte komt weet ik niet, maar als ik aan de pastaschotel begin heb ik weinig trek meer. Vanuit de gedachte dat ik toch goed moet eten doe ik toch maar een poging die naar binnen te werken, maar uiteindelijk laat ik meer dan de helft staan.
Op de camping is de geluidsoverlast van de Duitse pubers er bepaald niet minder op geworden. In tegendeel zelfs. Desondanks doe ik een poging om te gaan slapen, tenslotte loopt het al tegen tienen. Door het tumult om me heen is dat echter onmogelijk. In mijn onderbroek stap ik daarom de tent weer uit en spreekt de leiding (‘auf Deutsch’) vermanend toe. Kennelijk maakt dat wel indruk, want binnen tien minuten is het muisstil. Toch duurt het nog even voor ik de slaap kan vatten. Daarvoor is het nog veel te warm, bijna dertig graden. Ik meet voor de zekerheid mijn lichaamstemperatuur en die blijkt een graad meer te zijn dan normaal. Ik vraag me af of dat normaal is na zo’n tropische dag. Ik zou toch geen zonnesteek opgelopen hebben? Pissen heb ik ook niet veel gedaan vandaag, ondanks de vele liters vocht die ik naar binnen heb gewerkt. Morgen zal het weer net zo warm worden als vandaag, met dit verschil dat het ’s morgens dan al vijfentwintig graden is, en niet twaalf zoals vanmorgen. Ik begin ernstig te twijfelen of het wel zo verstandig is om morgen weer te gaan fietsen.
Donderdag 25 juli: Langres – Beaune (trein)
Ergens tijdens een wakker moment afgelopen nacht heb ik de beslissing genomen vandaag niet te gaan fietsen. In plaats daarvan zal ik de trein naar Beaune nemen. Omdat die pas vanmiddag om half drie vertrekt, neem ik eerst ruim de tijd om eens uit te slapen. Daar is het deze fietsvakantie nog niet van gekomen. Wanneer ik tegen negen uur naar het centrum loop voor een ontbijt is het al behoorlijk warm. Na nog een rondje door het centrum ga ik weer terug om de tent af te breken. De camping is dan al vrijwel leeg, de meeste mensen zijn al vertrokken, inclusief de groep met Duitse pubers. Die kunnen vanavond ergens anders de boel weer op stelten gaan zetten.
Ik rijd naar het parkje bij de kathedraal waar ik gisteravond ook al even gezeten heb. Onder de schaduw van de bomen breng ik zo een aantal uren door. Tussendoor loop ik even de kathedraal binnen, waar het weldadig koel is. Ruim voordat de trein vertrekt rijd ik alvast naar het station. Onderweg kom ik een Intermarché tegen waar ik wat inkopen doe. Ook hier is het lekker koel, vooral in de buurt van de koelvitrines. Ik rek mijn bezoek aan de supermarkt zo lang mogelijk, maar uiteindelijk komt er een moment dat ik weer naar buiten moet. Bij het verlaten van het gebouw slaat de hitte me tegemoet. Het is alsof ik een sauna betreedt.
Ook in de trein is het dankzij de airco lekker koel. In Dijon moet ik overstappen en wegens het ontbreken van een lift ben ik weer eens gedwongen de fiets inclusief bagage via de trappen naar het andere perron te verplaatsen. Gelukkig zijn er wat helpende handen van andere treinreizigers. Wanneer ik in Beaune weer uitstap denk ik even dat het een halte te vroeg is. Het perron lijkt uitgestorven en bovendien ontbreekt de stedelijke bebouwing die je in een stad als Beaune toch zou verwachten. Even heb ik de aanvechting weer in te stappen, maar bedenk dan dat het waarschijnlijk toch wel goed zit. Het aankomsttijdstip klopt namelijk wel.
De camping is met behulp van Google Maps al snel gevonden. Eerder vandaag heeft Nanco via Whatsapp de GPS-positie van zijn tent doorgegeven. Wanneer ik me daar na enig gezoek meld zie ik alleen zijn fietstassen liggen. Op het moment dat ik de laatste haringen in de grond sla komt hij eraan rijden. Hij was even naar het centrum geweest en had nog geen zin gehad zijn tent op te zetten. Ik had me erop ingesteld weer een totaal verwilderde zwerver aan te treffen (zoals een paar jaar geleden toen ik hem na een week fietsen ontmoette op een camping ergens in Duitsland), maar deze keer blijkt hij zijn baardgroei redelijk onder controle te hebben gehouden. We vieren het weerzien met een grote pul bier op het terras van de camping. Aansluitend nemen we daar ook de avondmaaltijd. We hebben weinig puf om nog weer naar het centrum van Beaune te gaan.
Vrijdag 26 juli: Beaune - Cluny (84 km)
Volgens ons oorspronkelijke plan zou ik pas vanavond in Beaune aangekomen zijn. Omdat ik gisteren de trein gepakt heb, is dat een dag eerder geworden. Nanco zou hier dan vandaag een rustdag hebben gehouden. In verband met de verwachte regenval op zaterdag besluiten we om vandaag nog door te fietsen naar Cluny en daar dan een dag te blijven.
Om een uur of zeven rijden we van de camping en zoeken een bakker in het centrum van Beaune. Het lukt ons om in eerste instantie helemaal verkeerd te rijden. Wanneer we na een tijdje de camping weer passeren, lukt het ons in tweede instantie wel het centrum van Beaune te bereiken. We staan even stil bij het stenen bankje waar we tijdens ons eerdere bezoek aan Beaune (in 2002) een fles wijn hebben leeg gedronken. Het ligt tegenover het hospice, waar Nanco gistermiddag nog een bezoek aan heeft gebracht. Het hospice (‘Hotel Dieu’, een voormalig armenziekenhuis) staat op de werelderfgoedlijst van de Unesco. Deze keer nemen we een kop koffie op het naastgelegen terras. Na de koffie gaan we dan echt op pad.
De ergste hitte is vandaag wel voorbij, al zal de temperatuur in de loop van de dag nog wel oplopen tot iets boven de dertig graden. Het eerste stuk voert ons door de wijngaarden ten zuiden van Beaune, de beroemde Côte d’Or. Het is er prachtig en de eerste veertig kilometer zien we al meer terrasjes dan in de hele voorgaande week bij elkaar. De leegte en soberheid van Noord-Frankrijk lijken we eindelijk achter ons gelaten te hebben. Het Bourgondische leven kan beginnen!
De tweede helft van de dag voert ons over een voormalig spoorwegtracé. Wel wat saai, maar het schiet lekker op. Onderweg passeren we Taizé, een religieus centrum waar christelijke jongeren uit de gehele wereld elkaar kunnen treffen. Inmiddels behoren wij al lang niet meer tot deze doelgroep. Ook toen we jong waren hebben we echter nooit de aanvechting gehad hier naar toe te trekken, al hadden we er wel van gehoord. We kenden zelfs mensen die er waren geweest.
Aan het begin van de middag komen we aan op de camping van Cluny, maar vanwege de middagpauze blijkt de receptie dan net gesloten. Kennelijk verwacht men zo vroeg in de middag nog geen gasten. We zoeken daarom alvast een plekje uit, maar wachten bewust nog even met het opzetten van de tent. Terwijl Nanco een tukje ligt te doen, maak ik een verkennende wandeling over de camping. Ik ben met name benieuwd of er ergens een televisieruimte is, waar we straks naar de Tour de France kunnen kijken. Met nog enkele etappes te gaan nadert die zijn ontknoping en nog steeds maakt een Nederlander (Steven Kruiswijk) kans op de eindoverwinning. Tegen de tijd dat de receptie weer open zal gaan meld ik me daar. Omdat er een paar mensen voor me zijn moet ik even wachten. Ik maak van de gelegenheid gebruik om een deur te openen schuin achter de balie, om te kijken of zich daar wellicht een televisie bevindt. Ik tref er een vrouw aan die nogal furieus reageert, omdat ik zomaar ben komen binnen lopen. Ik probeer duidelijk te maken dat ik alleen maar wilde weten of ik hier ergens televisie kon kijken, maar vrees dat die kans nu wel verkeken is, ook al zou hier ergens een tv staan. Gelaten neem ik weer plaats in de wachtrij. Als ik eindelijk aan de beurt ben wacht me de volgende reprimande, deze keer van een andere, wat oudere vrouw. Hoe halen we het in ons hoofd om onze tenten zomaar ergens op te zetten? Misschien zijn die plaatsen wel gereserveerd. Dat laatste blijkt niet het geval en het loopt gelukkig allemaal met een sisser af. Tevens legt ze me uit dat even verderop een televisieruimte is. Ze loopt zelfs met me mee naar buiten om het te laten zien. Haar boosheid van zo-even heeft al snel plaats gemaakt voor oprecht gemeende klantvriendelijkheid.
Nadat ik de tent heb opgezet, nestel ik me een half uur later met een fles bier voor de televisie. Een uur later voegt Nanco zich bij me. Hij heeft niet zo’n last van een Tour de France verslaving. Ik probeer hem wat bij te brengen van de ploegentactiek bij het wielrennen. Met nog één beklimming te gaan ligt onze Nederlandse favoriet nog steeds in een goede positie om wat tijdwinst te pakken. Door noodweer in de Alpen wordt de rit echter veertig kilometer voor de finish geneutraliseerd. De getoonde beelden maken duidelijk dat dat een terechte beslissing is. Door modderstromen is de weg op sommige plaatsen onbegaanbaar geworden. Vroeger dan verwacht staan we daarom alweer buiten.
Dat geeft ons de gelegenheid het naast de camping gelegen zwembad te bezoeken. Het is er gezellig druk. Gelukkig voor ons is een deel van het zwembad gereserveerd voor mensen die baantjes willen trekken, niet gehinderd door balgooiende en/of plotseling opduikende andere badgasten. Ik raak (in het Russisch) aan de praat met een jonge vrouw uit Wit-Rusland, die vlak naast ons zit aan de rand van het zwembad. Ze vertelt dat ze met een groep Wit-Russen in Taizé verblijft, in het religieuze centrum waar we eerder vandaag langs gereden zijn. Morgen zullen ze met de bus verder rijden naar Marseille en vervolgens via nog een andere tussenstop terug naar huis.
Aan het begin van de avond lopen we naar het centrum van Cluny. Voordat we ergens gaan eten willen we eerst nog wat rondkijken. Helaas barst het al enige tijd dreigende onweer definitief los net nadat we het eerste restaurant zijn gepasseerd. Dat noodzaakt ons om daar maar te gaan eten. Omdat met ons alle gasten die reeds buiten op het terras zaten ook naar binnen zijn gevlucht zit het daar stampvol. Aan lange tafels zitten we dicht opeengepakt bij elkaar. Door de lotsverbondenheid heerst er een uitbundig sfeertje, waarin iedereen met elkaar aan het praten is. Wanneer het na afloop van de maaltijd weer droog is, maken we alsnog onze uitgestelde wandeling door het centrum. Met zijn beroemde abdij en enkele kerken is dat zeker de moeite waard. We houden het bij een vluchtige eerste kennismaking. Morgen zullen we het wel wat uitgebreider gaan bekijken. Via een omweg, die wat langer uitvalt dan gepland omdat we ergens verkeerd lopen, keren we tegen negen uur weer terug op de camping. Het is al de tweede keer vandaag dat mijn richtingsgevoel me in de steek laat. Dat krijg je ervan als je teveel gebruik maakt van navigatie hulpmiddelen.
Zaterdag 27 juli: Rustdag Cluny
Hoewel het vandaag een rustdag is ben ik al om half zeven wakker. Het vroege ritme dat ik me de afgelopen week heb aangemeten ben ik niet zomaar kwijt. Als één van de eersten meld ik me een uur later bij de receptie, waar de bakker zojuist brood heeft gebracht. Gezeten op een bankje eet ik mijn deel ervan alvast op. Wanneer tegen negen uur ook Nanco wakker wordt kruip ik weer in mijn slaapzak. Pas om twaalf uur wordt ik weer wakker door het gebeier van de diverse kerkklokken, die elk bij toerbeurt hun twaalf slagen laten horen. Dat ik ze de afgelopen uren niet heb gehoord doet vermoeden dat ik diep geslapen heb. Ook de in de afgelopen week opgebouwde vermoeidheid verloochent zich niet. Heerlijk zo’n rustdag, dat zouden we veel vaker moeten doen. Ik heb het al eens vaker gezegd en geschreven: een fietsvakantie is vooral leuk op momenten dat er niet gefietst wordt.
Na de onweersbui van gisteravond is het definitief gedaan met de hitte. Hoewel er voor vandaag regen is voorspeld blijft het vooralsnog droog. Op ons gemak lopen we naar het centrum voor een kop koffie. Van de voorgenomen bezichtiging van Cluny komt weinig terecht, omdat we er de voorkeur aan geven straks naar de laatste bergetappe van de Tour de France te kijken. We beperken ons daarom tot het maken van een paar foto’s van de abdij en enkele andere gebouwen.
Vervolgens nemen we plaats voor de televisie in hetzelfde café waar we eerder koffie hebben gedronken. Die afspraak hebben we tijdens ons eerdere bezoek al gemaakt met de gerant. Vanwege de slechte beeldkwaliteit en de herrie verruilen we het café echter al snel voor de televisieruimte op de camping. Met het commentaar van de Nederlandse radio erbij kunnen we hier in alle rust het verloop van de etappe volgen. Vandaag valt het klassement definitief in zijn plooi, morgen resteert nog slechts de ceremoniële parade naar de Champs Élysées. Onze Nederlandse favoriet slaagt er niet in nog een serieuze gooi te doen naar de gele trui, maar weet wel een welverdiende podiumplaats in de wacht te slepen.
Tegen de avond begint het dan eindelijk te regenen. Omdat het nog te vroeg is voor het restaurant nemen we andermaal onze toevlucht tot de televisieruimte. We vermaken ons met het luisteren naar Spotify liedjes, waarbij we om beurten een mooie Franse chanson uitzoeken (onder andere ‘Une belle histoire’ van Michel Fugain en ‘A bicyclette’ van Yves Montand). Tegen zeven uur wordt ons door iemand van de camping (de klusjesman) op haast verontschuldigende toon verzocht de ruimte te verlaten. Mogelijk stond die al enige tijd aan de andere kant van de deur te wachten op het moment dat we zelf aanstalten zouden maken, maar was hij te beschroomd om naar binnen te gaan. Met de regenjassen aan lopen we weer naar het centrum om daar in hetzelfde restaurant als gisteren te gaan eten. Als we weer terug lopen regent het al wat harder.
Zondag 28 juli: Cluny – Villerest (98 km)
Het heeft de gehele nacht door geregend. Tegen acht uur lijkt het dan eindelijk droog te worden. Rustig pakken we onze spullen in en nemen op ons gemak een ontbijt. Vandaag is er geen noodzaak om vroeg op te staan, want het zal niet veel warmer worden dan twintig graden.
Vanuit Cluny rijden we naar het zuidwesten, de heuvels in. Het zijn de voorboden van het Centraal Massief, waar we de komende dagen door zullen rijden. De heuvels zijn hier nog niet zo heel hoog, zo’n zeshonderd meter. Niets herinnert ons nog aan ons vorige bezoek aan deze streek, zestien jaar geleden. De omstandigheden zijn ook heel anders dan toen. Destijds hadden we al een behoorlijke afstand afgelegd, voordat we hier aan het einde van een warme dag de heuvels in trokken. Het was nog behoorlijk afzien voordat we toen uiteindelijk La Clayette bereikten, waar we op de camping hebben gestaan. Nu is het lekker koel en zijn we nog fris. Volop genietend van de omgeving leggen we zo zonder moeite de eerste veertig kilometer tot aan La Clayette af.
Na een lunch tegenover het plaatselijke kasteel trekken we weer verder. Het eerste stuk loopt lichtjes naar beneden, waardoor we een behoorlijke snelheid kunnen ontwikkelen. Als gevolg daarvan concentreren we ons vooral op het stukje weg vlak voor ons. Pas in het historische centrum van Charlieu krijgen we weer wat aandacht voor de omgeving. Daarna is het niet ver meer tot aan het brede dal van de Loire. Via een jaagpad langs een kanaal rijden we Roanne binnen en even later ook weer buiten, op weg naar een camping even ten zuiden van daarvan. Van Roanne zelf zien we daarom niet zoveel, maar als we het routeboekje mogen geloven missen we daar ook niet zoveel aan.
De camping ligt in Villerest, aan een stuwmeer in de Loire. Dat stuwmeer trekt kennelijk toch wel de nodige toeristen, getuige de aanwezigheid van een camping en een paar hotels. Voor de rest is Villerest verre van bruisend te noemen: een stadje in ruste. De rest van de dag zitten we dan ook voornamelijk op het terras van de camping. Eerst voor het ‘post velo’ bier, daarna voor een warme hap en, na een korte wandeling naar de nabijgelegen stuwdam, voor een glas wijn.
Het bedienend personeel bestaat uit twee echtparen, waarvan de mannen broers van elkaar lijken te zijn. Het zijn nogal volkse types, maar verder wel aardig. Johnny en Annie, maar dan op zijn Frans en dubbel uitgevoerd. Voortdurend wordt er bluesmuziek gedraaid, zo nu en dan afgewisseld met ouderwetse rock & roll. Kortom, er heerst wel een relaxte sfeer en we vermaken ons dan ook prima. Eén van de mannen heeft een nogal excentrieke kapsel. In het midden loopt een strook haar van ongeveer vijf centimeter breed als een borstelige loper van voren naar achteren over zijn hoofd. De rest van het hoofdhaar is gemillimeterd en loopt naadloos over in een stoppelbaard. Met uitzondering dan van de bakkebaarden, waar eenzelfde soort lopertje ligt als op het midden van zijn hoofd, maar dan iets korter. De garnering bestaat uit een paar oorbellen, een opzichtig shirt met arabeske patronen en armen vol tatoeages. Bovenstaande beschrijving is overigens absoluut niet denigrerend bedoeld, begrijp me goed, het gaat me om de sfeertekening. Met meer wijn op dan goed voor ons is zoeken we aan het einde van de avond onze tenten op.
Maandag 29 juli: Villerest – Le Brugeron (67 km)
Het weer van vandaag is ideaal te noemen, voor wat betreft het fietsen dan: droog, weinig wind en tussen de twintig en vijfentwintig graden. Na een lange relatief vlakke aanloop zullen we na het voorproefje van gisteren vandaag de echte bergen intrekken (‘La Montagne’, de beroemde chanson van Jean Ferrat). Weliswaar is het geen hooggebergte, maar de toppen liggen toch wel boven de duizend meter.
Vanuit de start gaat het meteen al flink omhoog, naar een hoogte van ongeveer negenhonderd meter. Ik moet er nog even inkomen, maar Nanco heeft er goed zin in. Voor het eerst in jaren slaagt hij erin om als eerste boven te komen. Bij de volgende top zijn de verhoudingen weer genormaliseerd, maar het moet gezegd dat hij beter klimt dan in de afgelopen jaren. Zijn pensioen heeft hem in dat opzicht goed gedaan.
Door al dat klimmen ligt de gemiddelde snelheid maar net boven de tien km/u. Het loopt dan ook al tegen de middag wanneer we Just-en-Chevalet bereiken, onze eerste pleisterplaats. Evenals het verderop gelegen Noiretable (‘Formidable’) roept die plaatsnaam herinneringen op aan onze vorige tocht, zonder overigens ook hier iets te herkennen van de omgeving. Die omgeving is trouwens prachtig. Op wat spaarzame dorpen na is het een nogal verlaten en bosrijk gebied. Dat gaat eigenlijk zo door tot we de camping even voorbij Le Brugeron bereiken.
De camping wordt gerund door een Nederlands echtpaar uit Brabant. Gisteravond heb ik al even contact met hen gehad, om te vragen of het mogelijk is om op de camping te eten. Op hun website stond namelijk dat er slechts een paar maal week een maaltijd bereid werd voor de gasten. Vandaag was niet gepland, maar de vrouw gaf aan een pizza voor ons te kunnen maken. Bij aankomst spreken we af dat die om zeven uur klaar zal staan. Dat geeft ons ruim de tijd ons te installeren en wat te relaxen. Drankjes moeten we zelf maar pakken, mits we dat maar netjes noteren in een map die achter de bar ligt. Achteraf kunnen we dat dan afrekenen.
Dinsdag 30 juli: Le Brugeron – Le Puy en Velay (97 km)
Wanneer we opstaan is het nog frisjes. Geen wonder, we zitten hier op ruim achthonderd meter hoogte. De eerste kilometers gaat het alleen maar verder omhoog tot bijna duizend meter. Al gauw gaan de jasjes weer uit, we krijgen het er warm van. Het landschap is een voortzetting van dat van gistermiddag: verlaten, bergachtig en bosrijk. Na een lange afdaling houden we onze eerste rustpauze in Ambert. Nanco is blij dat hij eindelijk zijn ‘deux pains aux chocolats’ kan eten. Zonder die had hij het gevoel nog niet gegeten te hebben, ondanks het halve stokbrood vanochtend op de camping.
Na Ambert rijden we door het brede dal van de Dore, een zijrivier van de Allier, die op zijn beurt weer een zijrivier is van de Loire. In tegenstelling tot eerder vandaag is het landschap hier open en redelijk vlak. Hoewel bij ons de zon schijnt, hangen boven de bergen rechts van ons dreigende wolkenluchten. Langzamerhand komen die onze kant op. Door stevig door te fietsen weten we die echter net te ontwijken. We krijgen er alleen een paar spetters van mee.
In Dore-l’Eglise houden we andermaal een rustpauze. Voordat we aan de volgende beklimming beginnen kunnen we maar beter de maag wat gevuld hebben. Tegenover het terras ligt een oud romaanse kerkje. Af en toe zien we daar bezoekers naar binnen gaan. Uit nieuwsgierigheid steek ik na afloop van onze pauze de straat over om ook een kijkje te nemen. Omdat ik denk dat het ongepast is om in naar zweet riekende fietskleding een kerk te betreden, blijf ik in het deurportaal staan en werp van daar een blik naar binnen. Kennelijk vindt een geïnteresseerd om zich heen kijkende andere bezoeker dat ik me er op die manier te gemakkelijk vanaf maak. Op haast belerende toon legt hij me uit dat deze kerk uit de vroege middeleeuwen stamt en dat men er een paar honderd jaar over heeft gedaan de kerk op te bouwen. Hij wijst me een van de gietijzeren dierenkoppen aan op de deur. Door de vele aanrakingen is in de loop der tijd het versiersel behoorlijk afgesleten, zodat niet goed herkenbaar is welke dierenkop hier ooit was afgebeeld. Zijn rechterhand omklemt een boekje waar hij kennelijk al die wijsheid uit opgediept heeft. Om de man tegemoet te komen zet ik alsnog een paar stappen naar binnen, maar verder dan de achterste kerkbanken kom ik niet. Het interieur is sober en door het schemerdonker is er nauwelijks iets te zien van de schaarse afbeeldingen op de muren. Je moet hier echt gedocumenteerd naar binnen treden om nog iets te begrijpen van wat je ziet. Overigens is dat met de meeste culturele zaken zo. Hoeveel mensen weten eigenlijk waar ze naar kijken als ze een zogenaamde bezienswaardigheid bezoeken? En hoeveel daarvan komen daar met slechts als doel die afgevinkt te hebben op hun bucketlist? Dat ze er zijn geweest telt, niet datgene wat ze daar gezien hebben. Deze kerk in zomaar een stadje onderweg heeft bij mij nooit op wat voor lijstje dan ook gestaan. Maar dankzij die bezoeker met dat boekje in zijn hand weet ik nu wel dat er op de kerkdeur metalen dierenkoppen zitten, die net als de kerk meer dan duizend jaren oud zijn.
Na onze lunchpauze beginnen we aan de volgende beklimming. In totaal stijgen we vijfhonderd meter, tot een hoogte van elfhonderd meter. De gehele beklimming rijden we in een dicht begroeid bos op een vrijwel verlaten weg. Veel anders dan het voortdurend oplopende wegdek en de bomen aan weerszijden daarvan is dan ook niet te zien. Aanvankelijk gaat het nog heel geleidelijk, maar naarmate we verder komen wordt het steeds steiler. De laatste vier kilometer vanaf Bonneval zijn echt steil. Hier komen we helemaal niemand meer tegen.
Eenmaal boven gekomen blijven we op hoogte. Pas na een kilometer of tien beginnen we aan de uitgestelde afdaling. Onze verwachting is dat die tot Le-Puy-en-Velay zal blijven doorgaan, zo’n dertig kilometer verderop. Dat blijkt niet helemaal te kloppen. Regelmatig wordt de afdaling hinderlijk onderbroken door korte klimmetjes. Naarmate we dichter bij Le-Puy komen wordt het ook steeds vlakker. De laatste tien kilometer voert over een drukke weg, wat bepaald niet aangenaam is.
Bij het binnenrijden van Le-Puy zien we twee iconische vulkaanrotsen, met daarop respectievelijk een kapel en een Mariabeeld. Iets verderop ligt de beroemde op een heuvel gelegen kathedraal. Reeds tweemaal eerder hebben we een bezoek gebracht aan deze pelgrimsstad. De eerste maal was uiteraard tijdens onze fietstocht van 2003. Toen waren we er slechts op doorreis en hebben er alleen een kop koffie gedronken. Vier jaar geleden hebben we hier tijdens onze tocht van Bergerac naar Genève overnacht. Redelijk snel hebben we de camping dan ook gevonden, aan de voet van één van de vulkanische rotsen. De jongeman bij de receptie begroet ons enthousiast met de kreet “Alles gut?”. Diezelfde kreet zal hij later op de avond nog een paar maal herhalen. Hij zegt dat hij “un petit peu” Duits kent en legt vervolgens in gebrekkig Engels uit waar we onze tenten neer kunnen zetten.
Na alle pasta’s, pizza’s en snacks van de afgelopen tijd besluiten we eens een keer luxe te gaan eten. We zijn tenslotte in Frankrijk, met genoeg restaurants met een Franse keuken. Ook in Le-Puy moeten die te vinden zijn, wat het geval blijkt na een korte consultatie van Google Maps. Voordat we daarheen gaan brengen we nog een bezoek aan de kathedraal. Het is nog een hele klauterpartij om er te komen. In de loop der eeuwen is het een verzamelplaats geworden van pelgrims, als start- of doorgangspunt voor hun reis naar Santiago de Compostela. Het zogenaamd luxe diner valt mij wat tegen. Alleen de prijs is nogal aan de luxe kant. Heimelijk verlang ik naar een simpele, doch voedzame pasta.
Woensdag 31 juli: Le Puy – Lac Naussac (63 km)
Na een bezoek aan de bakker zoeken we naar een rustig plekje voor ons ontbijt. Bij gebrek aan beter komen we zo weer op de camping terecht, bij een picknicktafel tien meter van de plek waar onze tenten hebben gestaan. Dit keer geen receptionist die vraagt of alles goed is.
Via een kronkelig fietspad rijden we daarna Le-Puy weer uit. Buiten de bebouwde komen we na een paar dagen afwezigheid ineens de Loire weer tegen. Vergeleken met de vorige keer is die hier een stuk smaller. Een tijdlang volgen we een half verhard fietspad over een voormalig spoorwegtracé. Omdat het rivierdal ter plaatse niet erg breed is, loopt dit fietspad grotendeels door de heuvels ten westen daarvan. Door de regenval van de afgelopen dagen is de ondergrond wat zacht geworden, waardoor het ondanks de afwezigheid van steile hellingen toch nog redelijk zwaar fietsen is. Om de hellingshoek beperkt te houden (een trein moest er wel omhoog kunnen) maakt het fietspad nogal wat omwegen. Een blik op de kaart leert ons dat we een paar van die lussen kunnen afsnijden door de gewone weg weer te volgen. Dan zijn we meteen van die zuigende ondergrond af. De consequentie van die keuze is dat we meteen weer moeten klimmen. Vooral het laatste stuk tot aan Solignac is erg steil.
Na Solignac kent de route twee varianten. De hoofdroute blijft aan deze zijde van de Loire, terwijl de andere variant een uitstapje maakt naar het gebied aan de overkant. Volgens het routeboekje is die andere variant een stuk panoramischer, maar kent die ook meer dan twee keer zoveel hoogtemeters. Bij het ontbijt hebben we afgesproken dat we pas in Solignac zouden beslissen welke variant we zullen nemen. Op dat moment stond de keuze eigenlijk wel vast, maar tot op het laatste houden we beiden de optie open om voor de zware variant te kiezen. Bij het binnenrijden van Solignac stemt Nanco onmiddellijk in met mijn voorstel om vanaf Solignac de gemakkelijke variant te volgen.
Die blijkt overigens nog genoeg hoogtemeters te bevatten. Omdat de gps-track de zware variant volgt, zijn we genoodzaakt weer als vanouds op de kaart te rijden. Het gevolg is dat we elkaar twee keer kwijt raken. De eerste keer mist Nanco nietsvermoedend een afslag (de kaart zit bij mij in de stuurtas), net nadat ik door een fotostop een paar honderd meter achterop ben geraakt. De tweede keer, kort daarna, denk ik bij een afslag dat hij vlak achter mij rijdt. Zonder om te kijken sla ik daarom rechtsaf, in de veronderstelling dat hij wel achter mij aan zal komen. Dat blijkt echter niet het geval, maar daar kom ik pas een kilometer later achter. Met de mobiele telefoon zijn dat soort zaken tegenwoordig weer snel recht te zetten: even bellen en/of doorgeven van de gps locatie. Dat was vroeger wel even anders, hoewel dat toen ook altijd wel weer goed kwam, zij het dat het wat meer tijd kostte.
Na die tweede keer blijkt dat ik toch de verkeerde afslag heb genomen, met als gevolg dat we even later op een drukke Route Nationale terechtkomen. Gelukkig kunnen we daar na een paar kilometer weer af en via een paar onverharde wegen komen we even later weer op de gps-track terecht. Even later bereiken we het hoogste punt van de route op 1250 meter hoogte. Zelfs de col in de Pyreneeën, waar Nanco later nog langs zal komen, is een stuk lager. Het laatste stuk tot aan Langogne gaat het in ziedende vaart naar beneden. We rijden hier weer op een Route Nationale, maar gelukkig is die hier niet zo druk als daarnet.
De camping ligt iets voorbij Langogne, aan het Lac Naussac. Om er te komen moeten we weer een stukje omhoog. Het is echter zeer de moeite waard, want het uitzicht vanaf de camping is fenomenaal. Nadat we ons hebben geïnstalleerd liggen we wat te luieren bij de tent. Vanwege de felle zon zoeken we zoveel mogelijk de schaduw op. Nanco heeft zijn stoeltje onder een iets verderop staande boom gezet. Bij gebrek aan een stoel (die heb ik in Langres weg moeten gooien omdat ik er doorheen zakte) lig ik in het reepje schaduw pal naast mijn tent. Opeens hoor ik een luid geronk vlakbij. Ik richt me op en zie twee vliegtuigen een duikvlucht maken naar het meer. Eenmaal op het water trekken ze elk een boeggolf van wit opspattend water achter zich aan, waarna ze weer opstijgen en vertrekken. Het zijn blusvliegtuigen die hier water komen halen voor een (bos?)brand ergens in de omgeving. Ik speur de horizon af, maar zie nergens een rookpluim hangen. Na twintig minuten komen ze weer terug en dat herhaalt zich vervolgens nog een paar maal. De brand is kennelijk zo’n tien minuten vliegen hier vandaan. Uitgaande van een snelheid van 120 km/u zou de brand dus zo’n twintig kilometer verderop kunnen zijn. Of evenredig verder weg of dichter bij, naar gelang de vliegsnelheid hoger of lager ingeschat moet worden.
Donderdag 1 augustus: Lac Naussac – St. Ambroix (96 km)
Als we opstaan is het slechts negen graden. Met de trui en jas nog aan rijden we naar beneden, naar het centrum van Langogne. Binnen bij de bakker is het lekker warm. Helaas is er niet genoeg plaats om er te kunnen zitten, daarom werken de zojuist aangeschafte broodjes maar buiten op het terras naar binnen. De koffie smaakt zo lekker dat we er even later nog een tweede bak bijhalen. Ondertussen zien we een willekeurige doorsnede van de bevolking van Langogne bij de bakker naar binnen gaan en er even later ook weer uit komen, met steevast een in een minuscuul papiertje gewikkeld stokbrood onder de arm. We genieten van het Franse leven, zelfs op deze wat kille ochtend (‘Paris, s'éveille’).
De eerste twintig kilometer gaan geleidelijk weer omhoog over een rustige weg door het dal van de Allier. Die is hier in zijn bovenloop maar een miezerig stroompje vergeleken met de machtige rivier verder stroomafwaarts, zoals we die enkele jaren terug hebben gezien. Het rivierdal loopt dood op een bergrug van ruim duizend meter hoogte. Dat betekent dat hier ergens ook de bron van de Allier moet liggen.
Na het ronden van de bergrug beginnen we aan een vijfentwintig kilometer lange afdaling. We zijn de top nog niet over of we horen de eerste krekels. Dat betekent dat we nu toch echt in Zuid-Frankrijk zijn aangekomen. Naarmate we verder naar beneden komen wordt het gekrakeel steeds heftiger. Alleen op stukken waar weinig bomen staan neemt het geluidsvolume tijdelijk iets af, om daarna weer in alle hevigheid los te barsten. Vanwege de prachtige uitzichten onderweg stoppen we diverse malen voor het maken van een foto. Mede daardoor doen we er uren over om beneden in Les Vans aan te komen.
In Les Vans nemen we een korte rustpauze. Daarna is het op een paar heuvels na wel gedaan met het klimmen. Naast het continue geluid van de krekels is ook aan de warmte goed merkbaar dat we in het zuiden van Frankrijk zijn aangekomen. Zo warm als tijdens de hittegolf eerder deze vakantie is het gelukkig nog niet.
Tegen drie uur arriveren we op de camping van Saint Ambroix. Omdat de campingbeheerder zelf nog druk bezig is met wat nog het meest doet denken aan de nazit van een rijk besprenkelde lunch, gebaart hij dat we zelf maar een plaatsje moeten uitzoeken. Inschrijven kan later wel. Wel geeft hij ons alvast de code van het toiletgebouw mee (‘Voici les clés’). Zijn drukke werkzaamheden weerhouden hem er niet van meteen een paar klapstoelen te komen brengen. Vooral ik ben daar erg blij mee. Na het verlies van mijn eigen stoeltje heb ik dat wel node gemist. Op ons verzoek worden de klapstoelen even later gevolgd door een paar flesjes gekoelde Kronenbourg. Een ontvangst op een camping is wel eens minder hartelijk geweest.
’s Avonds eten we een pizza in het centrum, dat op loopafstand van de camping ligt. En passant kopen we een muggenspray bij een apotheek. Dat lijkt zijn vruchten af te werpen, want bij terugkomst op de camping hebben we een stuk minder last van de muggen.
Vrijdag 2 augustus: Saint-Ambroix - Brissac (82 km)
Op ons veldje staan nog een paar andere fietsers. Een man van ongeveer onze leeftijd en een jonge vrouw die waarschijnlijk zijn dochter is hebben we ook al eerder gezien op de camping van Cluny. Net zo min als toen hebben we een praatje met ze kunnen maken. (P.S. Een paar dagen later, toen ik al weer terug was in Nederland en Nanco alleen verder trok, is hij ze voor de derde keer tegengekomen. Toen heeft hij ze wel gesproken. Op zijn opmerking “Goh, wat leuk dat je met je dochter op vakantie bent” kreeg hij tot zijn verrassing als antwoord dat ze zijn vriendin was.).
Bij het verlaten van de camping heb ik nog wel een kort gesprek één van de andere fietsers. Het is een vrouw die samen met haar man en drie kinderen vanaf Clermont-Ferrand naar hier is komen fietsen, over min of meer dezelfde route die wij gevolgd hebben. Ze hebben er echter wel veel langer over gedaan. De jongste, die nog te klein is om zelf te fietsen, hebben ze meegenomen in een aanhangwagen. Saint-Ambroix is hun eindbestemming. Gisteren heeft haar man de bestelbus die ze twee weken terug in Clermont-Ferrand hebben achtergelaten opgehaald en vandaag zullen ze daarmee weer terugrijden naar Nederland.
In het centrum nemen we ons ontbijt op een bankje op de Place de l’Espanade. Aansluitend drinken we een kop koffie op een nabij gelegen terras. Daar zien we de vrouw die ik eerder op de camping heb gesproken weer, dit keer in het gezelschap van haar kinderen. Ze zegt dat ze hier ergens met haar man afgesproken heeft. Even later komt haar man voorbij. Hij heeft zojuist de bestelbus geparkeerd aan de andere kant van de Place de l’Espanade is nu op zijn beurt op zoek naar zijn vrouw. We wijzen naar de plek waar ze zoeven stond, maar inmiddels is die plek weer verlaten. Omdat hij toch moet wachten komt hij even bij ons zitten en informeert geïnteresseerd naar onze fietstocht. Ervan uitgaande dat het gezin ook zonder onze hulp wel weer herenigd zal worden, verlaten we het terras en even later Saint-Ambroix weer. Er wacht ons andermaal een dag fietsen.
Om Ales te vermijden voert de route ons door het heuvelachtige gebied ten oosten van die (volgens het routeboekje) ‘steeds verder uitdijende agglomeratie’. Daar wil je inderdaad niet dwars doorheen rijden. Het wegennet rondom Ales kent een zogenaamde radiale structuur, wat wil zeggen dat de meeste doorgaande wegen naar (of van) Ales lopen. We zijn hierdoor gedwongen steeds weer andere verbindingswegen tussen die radialen te volgen. Het resultaat is een eindeloze reeks kleine landweggetjes en afslagen. Hoewel het volgens de kaart redelijk vlak zou moeten zijn, is het in werkelijkheid een voortdurend klimmen en dalen. Het is een mooi gebied, weliswaar zonder grootse uitzichten, maar wel lekker rustig en landelijk. Na een korte stop in Venezobres buigen we af naar het westen en voltooien aldus de halve cirkel rondom Ales. Die stad ligt nu noordelijk van ons. De weg blijft op en neer gaan, al is het minder heftig dan aan het begin van de dag.
Vanaf Saint Hippolyte volgen we een nieuw aangelegd fietspad over een voormalig spoorwegtracé. Ten tijde van het drukken van het routeboekje was dat fietspad nog niet gereed, maar de verwachting werd wel uitgesproken dat het binnenkort gereed zou komen. Na een paar kilometer houdt het asfalt echter alweer op. Enigszins teleurgesteld keren we daarom maar weer terug naar de doorgaande weg.
Die loopt hier door het dal van de Hérault. Deze streek is vermaard om zijn druiventeelt, maar vooralsnog is daar nog maar weinig van te zien. Naarmate we verder naar het zuiden komen neemt het aantal wijngaarden echter zienderogen toe. Met de wind in de rug en een licht dalend wegdek schiet het lekker op.
Om een uur of drie strijken we neer op de camping van Brissac. De rest van de middag brengen we door op en naast het ter plaatse aanwezige zwembad. ’s Avonds eten we in het restaurant van de camping. Bij gebrek aan alternatieven wordt dat weer een pizza.
Zaterdag 3 augustus: Brissac – Vias (91 km)
Voordat we gaan ontbijten boven bij het restaurant, dalen we eerst af naar de Hérault, die pal naast de camping stroomt. Tijdens onze vorige tocht vonden we hier na een warme fietsdag de nodige verkoeling in het snel stromende water. Legendarisch zijn de foto’s waar we als een Buddha zitten te mediteren midden in de rivier.
Het restaurant en ook de kampwinkel zijn nog dicht, dus we moeten het doen met alleen het zacht geworden stokbrood van gisteren. Vanochtend dus een keer geen ‘pain-au-chocolat’. Langzamerhand begin ik deze verslaving van Nanco over te nemen.
Het eerste deel van de dag rijden we door de heuvels ten westen van de Hérault. Als de verwachting is zo het ene na het andere fraaie uitzicht over het rivierdal voorgeschoteld te krijgen, dan kom je bedrogen uit. Slechts af en toe zien we een glimp van de rivier, de meeste tijd zien we alleen maar bomen. Pas wanneer we weer terugkeren naar het dal krijgen we de rivier wat meer in beeld. Aan weerszijden lopen de heuvels vrij steil omhoog, reden waarom dit stuk van het dal wordt aangeduid als ‘Gorges de l’Herault’. Dat dit een Eldorado is voor kanoërs blijkt wel uit de vele kano-verhuurbedrijven onderweg. En anders wel uit de langsrazende busjes met lege kano’s, op weg naar een punt stroomopwaarts om nieuwe klanten op te pikken.
De eerste koffiepauze houden we in het alleraardigst Saint-Guilhem-le-Désert. Op dit vroege tijdstip is het nog rustig in dit toeristische dorp. De stroom met dagjesmensen is duidelijk nog niet op gang gekomen. Op het knusse pleintje nemen we plaats op een terras en verheugen ons al op de ‘pain-au-chocolat’ die we straks bij de koffie zullen bestellen. Helaas blijken ze die niet te hebben. Als we de koffie op hebben loop ik op aanwijzing van de serveerster een zijstraat in, daar zou vlak om de hoek een bakker moeten zitten. Het enige dat ik zie is een kaaswinkeltje, waar ze behalve kaas ook nog wat andere streekproducten verkopen. Ik loop het hele straatje uit tot aan het einde van het dorp (wat gelukkig niet zo heel ver weg), maar nergens is een bakker te zien. Onverrichter zake loop ik weer terug. Bij het kaaswinkeltje loopt iemand naar buiten met een stokbrood onder zijn arm. Ik kijk nu wat beter naar binnen en zie dat ze daar inderdaad ook brood verkopen, inclusief de zo begeerde ‘pain-au-chocolat’. Met enige vertraging keer ik even later terug naar het plein met een zak broodjes in de ene en een fles water in de andere hand. We bestellen er nog een kop koffie bij. Met een goed gevulde maag gaan we even later weer op pad.
Na Guilhem komen we in de benedenloop van de Hérault terecht. Te midden van de talloze wijngaarden rijden we steeds verder naar het zuiden. Aan de stevige zeewind die ons pal in het gezicht blaast merken we dat de Middellandse Zee niet meer ver weg is. Hoewel het routeboekje ons door platanen omzoomde weggetjes in het vooruitzicht stelt, is het landschap overwegend open en vlak. Die platanen blijven beperkt tot een traject van enkele kilometers, waarvoor de route ook nog eens een speciale omweg moet maken.
Halverwege de middag komen we aan in Vias. De rest van de middag brengen we achtereenvolgens door in het zwembad en op het terras van de camping. Tussendoor gooien we alle fietskleren in de wasmachine om ze een keer echt schoon te krijgen. Al die handwasjes helpen hooguit om de zweetlucht wat te neutraliseren.
’s Avonds lopen we naar Vias-Plage. Het strand zelf ligt op zo’n twee kilometer afstand van de camping. Met de voeten in het water van de Middellandse Zee (‘Méditerranéeene’) maken we een selfie, ter afsluiting het gezamenlijke deel van de fietstocht. Morgen zal ik terug vliegen naar huis en Nanco zal, na een rustdag, nog doorfietsen naar Girona. Na het avondeten in één van de vele restaurants van Vias-Plage lopen we weer terug naar de camping. Op het terras nemen we er nog een paar. Morgen hoeven we immers toch niet te fietsen.
Zondag 4 augustus: terugreis
Wanneer ik om zeven uur opsta voel ik me nog wel wat duf. Geen wonder met al die drank op. Maar gezellig was het wel. Uit solidariteit staat Nanco even later ook op om mij uit te zwaaien.
Om acht uur rijd ik weg van de camping, langs het Canal du Midi in de richting van Agde. Binnen een half uur ben ik al bij het station, om daar de trein te nemen naar Montpellier. Het perron staat vol met mensen met rolkoffers. Waarschijnlijk vakantiegangers, die net ik als op weg zijn naar het vliegveld van Montpellier. Ondanks de drukte vind ik nog een plaatsje voor mijn fiets in de trein. Een trein later pakken was overigens ook geen probleem geweest, al is het de vraag of daar dan wel plaats was geweest.
Op mijn gemak fiets ik van het station van Montpellier naar het vliegveld. Het is vanwege het tijdstip (zondagmorgen) nog erg rustig op de weg. Veel te vroeg ben ik al bij het vliegveld, maar dat was ingecalculeerd. Ik kan zo op mijn gemak mijn fiets en bagage klaarmaken voor de vliegreis. Terwijl ik daar zo mee bezig ben kijkt een man die op een bankje naast me zit aandachtig toe. "You are a well organised man”, zo laat hij me weten. Ik bedankt hem voor het compliment, maar leg hem uit dat het alleen maar praktisch is om je zaken goed geregeld te hebben. Aan zijn tongval te horen is het geen Fransman. We raken aan de praat, waarbij uiteraard ook mijn fietstocht ter sprake komt. Hij spreekt zijn bewondering daarover uit. Op zijn beurt vertelt hij dat hij deels in Agde en deels in Zuid-Afrika woont. Vandaag vliegt hij terug naar Zuid-Afrika. Een prachtig land volgens hem, daar zou ik eens moeten gaan fietsen. Met de Big Five die daar zomaar in het openbaar rond lopen lijkt me dat geen aantrekkelijk idee.
Vanuit het vliegtuig probeer ik herkenningspunten te vinden van plaatsen waar we langs gefietst zijn. Ik meen Ales en vervolgens het Lac Naussac te zien liggen. Even later zie ik een glinsterende slang door het landschap kronkelen. Dat moet haast wel de Loire zijn. Daarna houdt het wel zo’n beetje op, omdat het vliegtuig een wat westelijker koers aan houdt. Vermeldenswaardig is nog wel het uitzicht op de delta van Zeeland, vlak voordat we in Rotterdam landen.
Nadat ik mijn fiets in de bagagehal redelijk ongeschonden (alleen het voorspatbord is wat los geraakt) in ontvangst heb genomen en rijklaar heb gemaakt, fiets ik naar het Centraal Station, zeven kilometer verderop. Wanneer ik het perron op loop zie ik de trein naar Eindhoven net wegrijden. Geen nood, over een half uur gaat er weer één. Dat geeft me de gelegenheid een saucijzenbroodje en een blikje bier te consumeren.
De trein naar Eindhoven bevat slechts één fietscompartiment, met als gevolg dat het er stampvol fietsen staat. Vier van die fietsen behoren toe aan twee stellen uit Kessel, die vanuit hun woonplaats een tocht langs de Maas hebben gemaakt. Ze zijn ongeveer van mijn leeftijd. In het verleden blijken ze ook dikwijls lange fietstochten te hebben gemaakt, waaronder de route naar Barcelona van Benjaminse. Dit jaar hebben ze het wat rustiger aan gedaan naar eigen zeggen. Inderdaad, dat kunnen ze wel zeggen.
In Eindhoven stap ik weer op de fiets voor de laatste vijf kilometer naar huis. Daar wacht me een hartelijke ontvangst van Irina.